Welkom op de vogelsite van

Conny en Ruud


De voeding van de soorten, die overwegend in open gebieden leven, zoals Rosella, Prachtrosella, Stanley Rosella, Adelaide Rosella en Bleekkop Rosella, bestaat vooral uit zaden van grassen en allerlei wilde planten. Verder voeden ze zich met vruchten, bloesemnectar, bladknoppen, en diverse soorten insecten en hun larven.
Door hun voorkeur voor bloesem van fruitbomen kunnen ze aanzienlijke schade toebrengen aan boomgaarden (o.a. Rosella, Prachtrosella, Stanley Rosella, Pennant Rosella, Adelaide Rosella en Strogele Rosella). Ook Bleekkop Rosella's kunnen een plaag vormen voor boomgaarden en maďsvelden.
Veel soorten zoeken boerderijen op waar zij foerageren op gemorst graan op erven, stoppelvelden en
in hooibergen.
Over het algemeen kunnen we stellen dat elk ras, ieder in zijn eigen verspreidingsgebied, in snel tempo het agrarische landschap verovert. Ze leven hier voornamelijk van gemorst graan dat voor de boeren geen enkele waarde meer heeft.
Ze richten daarom weinig schade aan, behalve dan wanneer ze zich te goed doen aan bloesem van boomgaarden. Tot op heden is niet geheel duidelijk in hoeverre de verschillende Rosella-soorten afhankelijk zijn van de landbouw. Waarschijnlijk maken ze er alleen maar gebruik van en zijn ze (nog) niet afhankelijk van de landbouw. Toch schuilt het gevaar dat bepaalde soorten op
den duur te afhankelijk worden van de landbouw. Als we daarbij bedenken dat de landbouw niet alleen in Nederland maar ook in Australië een onzekere toekomst heeft, dan is enige ongerustheid in dezen gerechtvaardigd.
De soorten die zich meer ophouden in bomen eten, naast graszaden en onkruidzaden, veelal bessen, noten, vruchten, zaden van eucalyptusbomen en insecten zoals termieten en houtboorders.
De soorten die zich ophouden in tuinen en parken eten vooral zaden van coniferen en sparren alsmede diverse soorten bessen van struiken en bomen.    

DE VOEDING IN GEVANGENSCHAP

In gevangenschap dient de voeding te bestaan uit een goede zaadmengeling voor grote parkieten, onkruidzaden en vruchten.
In de periode dat de vogels jongen hebben moeten ze ook ruimschoots de beschikking hebben over dierlijke eiwitten. Naast het verstrekken van eivoer is het verstandig meelwormen en maden, als bijvoeding te verstrekken (bijvoorbeeld 2 meelwormen per jong per dag). Bij een tekort aan dierlijke eiwitten zien we ook vaak dat de vogels hun jongen onvoldoende voeden en uiteindelijk zelfs in de steek laten. Hetzelfde gedrag zien we bij Europese wildzangvogels, die ook hun jongen in de steek laten wanneer er onvoldoende dierlijke eiwitten
voor handen zijn.
Dagelijks vers en fris bad- en drinkwater is noodzakelijk, terwijl ook maagkiezel en grit niet op het menu mogen ontbreken.

VOEDING