Romeijnders Genealogie

                                                                                                                                                                                                                  

 

 

 

 

            Geschiedenis Lith.                                                                                                                                                                                                                                          

 

 

Hieronder staat een document over de geschiedenis van Lith zoals deze in het gemeentehuis aanwezig was en waar ooit een exemplaar van is ontvangen. Men deed er nogal geheimzinnig over omdat er nog maar weinig exemplaren van waren en ze hem eigenlijk niet mochten weg geven. Wie dit gemaakt heeft is eigenlijk in nevelen gehuld, waarschijnlijk is het gemaakt door een onderduiker in de oorlogsjaren op een oude typemachine. 
Deze persoon had waarschijnlijk alle tijd om de archiefstukken op het gemeentehuis door te nemen.


DE ROOMSCH-KATHOLIEKE KERK TE LITH

De parochiekerk, den H. Lambertus toegewijd, heeft volgens een kanttekening van Coeverincx den rang integraecclesia en moet tot een hoge oudheid opklimmen. Volgens overlevering, blijkens een brief van ± 1700, weet men, dat het parochiaal kerkgebouw op een gedistingeerde wijze met drie torens is versierd geweest, waaruit sommigen den oorsprong van het gemeentewapen afleiden.

Het patronaat dezer kerk berustte bij het kapittel van Luik. Daarin stonden in 1520 vier altaren, tevens beneficiën; het altaar van den H. Nicolaas, van de H. Catharina, van het H. Kruis en van de H. Anna en Barbara.

Volgens een verklaring van den pastoor Joannes Colf van 19 juli 1571 was Joannes Hendricks rector van het beneficie van O.L.V. en Nicolaas, doch de aanwezige rector van het Catharina-altaar liet de drie missen van het beneficie door Johannes Willems van Lendt celebreeren, terwijl de rector van het altaar van het H. Kruis, Godefridus Janssen, zelf zijn beneficie bediende.
In 1598 den 3den October komt Renerus Colf voor als rector van het beneficie der H. Anna en Barbara, dat oudtijds door den Heer Mathias Goyartss de Brouwer was gesticht. In 1620 zijn verschillende beneficiën vereenigd.

Niettegenstaande Lith aan het bisdom Luik behoorde, waar de uitoefening van de godsdienst moest geëerbiedigd worden, stond de kerk tijdens de omwentelingsstrijd in de 16e en 17e eeuw aan heiligschennis bloot. Derhalve werd door den bisschop Masius, bij de kerkvisitatie van 26 Juni 1613 besloten de kerk met kerkhof en drie altaren opnieuw in te zegenen. De kerkwijding werd, zooals van ouds, op Zondag v66r St. Remigius (1 Oktober) bepaald.
Bij die gelegenheid diende de kerkvoogd aan velen het H. Vormsel toe.

Bij de vrede van Munster in 1648 mochten de Staten-Generaal de op Spanje veroverde Generaliteitslanden, waartoe ook Brabant behoorde, behouden.
De Hervormde Godsdienst, die door de Staten-Generaal tot Staatsgodsdienst was geproclameerd, werd overal ingevoerd.

Op plechtige wijze moest de vrede van Munster op het kerkhof der parochiekerk, waar men van ouds de publicaties hield, afgekondigd worden. Dit moest volgens order van de Staten-Generaal met de grootst mogelijke feestelijkheden worden gevierd. In Lith, met haast uitsluitend katholieke bevolking, werd van die feestelijkheden weinig bemerkt.

Het aloude Roomsche Brabant ging een droeve toekomst tegemoet.

Bij placaat van 16 Juni 1648 werd reeds aan alle Roomsche priesters, op straffe van zware geldboeten tot duizend gulden toe en bovendien nog arbitrale correctie, het verblijf binnen de grenzen van de Meyery ontzegd.
Het placaat van 14 April 1649 verbood de ingezetenen van de Generaliteitslanden "in eenige kercken ofte particuliere huysen ende plaatsen of ten velde, in schepen ofte schuyten eenige toeloop ofte samenkomst van mannen en vrouwen te maecken of te houden, ofte andere exercitiën van de pausselijke superstitiën te doen of te hooren, hoe die oock genaemt zouden mogen wesen en geen uytgesondert, op verbeurte van twee hondert guldens, tot laste van dengenen, in wiens huysen, velden, schepen ofte schuyten sulcks zal worden gedaen".

De katholieken van Lith hadden echter een groot voorrecht, doordat de heerlijkheid Lith aan het Bisdom Luik behoorde, waar de uitoefening van de godsdienst geëerbiedigd moest worden. Krachtens tractaat van 18 Augustus 1671, tussen de Staten der Vereenigde Nederlanden en den bisschop van Luik met den Kapitteldeken, werd de heerlijkheid Lith in ruil afgestaan. Dit had aanstonds tot gevolg, dat voornoemde placaten ook hier van kracht werden en derhalve de oude parochiekerk den katholieken werd ontnomen en overging aan de Gereformeerden.

Den 31 Juli 1674 schrijft de Baron d'Isola aan de Prins van Oranje nog over de neutraliteit van Lith en wellicht staat dit schrijven in verband met het aanmatigen der kerk door de Hervormden, wat veel oneenigheid veroorzaakte. De felle vervolging der Roomschen kwam eenigszins tot bedaren door den inval der Franschen in 1672.
Dientengevolge werd de benoeming van een pastoor in 1675 niet belet, hoewel de bediening der parochie van uit Teeffelen gemakkelijk kon geschieden, indien het verblijf van den Pastoor werd belemmerd. Teeffelen hoorde tot het Graafschap Megen, waar ook nog godsdienstvrijheid heerschte.

In het laatst van de 17e eeuw verkregen de Roomschen te Lith toestemming van de Staten-Generaal om een "schuurkerk" te bouwen annex gebouw voor woning van den pastoor. Financieel werden de katholieken hiertoe door liberale giften in staat gesteld.

In de z.g. schuurkerken werden toen van Landswege de Roomschen "geduld" mits die gebouwen strikt voldeden aan bestaande voorschriften der Staten, welke voorschriften hierop neerkwamen, dat de schuurkerken meer het karakter van een "schuur", dan van een "kerk" zouden weergeven. De daarin te houden godsdienstoefeningen mochten vanuit de openbare straten noch gehoord, noch gezien worden en daarom waren hoge valramen voorgeschreven, die nooit, ook niet bij zomerdag, zonder speciale permissie der Staten-Generaal, mochten worden geopend.

Bijzonderheden omtrent den toestand der Lithsche kerkschuur kennen we uit den staat en inventaris van de Roomsche kerkschuur, door den pastoor Hendrik Maas op 14 juni 1760 aan het gemeentebestuur overgelegd. Hieruit blijkt, dat de kerkschuur een lengte had van 6312 voet en een breedte van 4310 voet. Aan de Oostzijde belendde deze aan de pastorie, ten Noorden aan een openbare voetweg en aan de Westzijde stond het huis van de Wed. Peter Blanckers.

Bij resoluties van den Raad van State d.d. 5 November 1697 en 28 April 1698 werden de gemeenten Lithoijen en Groot-Lith aangeschreven, om de pastoriewoning, staande en gelegen te Groot-Lith van den Lande te moeten overnemen voor de som van f. 600,-- en dezelve te doen strekken voor de woning van de predikant der Hervormden.
Hier werd bedoeld de vóór 1671 in gebruik zijnde pastoorswoning.

De oude parochiale kerk was voor het houden der Protestantschen godsdienstoefeningen natuurlijk veel te groot. Daarom lijkt het waarschijnlijk, dat korten tijd na 1671 gedeelten der kerk werden verbouwd en ingericht tot raadkamer en brandspuithuis, want omstreeks 1700 belendde de raadkamer en brandspuithuis den gevel der Hervormde kerk. In deze raadkamer werden de vergaderingen van het gemeente-bestuur gehouden, tevens werd dit lokaal als secretarie gebruikt, waar de kasten en kisten der papieren der gemeente bewaard werden. In het vertrek konden echter niet meer dan acht personen plaats nemen.

In de zeventiende eeuw droeg de kerk één grooten toren. In deze toren hingen twee klokken, een groote en een kleine. In 1752 bleek, dat de grootste klok, de z.g. tiendklok, was gebarsten en wel zodanig, dat ze niet meer gebruikt kon worden.  In verband hiermede werd de Raeden van Staten verzocht den Rentmeester der Gewestelijke goederen Tengnagel te ‘s-Hertogenbosch te authoriseren om voornoemde klok te laten vergieten en ten spoedigste een andere tiendklok te bezorgen.
De Raad van State gaf op 16 Mei 1752 machtiging om de klok ten koste van de respectievelijke tiendheffers te doen vergieten, zulks in dier voege, dat de abt van St. Trude en de verdere tiendheffers van Lith, benevens het gemeene Land gehouden zouden zijn ponds ponds gewijze de kosten te dragen.
De klok werd vergoten door Alexius Petit.
Op 11 Mei 1754 was de klok weer klaar en werd door den klokgieter het gemeente-bestuur verzocht om de klok te Oss weer te komen halen. De nieuwe klok woog 497 1/2 pond en de nieuwe pan 11 1/4 pond. Zij was 24 pond lichter dan de oude.
Daar de grote toren feitelijk te weinig plaats bood voor de twee klokken, zodat deze vaak tegen elkaar sloegen, zou een nieuw torentje gebouwd worden om de kleine klok in te hangen.
Den 17den Juli 1773 werd in de raadkamer dit werk openbaar aanbesteed. Het vierkant torentje kwam te staan aan de West-zijde tusschen den gevel boven het portaal van boven voorzien van een ronde koepel. Het werk werd gegund aan Dirck Dusemon voor f. 209,--.

Ingevolge ‘s-Landsplacaten, sedert April 1660 verscherpt bij resolutie van 17 Februari 1720, welke resoluties ieder jaar opnieuw moesten worden afgekondigd, moesten de "Achtbare regeerders van Lith" gekozen worden uit de Hervormde religie. Enkel als er totaal geen hervormden in de gemeente of in de naburige gemeente aanwezig waren, mochten katholieken benoemd worden.

In strijd hiermede bestond de Schepenbank van Lith in 1739 uit twee gereformeerden en niet minder dan vijf Roomsche schepenen. De Roomschen waren: Johan Cling (junior), Jacobus van Hurwen, Gijsbertus van Maaren, Walraven van Kessel en Aart van Alem.
De gemeente werd herinnerd aan de bepalingen van de Politique Reformatie van 1660 met den last om de vijf Roomsche schepenen door Gereformeerde te vervangen.
In hun plaats moesten worden aangesteld: Adriaan van der Straat (Drossaard te Kessel en Empel), Johan de Leeuw (Ouderling te Lith en Lithoijen), Reinier van der Meulen, Robert van der Heuvel en Peeter van Leeuwen.

Zij aanvaarden hun functie 15 October 1739.

Op 11 Mei 1739 werd door de Hoog Mog. Heeren Staten-Generaal besloten, dat de Gereformeerde ambtenaren, die hun religie verzaakten of een huwelijk aangingen met een Roomsche vrouw ontslagen moesten worden. Verder was het volgens placaat van 3 Juni 1750 aan personen, die de ware gereformeerde of protestantsche godsdienst toegedaan waren of daarin waren opgevoed, verboden om een huwelijk aan te gaan met personen van de Roomsche religie, zoolang manspersonen den ouderdom van 25 en vrouwspersonen den ouderdom van 20 jaren niet bereikt hadden. Huwelijken, die werden voltrokken in strijd met deze bepalingen werden geacht niet te bestaan, terwijl de kinderen uit dusdanige huwelijken geboren onwettig waren en niet konden worden erkend.
Mochten personen in verband hiermede hun protestantsche godsdienst verzaken, dan moesten deze personen a1vorens te kunnen trouwen een wachttijd van één jaar doormaken.

Het was toen allesbehalve een tijd van Roomsche vrijheid en blijheid in de gemeente.
Alleen van het geld der Roomsche gemeenten was men niet afkeerig. Dit blijkt uit het volgende feit.
Zekere Gertrudis Meyers te Nuland verliet de ouderlijke woning, werd Roomsch en vervolgens religieuse te Uden (vrije heerlijkheid van Ravenstein), vanwaar zij naar elders gezonden is.
Ofschoon de pastoor van Nuland de dochter van Hendrik Meyers niet eens gesproken had, werd de kerk van Nuland den 28sten Juni 1756 gesloten en de pastoor werd later als een booswicht gevankelijk naar ‘s-Hertogenbosch gevoerd, waar hij gedurende 13 maanden en 3 dagen op de Gevangenpoort in de strengste afzondering doorbracht. Men vergunde niemand den onschuldige priester te bezoeken.
De katholieken van Nuland wendden zich tot de Hoog Mogenden Staten-Generaal om hun herder uit den kerker te doen ontslaan en de kerk te ontsluiten.
Alle beweegredenen en bewijzen van onschuld van den pastoor baatten niet. Geertrui moest naar haar ouders terugkeeren.
Toen genoemde religieuse niet aanstonds naar haar ouders terugkeerde, kwam er een nieuw Statenbesluit van 5 Oktober 1757, waarin men dreigde al de kerken van het Maaskwartier te sluiten en aan de priesters de uitoefening van hun functie te verbieden, indien Gertrudis Meyers niet binnen zes weken naar haar ouders terugkeerde.
Het meisje keerde terug. De pastoor herkreeg 20 December 1757 ‘s-avonds te ‘s-Hertogenbosch zijn vrijheid en de kerk stond, na 18 maanden gesloten te zijn, weder voor de katholieken open.
Doch na deze bedrijven kwam er een rekening van 4900 gulden. Om dit aardige sommetje bijeen te brengen hebben 15 parochies het hare bijgedragen:

200 gulden, Alem, Empel, Maren f. 6oo,--
300 gulden, Berghem, Dinther, Geffen, Heeswijk, Lith
 Lithoijen, Nuland, Rosmalen f. 2400,--
400 gulden, Heesch, Nistelrode f. 800,--
500 gulden, Berlicum f. 5001--
600 gulden, Oss Z. 6009--
Totaal f. 4900,--

Het was niet te verwonderen, dat onaangenaamheden voorkwamen tusschen Katholieken en Gereformeerden.
In 1728 werden van tijd tot tijd verschillende baldadigheden gepleegd aan vee en goederen van Peeter van Ophuesden, regeerende schepen alhier, zijnde van de z.g. ware christelijke gereformeerde religie en zulke zooals gezegd uit godsdiensthaat.

Ingevolge de placaten van den Lande diende hierop ten strengste te worden toegezien. Het gemeente-bestuur waarschuwde dan ook met nadruk .Om nog de minste molestie, ergernis of hinder aan voornoemde Peeter van Ophuesden en verdere gereformeerde ingezetenen toe te brengen of te gedogen, dat zulks gedaan werd. Het nadeel aan Peter van Ophuesden reeds toegebracht, en al hetgeen hem en andere Gereformeerde ingezetenen uit hoofde van godsdienst onverhoopt zou overkomen, moest enkel door, de Roomsche ingezetenen worden vergoed. Derhalve werd er ernstig gewaarschuwd en verboden om de Gereformeerde ingezetenen in hun persoon of goederen eenig nadeel of ongenoegen toe te brengen.

Verder werd er een premie van f. 25,-- uitgeloofd aan hem, die de daders der baldadigheden, gepleegd ten aanzien van genoemd persoon, met bewijzen zoodanig kon aanbrengen, dat ze in handen der Justitie zouden vallen, terwijl de naam van de aanbrenger geheim zou worden gehouden.

De revolutiejaren brachten de bevrijding.

In Lith, als overal elders, was in 1795 een plaatselijke Burgersociëteit opgericht, die tot doel had, op te komen voor de rechten van het volk, in Lith, als vormende de meerderheid van het "Roonische volk". Einde 1795 werd de municipaliteit of het gemeente-bestuur verzocht “te mogen luyden voor en ten dienste van de Roomsche gemeente”; een ongehoord iets in de jaren van verdrukking. Op 4 Februari 1796 besloot de Lithse Municipaliteit aan het verzoek te voldoen, daar op de meeste plaatsen reeds gebruikelijk was geworden, dat de klok voor de beide godsdiensten gebruikt werd.

Het luiden der klokken op Zon- en Feestdagen zou worden geregeld en vastgesteld na overleg en ingewonnen advies van de Heeren geestelijken binnen deze gemeente. Zoo word overeengekomen, dat ‘s-Zondags, des voormiddags, het eerste geluid zou geschieden om 7 uur of wel kwart voor zeven. Het tweede om 8 uur en het derde om kwart voor negen met beide k1okken, De k1okken zouden ook geluid worden op de feestdagen, die door de beide religies gevierd werden, terwijl op de Heiligendagen, die door een van beide gezindheden gevierd werden, het luiden eveneens plaats zou hebben op dezelfde uren als op de gewone feestdagen door beiden gevierd.

Officieel sprak het decreet van 5 Augustus 1796 de “scheiding van Kerk en Staat" uit. Ook de Staatsregeling van 1798 plaatste zich niet meer op het standpunt van de Unie van Utrecht en de Munsterschen Vrede, ten aanzien van de Hervormde Kerk als Staatskerk. Wel word artikel 8 opgenomen: "De eerbiedige erkentenis van een albesturend Opperwezen versterkt de banden der Maatschappij en blijft iederen burger ten duurste aanbevolen".
Verder behelsden de artikelen 19 - 21 dezer Staatsregeling: "Elke Burger heeft vrijheid om God te dienen naar de overtuiging van zijn hart. De Maatschappij verleent, ten dezen opzichte, aan allen gelijke zekerheid en bescherming mits de openbare orde, door de wet gevestigd, door hunnen uiterlijken eerdienst nimmer gestoord worden".
"Geene burgerlijke voordeelen of nadeelen zijn aan de belijdenis van eenig Kerkelijk Leerstelsel gehegt".
Elke kerkgenootschap zorgt voor het onderhoud van zijnen Eerdienst, dezelfs bedienaren en gestigten.

In 1798 bedroeg het aantal Roomschen te Lith 989 zielen tegen 62 Hervormde inwoners.
Krachtens artikel 6 add. der Staatsregeling kregen de Katholieken in die plaatsen waar zij "de relatieve meerderheid van zielen zullen uitmaken" het recht om hun voormalige parochiekerken weer in bezit te nemen.
De Roomschen te Lith mochten dus de oude parochiekerk weer in gebruik nemen, “naasten" luidde de wetstem. Hiertegen verzetten zich de Hervormden.
Bij besluit van het Wetgevend Lichaam van het Bataafsche Republiek werd bepaald, dat het kerkgebouw met deszelfs lasten en baten, mitsgaders het orgel, de preekstoel, stoelen en banken zou overgaan aan het Roomschgezind kerkgenootschap.

Toen de Katholieken hun oude kerk in 1800 herkregen, bestond daarvan nog slechts het koor met het kruis en derhalve was dit gebouw voor de parochianen veel te k1ein, daar zij maar plaats bood aan ±100 zielen. De Katholieken gebruikten nog steeds hun schuurkerk, die bij Statenbesluit van 27 Augustus 1784 aan de voorzijde vergroot was en plaats bood aan ± 500 personen.
Aangezien de oude kerk voor de Katholieken te klein was, heeft dit kerkgebouw van 10 Juli 1800, toen de Hervormden het overgaven, ledig gestaan tot 20 Juli 1803, terwijl de Hervormden gedurende dien tijd niet over een geschikte plaats voor de uitoefening van hun godsdienst beschikten en gebruik maakten van een kamer in de woning van den predikant.

In 1803 waren de Hervormden genoodzaakt de oude kerk van de Katholieken te huren.

Den 6den Mei 1806 werd door het Hervormd kerkgenootschap van Lith, Lithoijen en Kessel van de gemeente voor f. 2000,-- aangekocht de pastoriewoning, hof en boomgaard, met welk bedrag deze woning bezwaard werd. De Hervormde gemeente had verder geen eigendommen.

Het Roomsch-Katholieke kerkgenootschap bezat de twee kerken, een pastorie en verder nog vele stukken land.

De Protestantsche gemeente bestond in 1810 uit 83 zielen te Lith, 26 te Lithoijen en 16 te Kessel.

In Juli 1808 klaagde de pastoor der Roomsche gemeente bij den schoutciviel, dat zowel bij het begin als bij het einde der godsdienstoefeningen “sterke attroupementen van menschen" zich voor de kerk ophielden en daardoor het betreden en verlaten der kerk belemmerden, terwijl ze door ongepaste uitdrukkingen "de aandacht van den waaren godsdienstvriend stoorden".
Hierop werd besloten en gepubliceerd, dat indien meer dan drie personen met elkander staan te praten bij de kerk, in den tijd van een kwartier vóór of na de Roomsche godsdienstoefening, verbeuren de betreffende personen een boete van drie gulden.

De raadkamer bevond zich nog steeds op dezelfde plaats n.l. annex de oude kerk. In 1808 was het noodzakelijk dat dit lokaal vergroot werd, daar het maar plaats bood aan acht personen en voor het plaatsen van kasten en kisten geen plaats bood. Voor verandering en reparatie werd een bedrag van f. 650,-- uitgetrokken.

Zijne Majesteit Koning Lodewijk Napoleon wist bij bezoek aan Lith op 23 Juli 1809 het kerkvraagstuk voor de Hervormden op te lossen. Bij besluit van Zijne Majesteit dd. 4 Mei 1809, no. 1, werd kennis gegeven, dat te Lith de parochiekerk, welke de Hervormden van de Roomsch-katholieken huurden, aan de Hervormde gemeente van Lith en Lithoijen overging, terwijl de Katholieken benevens een bedrag van f. 300,-" aan de Hervormden betaalden. De Katholieken ontvingen uit ‘s-Lands schatkist een bedrag van f. 1400,--. Het kerkhof en den kerktoren bleef het gemeentebestuur toebehoren.
Het Roomsch-Katholiek kerkbestuur werd door de gemeente hiervan in kennis gesteld en verzocht bij het passeren van het contract te dezer zaken bedacht te zijn, dat aan het gemeentebestuur door haar in het begin van dit jaar gratis was toegestaan om de raadkamer te vergrooten, ten koste van de plaats waar voorheen het orgel stond.

In Maart 1814 werd de Roomsche en Gereformeerde kerk eenige malen gevorderd voor het onderbrengen van Fransche krijgsgevangenen, die op doorreis waren.

De kerk der Katholieken was herhaaldelijk verbeterd en in 1832 werd er een torentje op geplaatst. Pastoor Kemps liet dit bedehuis in 1841 geheel vernieuwen, waartoe een Rijkssubsidie van f. 6000,-- werd verleend.
Het parochiehuis werd bij die gelegenheid tevens verbeterd.
Den 4den September 1843 heeft Joannes Zwijsen, bisschop van Gerra i.p.c. deze kerk plechtig aan den H. Lambertus toegewijd.

In verband met de ingebruikname van het nieuwe gemeentehuis in 1828 werd de oude raadkamer, belendende de Hervormde kerk, niet meer gebruikt.

Den 12den December 1828 verzocht de Hervormde gemeente om dit gemeentegebouw, tevens ook het brandspuithuis, wederom in behoorlijken staat te willen stellen. Ook de ingang van de oude raadkamer, welke tevens die der kerk was, behoorde in orde gebracht te worden.
Door het gemeentebestuur werd besloten het gebouw aan de Hervormde gemeente ter afbraak over te geven met toevoeging van f. 30,--. Hiermede ging de Hervormde gemeente akkoord. Zoodoende werd de oude raadskamer afgebroken en een nieuw portaal voor de kerk gebouwd.

In 1830 ontstond er een geschil tusschen de Hervormde gemeente en het gemeentebestuur omtrent het gebruik van de kuil onder den toren. Deze kuil had sedert onheugelijke tijden gediend tot vrije nederdaling van het gewicht van het uurwerk. De Hervormde gemeente wou de kuil voortaan als kalkkuil gebruiken. Dit had tot gevolg, dat de klok niet om de 24 uur, maar voortaan alle 18 uur opgetrokken behoorde te worden. Het geschil groeide uit tot een kwestie over den eigendom van den toren en het uurwerk.
Gedeputeerde Staten besliste op 25 Juni 1830, dat de kuil onder den toren, bestemd tot vrije nederdaling van het gewicht van het uurwerk, voortaan uitsluitend tot dat doel gebezigd mocht worden.
Bovendien bleef de gemeente in het bezit van den toren, welke voortaan behoorlijk onderhouden moest worden.

In de raadsvergadering van 6 Augustus 1836 deelde de burgemeester mede, dat het kruis van den gemeentetoren eenigszins scheef was gezakt en dat het bij storm of anderszins dreigde naar beneden te storten. Ter voorkoming van ongelukken en beschadiging van het kerkgebouw was het noodzakelijk de oorzaak van het scheef zakken te onderzoeken. Het bleek, dat het bovenste gedeelte van den makelaar, waaraan het kruis was vastgehecht, was verteerd. Tot herstelling werd besloten.

De oude gemeentetoren werd in 1858 afgebroken en vervangen door een kleine nieuwe, welke door B. Zuidhof te Oss was ontworpen.

In het begin van de 18e eeuw verklaarde men reeds, dat het kerkhof bij de Hervormde kerk sedert onheugelijke tijden tot kerkhof (bij de Hervormden) werd gebruikt.
De begraafplaats besloeg toen der tijd een veel grootere oppervlakte. Het geheele kerkplein en verder nog de grond, waarop thans de bijzondere school staat, moet daarvan deel hebben uitgemaakt.

Op 28 November 1810 besloot het gemeentebestuur het voetpad loopende midden over het kerkhof te doen sluiten en daardoor vrij komende grond eveneens als begraafplaats te gebruiken, daar het kerkhof over het algemeen te klein was.

In 1843 werd bij gelegenheid der vernieuwing van de R.K. Kerk, tevens een bijzondere begraafplaats nabij deze kerk, buiten de kom der gemeente, aangelegd, met een oppervlakte van 30 roeden. Hiertoe werd vergunning verleend 29 augustus 1843.
De oude burgerlijke begraafplaats had in 1855 nog een oppervlakte van 19 roeden.
De Hervormde gemeente verzocht op 8 juli 1869 om het door haar in gebruik zijnde gedeelte van de algemene begraafplaats te Lith, bekend onder de naam van "het Kleine Kerkhof" uitsluitend voor leden der hervormde gemeente te bestemmen. Het voorstel werd in overweging genomen. Het gemeentebestuur was voornemens om gezamenlijk met de gemeente Lithoijen een algemeen kerkhof aan te leggen.
OP 13 october 1871 besloot de gemeente Lith, evenals Lithoijen, na verkregen goedkeuring van Gedeputeerde Staten gezamenlijk een algemeene begraafplaats aan te leggen en wel in de gemeente Lithoijen op het westelijk gedeelte van het perceel Sectie A, nummer 982 (1171) ter grootte van 2 aren en 50 centiaren. Dit was een gedeelte van de R.K. begraafplaats van Lithoijen. Het perceelsgedeelte werd van de R.K. gemeente van Lithoijen gemeenschappelijk aangekocht.
In de kosten van aankoop werd door de gemeente Lith 4/5 gedeelte, zijnde f 200,-- en door Lithoijen de rest of f 50,-- betaald. De kosten werden zo verdeeld, omdat de gemeente Lithoijen van oudsher reeds het recht van begraven op dien grond bezat en mitsdien alleen den eigendom van den grond behoefde.
De kosten van onderhoud en afsluiting bracht naar billijkheid mede, dat deze door elke gemeente gedragen werd naar verhouding der bevolking van iedere gemeente.
Midden op het kerkhof der R.K. Gemeente van Lithoijen werd een lijkenhuisje gebouwd, hetwelk er thans nog staat.
De tot toen in gebruik zijnde algemeene begraafplaats bij de oude kerk werd onder protest der Hervormden gesloten verklaard. De Hervormden verlangden uitbreiding van hun begraafplaats door toevoeging van het algemeen kerkhof. Hun verzoek werd niet ingewilligd.

Op 12 September 1890 werd door de gemeenteraad besloten het gemeentetorentje te doen verven en de z.g. klokkekast te vernieuwen of te herstellen.

In die vergadering werd de vraag gesteld of er weer geluid zou worden met de klok in het gemeente-torentje. Er werd besloten bij eventueel rampen en ongelukken als b.v. brand te luiden.
Het R.K. Kerkbestuur van Lith was voornemens een nieuwe kerk te bouwen en wel op een voor dat doel uitgelezen terrein, waardoor de sierlijkheid van de gemeente zou worden bevorderd.
Daartoe was onmisbaar de beschikking over den openbaren weg, Sectie A, nr. 2174, voorkomende op den legger der openbare wegen onder no. 7. Het kerkbestuur verzocht daarom het gemeentebestuur om genoemd perceel in vollen en vrijen eigendom af te staan, in ruil tegen overdracht aan de gemeente van strooken grond op het Noord-Oostelijk gedeelte, over de geheele lengte der percelen A 2171, 2172, 2173 en 1839 en wel ter breedte van vier meter.

De gemeenteraad ging hiermede accoord op 27 september 1893.
Verder werd bij raadsbesluit van 18 februari 1898 aan het R.K. Kerkbestuur te Lith, voor den aankoop van het terrein voor de te bouwen kerk een subsidie verleend van f 2500,- in tienjaarlijkschen termijnen, elk f 250,-- en deze uitgaven te dekken door een geldleening.
Men wenschte de kerk te bouwen boven de tot toen bekende hoogste waterstanden. Om daarvoor in de kom der gemeente in het bezit te komen van een terrein moesten twee huizen met tuinen worden aangekocht. Door de R.K. parochie werden daartoe groote offers gebracht.

De gemeenteraad voelde zich toen gedrongen zijn belangstelling te doen blijken door genoemden financieelen steun.
Voor het regelen en onderhouden van een in den toren der R.K. Kerk te stellen nieuw uurwerk, verzocht het R.K. Kerkbestuur aan het gemeentebestuur een jaarlijksche vergoeding.
De gemeente had een oud en versleten uurwerk in de kerk der Hervormde gemeente, hetwelk haar jaarlijksch gemiddeld f 30,-- voor regeling en onderhoud kostte.
Verder zou het nieuwe uurwerk èn op zich zelf èn uit hoofde van zijn plaats veel beter aan de eischen voldoen en was dus doeltreffender. Bovendien kon de gemeente van de in den toren op de kerk der Hervormde gemeente hangende gemeenteklok, wegens den toestand van dit kerkgebouw geen gebruik meer maken.
Het R.K. Kerkbestuur was genegen aan de gemeente het recht te verlenen, tegen eene vergoeding van f 30,-- per jaar, bij zekere gelegenheden van een zijner klokken gebruik te maken, om daarmede te luiden. Derhalve werd op 13 februari 1903 door den gemeenteraad besloten aan de R.K. gemeente een jaarlijksche vergoeding van f 30,-- uit te keeren, voor het regelen en onderhouden van het te stellen nieuw uurwerk in den toren der R.K. kerk onder voorwaarde, dat het kerkbestuur bij feestelijke gelegenheden voor het Koninklijk Huis en bij brand of watersnood, na kennisgeving van het gemeentebestuur, met een der in den toren hangende klokken zal luiden.
Tot slot zij nog medegedeeld, dat ter plaatse waar zich de Kapelsche Wiel bevindt, eertijds een kapel stond. Ze werd soms St. Antonius-kapel genoemd, dan weer de kapel van O.L.V. en van Antonius.
Ze bezat weleer een beneficie met twee missen in de week, dat in 1570 door den Rector Wilhelmus Fijerens bezeten en door den pastoor Johannes Colff bediend werd. Ook deze kapel werd in den tijd der verwarring door heiligschennende handen misvormd, later wel hersteld en eindelijk door de onverbiddelijke vernielingszucht gesloopt.


GESCHIEDKUNDIGE BIJZONDERHEDEN BETREFFENDE DE VOORMALIGE GEMEENTE LITH
===========================================================================

De gemeente Lith was gelegen tusschen de Noordbrabantsche gemeenten Alem c.a., Nuland en Lithoijen enerzijds en de Geldersche gemeenten Heerewaarden, Dreumel en Appeltern anderzijds.
Haar grondgebied, bestaande uit lage kleigronden, besloeg een oppervlakte van 1083 HA. en werd door de Maas doorsneden.

Lith werd in 968 Lita, in 1145 Litta, in 1437 Lyt en in latere jaren Lythe genoemd.

In de 18e en 19e eeuw droeg het ook wel den naam van "Groot-Lith", ter onderscheiding van het naburige Lithoijen of "Klein-Lith".

Lith betekent, behalve gerechtshuis, weg of overtocht, in het Anglo-Saksisch: een schip; “litan varen”.

De bevolking telde in het jaar 1721: 675 inwoners. In 1795 was dit aantal gestegen tot 1019. In 1798 tot 1070, in 1820 tot 1210 en in 1840 tot 1324. In 1860 was het aantal inwoners weer gedaald tot 1204. Daarna steeg het weer geleidelijk en bereikte in 1910 1352 en in 1920 1570, terwijl het aantal inwoners op 1 januari 1938 1460 bedroeg. In 1811 stonden in Lith 225 huizen, in 1938 + 290.

De vraag, wanneer deze streken voor het eerst bewoond werden, is niet gemakkelijk te beantwoorden. Vooreerst omdat de oudste bewoners niet konden lezen en schrijven en ons bijgevolg geen geschreven berichten hebben nagelaten. Ook kwamen zij niet in aanraking met volken, die deze kunsten wel verstonden en over hen het een en ander hadden kunnen optekenen. Wat wij van hen weten, hebben wij te danken aan voorwerpen die zijn opgegraven.
Met zekerheid kan gezegd worden, dat zich te Lith en omgeving omstreeks 2000 vóór Christus reeds bewoners bevonden. Ook is men te weten gekomen, dat de Bataven in het Maasland hebben verbleven. In deze lage landen bouwden zij hun woningen op terpen of woerden.
In 1939 is zulk een terp te Herwen afgegraven, waarbij verschillende vondsten werden gedaan. Zulke terpen treft men in deze streek op verschillende plaatsen langs de Maas aan.
Het is bekend, dat de Romeinen in deze streken veel vee opkochten. Daaraan is waarschijnlijk toe te schrijven, dat hier zoveel Romeinse munten zijn gevonden, o.a. een van Constantijn de Grote, die thans wordt bewaard in het museum van het Provinciaal Genootschap te ‘s-Hertogenbosch.

Reeds in 968 stond Lith al bekend als een havenplaats, waar tol geheven werd, welke voor de Dordtsche schippers den tweeden April 1274 bepaald werd. De Staten maakten den 19 december 1659 een nieuw reglement op den tol, waaruit bleek, dat de steden Nijmegen, Tiel, Bommel, Grave, ‘s-Hertogenbosch en Maastricht tolvrij waren.

Den 10den November 1326 vergunt Hertog Jan van Brabant ten behoeve van de dorpen Oss, Lith, Lithoijen en Geffen een wetering te graven van den zeedijk tot Gewande, terwijl zijn voorganger Hertog Jan II in 1307 verklaard had, dat de ingezetenen van Lythe, Lythoijen en Herewaarden hun vonnis niet te Luik maar te ‘s-Hertogenbosch moesten halen. De Stadrekening ‘s-Hertogenbosch van 1507/7 spreekt van “den blockhuys dat op ten Hamme” te Lith "gemaect" en aan den Schout van Lith voor 60 Rijnsg. en 10 stuivers verkocht is.

Lith werd in 1504 door de Gelderschen verwoest. In 1524 lag er een bezetting op den Ham en in 1581 besloten de Bosschenaars daar een schans op te werpen. Niet ten onrechte verzochten de Littenaars het volgend jaar den 26sten Januari een sauvegarde, want den 12 den April 1564 werden de inwoners door de Bosschenaars gekweld en den 11den Januari 1584 werd het dorp geplunderd, niettegenstaande de plaats aan het Bisdom Luik behoorde, tijdens de Nederlandsche beroerten, neutraal. gehouden werd en hiervoor jaarlijksch aan de Staten f 100,-- betaalde. Niet ten onrechte beweert men, dat de heerlijkheid Lith in de 8ste eeuw aan Aper, vader van den H. Lambertus toebehoorde, en later ter boeting van den moord op den heiligen bisschop gepleegd, aan de cathedraal van Luik is geschonken.
De Hertog van Brabant maakte aanspraak op de souvereiniteit van het dorp en deswege werd er den 2den Augustus 1319 een overeenkomst gesloten tusschen den Hertog en het kapittel van den H. Lambertus te Luik. Maximiliaan en Maria verklaren echter den 10den Januari 1478, dat Lith aan de kathedraal van Luik geschonken, altoos vrij is geweest van contributie en militaire dienst, en bevelen alle officieren deze exemptie gedurende den oorlog met Gelder te eerbiedigen. Van genoemde exemptie was reeds den 17den augustus 1433 sprake, hoewel de soldaten van den Hertog in 1442 vele gewelddadigheden te Lith pleegden.
Niettegenstaande op 23 Januari 1632 de verwisseling van de heerlijkheid Lith met die van Herstal plaats had, behield het kapittel de souvereiniteit der heerlijkheid, die zelfs na 1648 door de Staten geëerbiedigd werd. Doch krachtens het tractaat van 18 Augustus 1671 tusschen de Staten van de Nederlanden en den Bisschop van Luik met den kapitteldeken werd de heerlijkheid Lith in ruil afgestaan tegen de heerlijkheid La Rochette en de advoyerie de notre Dame d'Aix (het Land van Fleran).

Behalve de reeds aangestipte rampen veroorzaakte het water groote schade o.a. in 1545 en 1608, toen de rivier den 25sten November tot boven aan de dijken steeg.

Den 5den februari 1609 brak den Kesselschen Dijk door en twee dagen later bezweek de dijk bij de Kerk van Lith omtrent den "brugh dijck", Welke groote verwoesting aanrichtte.
Rampen in latere jaren worden nog besproken.

Omstreeks het jaar 1700 was het bedelen binnen de heerlijkheid Lith verboden, terwijl ook het geven aan bedelaars strafbaar was gesteld. Met het houden van toezicht op de bedelaars was belast de "roy-roede", die telkens voor drie maanden werd aangesteld.  Hij was gerechtigd huizen te doorzoeken of er zich soms bedelaars in schuilhielden. Op 29 Augustus 1716 werd tot roy-roede benoemd Peter Leenders. De roy-roede kreeg al gauw den scheldnaam van “luysevanger”.
Om te voorkomen, dat hij met dezen scheldnaam werd nageroepen, werd verordend, dat iedereen, groot of klein (de ouders waren voor de kinderen aansprakelijk), die zich daaraan schuldig maakte, drie gulden
verbeurde. De roy-roede was gewapend met een snaphaan, degen, kruit en lood.

Den 8sten Juni 1717 word aan de blauwe sluis van politiewege gehaald Marten Jansen, bijgenaamd "de Baron" en in de raadkamer te Lith, welk lokaal deel uitmaakte van het kerkgebouw, gevangen gezet. Waaraan bedoeld persoon zich schuldig had gemaakt is niet bekend. Voor zijn veroordeling waren overgekomen een scherprechter en zijn knecht, drie ruiters, elf soldaten en dienaars, die gedurende drie dagen, n.l. 8, 9 en 10 juni te Lith verbleven. Marten Jansen, alias de Baron, werd ter dood veroordeeld en op 10 juni 1717 in deze gemeente door ophanging terechtgesteld. Het lijkt niet onwaarsehijnlijk, dat deze "Baron" een voorzaat is van den "Baron", die op het einde van de vorige eeuw in de Ossche misdadigers-bende een hoofdrol speelde en later naar Amerika is uitgeweken.

In verband met het feit, dat er razende honden rondliepen en dat de razernij al was overgegaan onder het rundvee, werd ter voorkoming van verdere ongelukken zoowel aan de mensch als aan het dier, op 1 juli 1723 door het gemeentebestuur bepaald, dat alle honden vastgelegd en alle varkens gekooid moesten worden. Alle honden en varkens, die na de in de publicatie vastgestelde tijd op straat zouden worden aangetroffen, mochten door den schutter of vorster worden doodgeschoten. Bovendien werden de eigenaren bij overtreding beboet met drie gulden. Een derde gedeelte van de boete was voor den officier. De rest kwam ten bate van de Arme en den aanbrenger.

Door een hevige hagelslag in het jaar 1737 werd alhier het grootste gedeelte der granen vernietigd, terwijl het overige gedeelte het maaien niet meer waard was.

In Juli 1746 werden van de gemeente Lith 20 karren met paard gevorderd om levensmiddelen en verder hooi, haver, enz. naar de geallieerde legers te ‘s-Hertogenbosch te brengen. Jan van Wouw, inwoner dezer gemeente, weigerde aan het verzoek te dier zake te voldoen en bleef daarbij. De gevolgen waren, dat de hem opgedragen dienst te zijner kosten werd aanbesteed en uitgevoerd, terwijl hij zelf met paard en kar naar ‘s-Hertogenbosch werd gebracht om behandeld te worden volgens de krijgsgebruiken.

Te Lith waren in 1750 twee bierbrouwerijen. De eene werd gedreven door Jacobus Hurwen en Wed. Bernardus van Linden. Deze brouwerij was opgericht ingevolge vergunning van 12 Juli 1731 verleend aan Philips à Lagarde, die de brouwerij in 1737 verkocht aan Jacobus Hurwen. Laatst genoemd persoon verplaatste de brouwerij binnen de gemeente.
De tweede brouwerij werd gedreven door Aart van Alem en Aart van Rosmalen. Zij werd opgericht den 26sten Augustus 1716.

In verband met de dijkdoorbraak in 1757 lezen we, dat te Lith in voorgaande tijden wel doorbraken in de Maasdijk zijn geweest, maar dat de laatste doorbraak reeds zoolang geleden was, dat er geen oude menschen gevonden werden, die zich nog een doorbraak konden herinneren. De doorbraak in 1757 was echter verschrikkelijk.
Het was op Donderdag den 10den Februari 1757 ± 2 uur toen het ijs in de rivier de Maas voorgoed in beweging kwam. en begon te kruien. ‘s-Avonds tegen 6 à 7 uur begon de Maas zeer sterk op te loopen, zelfs 1/½ voet per uur. Het gevolg was, dat de Maas in de opvolgende nacht omstreeks twee uur wel tien en mogelijk meer voeten was gerezen. De Maas en Waal geleek toen één rivier, terwijl de dijken in de gemeente op de meeste plaatsen wel anderhalve voet overliepen. Dit werd veroorzaakt door twee ijsdammen, waarvan een zich in de Waal omtrent Varik en de andere in de rivier de Maas bij Maaren of Alem had gezet. Dit had tot gevo1g, dat onder deze gemeente de dijk, gelegen tegen de Lithschen Ham, op vier plaatsen doorbrak.
De eerste doorbraak viel bij de eerste Hamhekke tegen de Hamgraft en had een lengte van 12 roeden, een diepte vanaf de kruin gerekend van 23 voet en een breedte van 5 roeden en 2 voet.
De tweede doorbraak was verder beneden de Hamkade, lang 6 roeden en 7 voet, diep 23 voet en breed 5 roeden en 2 voet.
De derde viel circa 25 roeden benedenwaarts met een lengte van 27 roeden en 6 voet, diep 23 voet, breed 6 roeden.
De vierde viel tegen het soldatenwiel (Kessel), lang 3 roeden en 10 voet, breed 5 roeden en 2 voet, diep 11 voet (Rijnlandsche Maat). Verder was de dijk zoodanig afgeslagen en geruïneerd, dat hij meer op een smalle kade leek dan op een dijk.
‘s-Morgens 11 Februari omtrent 4 á 5 uur begon het water buiten de dijken te zakken, doch binnendijks verhief hot water zich hand over hand, zoodanig dat de ingezetenen, die niet op den dijk woonden nauwelijks den tijd hadden deze te verlaten. Door Drossard en Schepenen werd order gegeven om alle kleine vaartuigen over den dijk naar binnen te slepen om de noodlijdenden te hulp te komen. Later bleek na nauwkeurig onderzoek, dat door het water circa 470.000 pond hooi was bedorven en wel zoodanig, dat het voor het vee niet meer gebruikt kon worden.
Door het water, als door het Waalijs, dat door de doorgebroken dijken heendrong en door de storm opgedreven, werden 55 huizen in de gemeente stukgeslagen en beschadigd. Bovendien waren 74 met winter-koren bezaaide mergen land door de overstrooming totaal verdronken. De dijken werden in 1757 weer hersteld, hetwelk de gemeente f 4740,- kostte.

Het boerenbedrijf werd in 1770 in Lith en omgeving weer ernstig getroffen. Ditmaal door een besmettelijke ziekte, welke onder het rundvee heerschte. Ten gevolge hiervan stierven te Lith 125 koeien, 15 drielingen, 69 hokkelingen en 75 kalveren. Bovendien waren door de ziekte aangetast nog 29 koeien, 7 drielingen, 19 hokkelingen en 9 kalveren, die echter weer herstelden. Verder was in den winter 1770 131 mergen winterkoren verdronken door den hoogen waterstand.

In vroegere eeuwen werd de gemeente Lith bestuurd door een Drossaard, zeven regenten en een secretaris. Zij maakten tevens de rechtbank van de heerlijkheid uit onder de namen van Drossaard, Schepenen en Griffier en het dijkbestuur onder de namen van Dijkgraaf, Heemraden en Dijkschrijver, terwijl de politie van den polder werd uitgeoefend door vier leden onder den naam van Burgemeesteren, welke den Drossaard aan het hoofd hadden en door den Secretaris in hunnen werkzaamheden geassisteerd werden.
De ambtenaren: Drossaard, Secretaris en Vorster werden aangesteld door het Domcapittel van Luik, als Heer van Lith, onder daaropvolgende approbatie van de Hoog Mogende Heeren en eedsaflegging voor den Raad van Brabant.
Op 3 december 1728 werden tot schepenen aangesteld: Nicolaas Nouhuijs (president), Jan Steenbakker, Peter van Ophuesden, Jan Paal, Walraven van Kessel, Dirk van der Hagen en Jan Geert Evers.

Mr. Cornelis Lambertus Ackerdijck bediende in deze gemeente sedert 16 Augustus 1757 het ambt van dorps-advocaat. Hij volgde zijn vader Willem Cornelis Ackerdijck na diens overlijden op. Op 14 Februari 1770 werd hem zijn commissie op zegel uitgereikt. Zijn jaarwedde bedroeg f 15,-per jaar.
Voor zijn mondelinge adviezen mocht hij niets meer declareren.

Bij besluit van Drossaard en Schepenen van 21 October 1769 werd tot
"nagtroeper" of "clapwaker" aangesteld Dielis van Dijck. Zijn reglement werd vastgesteld 28 November 1769. Hij was verplicht om het uur, gedurende den nacht, een rondgang door het dorp te maken. De te volgen route was voorgeschreven.

Gedurende het tijdvak 1 augustus tot den laatsten April waren zijn diensten van ‘s-avonds 10 uur tot ‘s-morgens 4 uur en van den 1sten Mei tot den laatsten Juli van ‘s-avonds 11 uur tot ‘s-morgens 3 uur. Bij het doen van zijn ronden had hij nauwkeurig toe te zien en te luisteren of er in de huizen soms brand was ontstaan. Werd door hem brand geconstateerd, dan was hij verplicht de bewoners en vervolgens de buren te k1oppen. Verder had hij te letten op dieverij, inbraak, geweld en andere verboden feiten.
Mocht iemand hem onbetamelijk bejegenen dan moest hij door spreken of slaan op de klep doen hooren, dat hij den nachtroeper was. De nachtroeper heeft dienst gedaan tot 4 november 1793 toen de, door het op 2 November 1793 vastgestelde "Wagtreglement voor de Heerlijkheid Groot-Lith" in leven geroepen nachtwacht in functie trad. De wacht kwam ‘s-avonds om tien uur en eindigde ‘s-morgens om 4 uur. Zij bestond uit een officier (een der Schepenen, den secretaris of een der vier regeerende burgemeesteren, ieder beurtelings) en acht rothgezellen. De rothmeester moest dagelijks vóór 1 uur, ieder uit hun roth (hoek) 2 man vorderen, om ‘s-avonds om 10 uur aan de raadkamer te verschijnen, behoorlijk gewapend met een gaffel, riek of schietgeweer. ieder der rothgezellen was verplicht des nachts het dorp geheel of gedeeltelijk rond te gaan zoo dikwijls en in dier voege als hun door den commandant der wacht werd bevolen.
De rothgezel, die dronken of onbekwaam op de wacht verscheen of zich des nachts aan drank te buiten ging, werd gehouden als niet verschenen te zijn en werd geldelijk beboet. Hij, die vloekte, raasde of tierde, verbeurde f 1,--. Alle geldelijke boeten kwamen ten bate van de wachthebbende manschappen.
Tijdens de rondgang door het dorp waren de rothgezellen verplicht nauwkeurig den weg te volgen, welke hen was aangegeven, de ronde stil en bedaard te doen en geen herbergen of particuliere huizen in te gaan Om drank te gebruiken, alles op straffe van geldboete.

leder huisgezin was verplicht één man te leveren zoodra de rothmeester de “pressing" (vordering) deed.

Jongelingen beneden de 16 jaar en mannen ouder dan 60 jaar werden niet geadmitteerd. Verder werd de eisch gesteld, dat de wachthebbenden moesten zijn gezond van lijf en leden. Van den wachtdienst waren enkel uitgezonderd de predikant en schoolmeester.
Indien de rothgezellen bij het doen der ronde iemand tegenkwamen, waren zij verplicht te roepen. "Wie daar?". Na antwoord verkregen te hebben, moesten zij kijken of zij den persoon of de personen kenden. Zo niet, dan waren zij gehouden betreffende personen naar de wachtplaats (raadkamer) op te brengen, alwaar de gearresteerde werd ondervraagd.
Mocht de wacht in een huis gevaar of gekijf constateren, dan was hij verplicht voor dat huis halt te houden en een van hen te sturen naar den wachtcommandant en daarvan kennis te geven en zijn antwoord daaromtrent af te wachten.

Vernam zij bij haar gang over ‘s-Heerenwegen ruzie of een gevecht tusschen twee of meer personen, dan was zij verplicht de vechtersbazen aanstonds te scheiden en ieder naar huis te geleiden.  Bij verzet werden ze opgebracht.

Ten gevolge van de toenemende inbraken en diefstallen werd op 5 Februari 1796 besloten in de nachtwacht voorloopig veertien manschappen dienst te laten doen en wel 5 uit het roth Engwijk en uit elk der rotten Dijk, Varkensmarkt en Heuvelwijk 3.

Op 5 Maart 1793 werd door den Gouverneur der vesting ‘s-Hertogenbosch uit de gemeente Lith gevorderd een dertigtal personen, om ten dienste van het land te werken aan de vestingwerken te Creveceur. Het dagloon zou bedragen 12 stuiver, terwijl zij de vrijheid hadden om ‘s-avonds in de omliggende gemeenten te gaan slapen. Toen de inwoners van Lith de vordering vernamen, brak er een oproerige beweging uit. De gevorderde personen moesten op 8 Maart 1793 om 8 uur met schop, spade of bijl aan de raadkamer verzamelen, hetwelk door den vorster was aangezegd.
In verband met de oproerige beweging werd met klokkeslag een publicatie afgekondigd, waarin het gemeentebestuur met verontwaardiging sprak over de oproerbewegingen en waarschuwde de bevolking voor de gevolgen welke zulks zou hebben, speciaal die personen, die zich lieten gebruiken om met een hoorn, trom of dergelijk instrument de samenscholingen bevorderden of daartoe aanleiding gaven.
De drossaard Johan Eliza Vrij en Francois van der Borght, schepen, boden zich vrijwillig aan om de gevorderden te begeleiden naar Creveceur. De bevolking berustte verder in de omstandigheden en de gevorderde personen vertrokken op 8 Maart 1793 om 12 uur.
Door deze gebeurtenissen was de bevolking zoo getroffen, dat in de vergadering der schepenen van 9 Maart 1793 werd besloten om binnen de heerlijkheid Lith bedestonden te houden en wel gedurende veertien dagen, te beginnen op Woensdag 13 maart 1793 ‘s-morgens van 11 tot 12 uur, tot 27 Maart d.a.v. Gedurende deze uren waren alle "heeringen en hanteeringen" verboden.
Op 11 Maart 1793, ‘s-morgens om half tien, vertrokken weer 26 gevorderden naar het fort Creveceur.

Hoe ernstig de tijdsomstandigheden werden aangevoeld blijkt uit het feit, dat door de Staten-Generaal een "extra-ordinaire” dank-, vasten bededag werd voorgeschreven, te houden op Zondag, 17 Augustus 1794 met voorafgaande klokkeslag werd staande de vergadering der schepenen op 15 Augustus 1794 dit door den secretaris aan de bevolking voorgelezen. Op dien dag was het tappen, balslaan en dergelijke bezigheden verboden tot des namiddags 5 uur.
Ook werd in verband met den toestand in de vergadering der schepenen van 28 Augustus 1794 besloten om dat jaar geen kermis te houden en bovendien werd het beugelen en andere bezigheden in of bij herbergen op Zon- en Feestdagen tot des namiddags 4 uur verboden, om de uitoefening van de openbare godsdienst niet te hinderen.
In Augustus 1794 werden uit de gemeente Lith vele karren, paarden, met bijbehoorende personen gevorderd om te rijden voor de te Oss gelegen Hannoversche troepen.

Bij de nadering der Fransche troepen op 21 September 1794 verliet de drossaard Johan Eliza de Vrij zijn post, in een tijd dus, waarin hij zeer zeker ambtshalve verplicht was de gemeente bij te staan. Voor de waarneming had hij ook geen zorg gedragen. Geruimen tijd later n.l. op 21 Januari 1795 keerde hij pas terug. Eenige maanden later, den 20sten October 1795, werd hij als civiele-gijzelaar weggevoerd en gevangen gehouden op de Gevangenen-poorte te ‘s-Hertogenbosch.
Door het Hof van Justitie werd hij op 15 April 1797 ontslagen. Volgens overgelegd vonnis had zijn anderhalfjarige gijzeling gediend tot correctie. J. de Goey was gedurende zijn afwezigheid waarnemend officier en drossaard geweest. Drossaard de Vrij kon zijn werkzaamheden weer hervatten.

Gedurende het verblijf der Fransche troepen te Lith in 1794-1795 werd door hen gevorderd 638745 pond hooi, 95572 pond stroo, 606 zakken haver, 93 beesten en 840 pond brood. Deze requisities veroorzaakten groote schade daar ze door de Franschen in oninbare assignaten werden vergoed.
Aan plundering maakten zich blijkbaar toch niet alle Fransche troepen schuldig, want bij het vertrek van troepen op 31 October 1796 werd door de municipaliteit het navolgende declaratoir uitgereikt.
"De municipaliteit van Lith, Quartier van Maasland, Meierije van
“’s-Hertogenbosch, verklaart, dat de twee compagniën van het derde ba-
“taljon van de tweede halve brigade, alhier sinds 14 dagen gecanton-
“neerd en gecommandeerd geweest door kapitein Engelen en andere offi-
“cieren, zich in alle opzichten loffelijk gedurende hun verblijf heb-
“ben gedragen en ieder uiterst met ons content is geweest over de
“goede discipline, welke bij deze troepen heerschte".

De gemeente Lith was reeds voor de komst der Fransche troepen bezwaard met een schuld van ruim f 12000,--, veroorzaakt door vernieuwingen en reparatiën aan kribben in de rivier de Maas, tot ontzetting der Maasdijken gelegd.
Hierop volgde het toneel van den oorlog, waarvan de gemeente gevoelig heeft geleden en een inkwartiering van 19 weken heeft moeten doorstaan, doordat de rivier de Maas, langs welke de gemeente gelegen is, de linie tusschen de Fransche en Geallieerde troepen is geweest. De requisitiën in dien tijd gedaan beliepen een bedrag van f 17.000,---

Nauwelijks was men van de voortduring der requisitiën en inkwartieringen eenigermate bevrijd of daar volgde de noodlottige watervloed van Februari 1795, waardoor de gemeente bizonder getroffen werd en onberekenbare schade werd toegebracht.
Vijf zware en diepe doorbraken werden door den geweldigen aandrang van het water in den Hamdijk gespoeld. De doorbraken volgden elkander zoo spoedig op, dat menschen en vee bijna geen tijd hadden om hooger te vluchten. Vele huizen werden door den aandrang van het water weggespoeld of stortten in. Alle huizen beneden aan den dijk gelegen, werden 4 à 5 voet onder water gezet. Alle voorradige levensmiddelen, veevoeder en ongedorschte granen bedierven of werden onbruikbaar.

De gemeente beschikte niet over voldoende geld om de herstellingen te verrichten. Derhalve werd hiervoor een bedrag van 12 à 14 duizend gulden aangevraagd.
Den 12den September 1795 werd de herstelling van de doorbraken door den Hamdijk publiek aanbesteed. De laagste inschrijving bedroeg f 21794,--. De gemeente was verplicht de gunning aan te houden, daar de gemeente niet in staat was zoodanig kapitaal ten hare laste te nemen. De herstellingen zijn toen gedeeltelijk uitgevoerd voor f 11520,--. Door de schaarste aan geld kon de gemeente niet slagen om de noodige penningen te negoteeren. De verschuldigde bedragen konden derhalve aan de aannemers niet geheel worden voldaan. De inwoners, die toch al gebukt gingen onder de zwaarste lasten, konden niet verder bezwaard worden.
De gemeente was dus met een enorme schuld belast.
In de vergadering der schepenen van 10 November 1795 werd besloten tot
een bekendmaking, waaruit het volgende gedeelte werd aangehaald:
"De municipaliteit dezer gemeente, ontwaar geworden zijnde, aangezien
"den kommervollen staat dezer gemeente, de duurte der levensmiddelen
"en den te vreesene hongersnood, dat men zig alhier niet ontziet, om
“op Zon- en andere Feestdagen in de herbergen de fiool te roeren, het
“slaan met den bal in de beugelbanen onder de kerkdiensten uit te
“oefenen en het speelen met dobbelsteenen voor zwaar geld, ontijdig
“aldaar met zuipen en zwelgen verkwisten tot geen gering verdriet van
“ouders, voogden en goede ingezetenen, op daagen aan het Opperwesen
“toegeweit, en in een tijd, dat men stil en voorbeeldig behoorde te
“zijn en wel met groote reden, inzonder binnen deze gemeente, die
“eensdeels door de troebels, veelvuldige requisitiën, langdurige en
“aanhoudende inkwartieringen, ten andere door de noodlottige water-
“vloed in Februari jongstleden en daardoor bijna onherstelbare rampen
"veroorzaakte, dat deze gemeente zig in diepe en zwaare schulden ge-
“dompeld vind".

De gemeente Lith was er inderdaad erg aan toe. De secretaris Mr. Dirk Luykx van Breugel hield in de vergadering der schepenen van 7 Januari 1797 de volgende toespraak:
“Medeburgers,
"Heeft de droevige ondervinding ons geleert, dat in eene afgeloopene
“reeks van jaaren ons weleer van alles overvloeiend gezegend vaderland
"door duizenderlij onheilen geschut, geschokt, beroert, geteistert, is
“geworden, ja als ‘t waare nog op een ONSTUIMIGE en ONVEILIGE zee dob-
“bert, onzeker waar te landen en een veilige ree' te vinden".
"De aanvang van dit begonnen jaar doet mij niet minder herinneren wat
"de bewoonden deezer plaats zints de drie jongleedene jaaren gezien,
“gehoort en ondervonden, jaa hoe Gods tuchtigen hand ons alhier meer
“dan ergens gekastijd heeft".
"Het is immers eene waarheid, dat wij reeds voor den oorlog door hooge
“watervIoeden merkelijk nadeel geleden hebben aan dijken, cribben en
"dammen, en wierd het rundvee te dien tijde gunstig gespaart door eene
“verderfelijke ziekte en sterfte, welke tans in veele oorden wederom
"woedt, de ijverige landman zag des niet te min zijn graan te velden,
"door het alles vernielende ongedierte verslinden. Wierden wij kort
"daarop door een woedende oorlog overvallen, welke deeze geheele land-
“streek, sober van zig zelven, bijna tot zijn ondergang gebracht
“heeft”.
"Het smertelijk gevoel van den hardsten en nijpende winter tusschen
"1794 en 1795 vermeenigvuldigde niet weinig de armoede en ellende van
“een aantal menschen, welke gedurende 19 weeken het verblijf en door
"togt van het grootste gedeelte der Noordelijke Armee van de Fransche
"Republiek met ons alhier hadden moeten uit en doorstaan; dan dit al-
"les was nog niet genoeg, een verschrikkelijke watervloed in Februari
“1795 aangestuuwt door eenen fellen wind, verslond onze dijken en vijf
"aanmerkelijke doorbraken, juist alle in den gemeentens Hamdijk ver-
"oorzaakten eenen watervloed, waarvan den oudsten mensch in deeze ge-
"meente geen geheugen had. Gods hand was eghter te dier tijde nog
“zigtbaar over ons ten goede, want daar de vernielende wateren den on-
“dergang deezer plaats bedreigden, verloor eghter geen mensch, geen
“vee, daarbij het leeven, dan de nooddrift voor beide was groot en
“steeg ten top".
"Hebben wij sints dien tijd nog in den oorlog moeten blijven voortlee-
“ven en den beminlijken vreede niet mogen zien herbooren worden, maar
"door eene aanmerkelijke duurte van levensmiddelen is veroorzaakt? Wij
"zijn ook booven veele andere niet voor verdere oordeelen gespaart ge-
“worden. Aanhoudende plaagen en straffen hebben dit bevestigd. ‘t Is
“waar onze doorgebrokene dijken, wierden opgemaakt en hersteld, maar
“op eene wijze dat het discrediet deeze gemeente buyten staat stelde
“om de geloofde aanneempenningen te kunnen voldoen, en men zich op het
“totaal bederf deezer gemeente voor te koomen, in de onaangenaame
“noodzakelijkheid gebragt zag om brieven van atterminatie en respijt
“te verzoeken, die men obtineerde; dat wat baatede dit alles ons? Die
“zelfde herstelde dijken moesten weder voor een gedeelte zwichten voor
“het geweld des waters”.
“De blijde maar droevig voor deze gemeente ontlookene Kersdag van het
“afgeloopene jaar 1796 kondigde door het luyen der noodk1ok immers ons
“een verzinking aan van eene der opgemaakte gemeentens Hamdijk. Men
“stelde zoveel de omstandigheid des tijds toelieten, alles te werk wat
“moogelijk was. Hoewel het wenschelijker waare geweest, dat men eerder
“begonnen waaren, maar niets konde, niets mogt helpen. In den opvol-
“genden nagt bezweek den dijk en een tweede watervloed overstroomde de
“geheele gemeente en ruim drie vierde van de huyzen. Er waaren bijna
“geen bewoners of zij ondervonden in dezen droevigen wintertijd de
“schadens aan hunne huyzen en alle noodwendigheden des leevens voor
“menschen en vee. Zie daar dan deeze gemeente in den uitersten armoede
“en ellende gedompeld en tevens eene schuld gebragt, die buyten de
“schaadens van den jongsten watervloed bereekend en ‘t geen aan crib-
“bens zal te herstellen zijn ruim f 5000,-- zal beloopen".
“Waar medeburgers zullen wij beginnen? Waar willen wij voortgaan of
“eindligen om het noodige redres in deeze te vinden? De inkomsten der-
“zelver zijn in verre na niet toereikende om een k1ein gedeelte daar-
“van te kunnen opbrengen. Beschouwen wij de neering en hanteering van
“het grootste gedeelte der inwoners, jaa ik durve ruim bekennen bere-
“kenen, van drie vierde derzelver, dan zijn wij immers bij ons zelve
“overtuigd, dat niet alleen eene buitengewoone geldheffing kan gedaan
“worden, maar dat het voormelde aantal zelfs niet in staat is haare
“veragterde lasten te kunnen opbrengen of beswaart te worden zelfs met
“die welke zij te vooren opbragten. Wat is dan onze pligt in deeze an-
“ders dan om alles te beproeven wat mogelijk is tot onderstand der ge-
“meente. Tot dat einde herhale ik bij deeze mijn voorstel reeds in
“April 1795 ter U lieden van der vergadering mondeling gedaan en
“schoon toen geaccepteerd, egter ik weet niet om welke redenen niet
“ter executie gebragt, om eene commissie te benoemen uit de regeering
“deezer plaats ten einde zig te begeeven in deze en geene provincie,
“steeds en plaatsen van ons vaderland om den hoogen nood, waarin deeze
“gemeente en derzelver inwooners zig bevinden aan ieder plaatselijk
“bestuur kenbaar te maken en van dezelve te verzoeken om te Mogen be-
“proeven of in zoodanige steeds of plaats medelijdende harten gevonden
“mogten worden, welke iets van hunne overvloed, ter ondersteuning van
“eene gemeente die bijna onherstelbaar is, te missen te hebben. Moge-
“Iijk en niet zonder grond werd mij geobjiceerd, dat in deeze tijd een
“ieder helaas in zijn provincie, in zijn stad en dorp, zooveel heeft
“op te brengen, dat niets van zijn overvloed zal te missen hebben. Ik
“beken dat gaarne, maar daar er bijna geen natie Meer dan de onze voor
“medelijdend bekend staat, durve ik mij te vleyen, dat wanneer de
“zaaken naar waarheid worden opgelegd, man hier en daar meedelijdende
“harten zal aantreffen en hoe gering dan ook bij het einde alles zoude
“mogen zijn, is alles nog gevonden".
“Hoe dankbaar zijn de inwoonders van het land van Heusden niet voor de
“liefderijke hulp en bijstand in den watersnood van ‘t voorjaar 1795
“hun bewezen door meedelijdende bewoonders van Holland".
“Ten tweede zoude ik U lieden voorslaan, om zonder verwijl in de cou-
“ranten melding te doen maken van den laatsten doorbraak en ‘t geen te
“vooren deeze gemeente in zulk een ongelukkige staat gebragt heeft ten
“einde een ieders meedelijdend hart zooveel te eerder en meerder te
“overtuigen van den grooten nood. En ten derden daar mij reeds te voo-
“ren zooveele requesten en adressen aan de Hoogste geconstitueerde Magt
“deezer provincie over den toestand deezer gemeente gemaakt hebben,
“proponeere ik U lieden om ras doenlijk aan voornoemde Hoogstgecon-
“stitueerde Magt de verdere onheilen deeze gemeente overkoomen, niet
“alleen mede te deelen, maar te verzoeken zoodanige voorzieningen met
“opzicht tot de dijken".
“Eindelijk zoo dit alles U lieden nog niet genoegzaam toeschijnt,
“stelle ik voor, om aan de Nationale Vergadering in ‘s-Hage een be-
“hoorlijk request met opgave van den waare toestand deezer plaats te
“praesenteren, ten einde door het gemeene land, indien mogelijk, in
“den nood deezer gemeente voorzien worde.”

In October 1797 kreeg de gemeente van den Hoog- en Laagschout van ‘s-Hertogenbosch de last om de in 1797 doorgebroken dijk te herstellen en de werkzaamheden binnen 8 dagen aan te vangen. Hiertegen werd geprotesteerd, daar de gemeente finantieel daartoe in de onmogelijkheid verkeerde.
Op den 14den November 1797 verscheen de Hoog-schout, geëscorteerd door een detachement dragonders te paard, bestaande uit een wachtmeester en 12 man, binnen de gemeente om den doorbraak te schouwen. Zij namen hun intrek ten huize van Piet Jan van Heck, kastelein in de herberg "De Zwaan” op den dijk.
Den 20sten November d.a.v. volgde de aanbesteding. Eerst bij inschrijving. Daar echter niemand inschreef, later bij opbod. De gunning bleef echter uit, daar de gemeente van oordeel was de kosten van F 50000,- niet te kunnen dragen en het seizoen tot herstelling van den doorbraak verlopen was.

Zoals we reeds zagen, werd de gemeente Lith vóór de invasie der Franschen in 1794 bestuurd door den Drossaard, zeven Regenten en een Secretaris, die tevens de rechtbank en het dijkbestuur der heerlijkheid vormden.
Na de invasie der Franschen werd wel eenige verandering in het personeel van het gemeentebestuur gemaakt, doch de attributen en werkzaamheden, die aan de rechtbank en het dijkbestuur respectievelijk verbonden waren, werden tevens door het gemeentebestuur, als vervangende de voormalige regenten, gehandhaafd en uitgeoefend, terwijl het College van Drossard, Burgemeesteren en secretaris afzonderlijk, als voorheen, bleef bestaan.
In één woord: In ‘t wezen der zaak werd niets veranderd.

Het intermediair administratief bestuur van het voormalig gewest van Bataafsch Braband, gecommiteerd door de leden: de burgers Scepkens en Leenaarts, begaf zich op 22 Maart 1798 naar Lith, om naar de intentie van het Uitvoerend Bewind de municipaliteit en haar ministers te reorganiseeren.
Den drossaard en den secretaris werden gelast tot nadere voorziening hun bedieningen te blijven continueeren. De municipaliteit werd ontslagen.
Vervolgens werd door de commissie aan den vorster bevolen de volgende personen te citeeren om oogenblikkelijk ter vergadering te komen, te Weten: L.A. Bokstart, N. van Sonsbeek, G. van Maaren, Fr. Ulijn, B. de Kadt, P.J.G. de Bijl en Lamb. van Teeffelen, welke personen direct zijn verschenen.
Door de commissie werd medegedeeld, dat zij tot leden van de municipaliteit der gemeente waren aangesteld en werd hen afgevraagd of zij hiertegen eenige bedenking hadden. Deze vraag werd door allen met "neen" beantwoord.

De burger Scepkens las daarna een verklaring voor, behelzende een onveranderlijke afkeer van het stadhouderschap, de aristocratie, feoderalisme en regeeringsloosheid. Deze verklaring werd door alle leden afgelegd en onderteekend.

Op 30 April 1798 werden alle ambtenaren en bedienden, uitgezonderd de secretaris, uit hun ambt ontzet, n.l. de fungeerende burgemeesteren: D. van Heck, M. van Nahuys, K.G. van Maaren en G. van Grinsven; de kerkmeesters: A. van Berghem en A. Husen; de armmeesters: A. Keselaars en L.C. Pompen; de vorster: A. Akkerman; de dorpsbode: Jan Lucas van Boekel; de Schutter: A. Boogaerts; en de dorpsdienaar: Evert Luresk.

In hun plaats werden benoemd "bekwame en waardige vaderlanders", n.l. tot burgemeesteren: Peter van de Bijl, W.C. Pompen, W. Kling en N. van Baares; tot kerkmeesters: A. van Kessel en N. van Alem; tot armmeesters: F.H. van den Boogaard en A. van Uden; tot vorster: Roelof Pieter van Heck; tot dorpsbode: Jan Lucas van Boekel; tot schutter: A. Boogaarts en tot dorpsdienaar: Evert Luresk.
De benoemden legden de volgende verklaring af: "Ik verklaare te hebben eenen onveranderlijken afkeer tegen het stadhouderschap, de aristocratie, de regeeringsloosheid en het feoderalisme".

In verband met het feit, dat het ontwerp van de Staatsregeling door het Bataafsche volk was aangenomen, werd op 19 Mei 1798 door geheel het Bataafsche volk gefeest.
De municipaliteit van Lith maakte dienaangaande bekend, dat op dien dag ‘s-morgens van 8 tot 9, ‘s-middags van 12 tot 1 en van 4 tot 5 uur de klokken zouden luiden.
De municipaliteit en de gemeenteambtenaren kwamen ‘s-morgens om 8 uur ter raadkamer bijeen, terwijl de schutterij St. Joris en de beide andere gilden der gemeente, met deekens, veenjonkers en tamboers, op den zelfden tijd ter raadkamer verschenen.
Vandaar trok het ambtenarencorps en de gilden met de nationale vlag naar het Moleneinde en verder door de voornaamste buurten en keerde daarna weer naar hun verzamelplaats terug. De vlag was op den toren gestoken en gedurende de optocht luidden de klokken.

Vervolgens sprak de president de vergadering op plechtige wijze toe en bood de gilden een ton bier vanwege de gemeente aan, ten einde zich met alle overige ingezetenen, welke daarvan gebruik wenschten te maken, om zich op deezen belangrijken dag met gepaste vroolijkheid daarvan te verlustigen. De finantieele toestand van de gemeente liet niet toe verdere onkosten te maken.

Op 16 Augustus 1798 werd de secretaris Dirk Luykx van Breugel weer in vasten dienst genomen, wegens gebleken goed gedrag, kunde, eerlijkheid en patriotische ijver, na de meergenoemde verklaring te hebben afgelegd.

In Februari 1799 had de gemeente weer te lijden door den watersnood. Hierdoor werden twee huizen weggespoeld. Eén van de Groote Arme, nabij het Kerkhof en één van Antony Smits, nabij de Kesselsche Graaf.

Op 22 April 1799 werd de burgeresse Cilia Schenk, voordien vroedvrouw te Oss, tot vroedvrouw van Lith en Lithoijen aangesteld, op een jaarwedde van f. 125,--, waarvan f. 85,-- kwam ten laste van Lith en f 40,-- ten laste van Lithoijen. Zij moet te Lith wonen en genoot daar vrije woning.

In verband met den critieken toestand waarin het vaderland zich bevond, maakte het gemeentebestuur op 14 September 1799 bekend, dat het des Zondags van de aanstaande kermisdagen verboden zou zijn op publieke wegen of in herbergen op de fiool of op andere instrumenten te spelen. Verder was het verboden met messen, bij1en of dergelijke voorwerpen koek te hakken. Wel mocht er koek geslagen worden, maar zulks niet voordat de kerkelijke diensten geéindigd waren. Het sluitingsuur van de herbergen werd op 10 uur bepaald.
Gedurende de laatste dagen van het jaar 1799 vonden te Lith oproerige bewegingen plaats, terwijl ruiten en deuren werden ingeslagen. Geweigerd werd om het lijk van Alegonda Bokken te begraven en in verband daarmee vond een moordaanslag plaats door Gijs van den Berg, bijgenaamd "Gijs Knip" op Lambertus van Balgooyen. Bovendien werd een zoon van den dorpsdiender zwaar mishandeld.
Ten einde de gestoorde rust te komen herstellen, trok op 6 Januari 1800 met slaande trom een detachement van 20 infanteristen, één officier en twee dragonders te paard, de gemeente binnen. De troepen werden vooral ingekwartierd bij personen, die de ongeregeldheden hadden aangewakkerd.

De troepen vertrokken weer op 17 Januari 1800, zoowel uit hoofde van een te vreezen watervloed, als omdat de municipaliteit alle redenen had te vertrouwen, dat de publieke rust niet verder zou worden verstoord.

Uit dezen tijd zijn nog de volgende bijzonderheden te vermelden.

Op den 11den Januari 1796 werd bekend gemaakt, dat volgens geruchten zich een dol varken in de omgeving van Lith ophield. In verband hiermede werd verboden, dat tot nader order geen varkens los door het dorp mochten loopen.

Tengevolge van de aanhoudende droogte was de municipaliteit van Lith in zijn vergadering van 22 Augustus 1796 genoodzaakt alle maatregelen te nemen, ten einde zooveel mogelijk ongelukken van brand te voorkomen. Zoo werd bepaald, dat aan ieder huis een emmer met water en een ladder moest geplaatst zijn, zulks tot tijd en wijlen bij klokkeslag zal worden opgezegd. Bovendien mocht niemand zich met een pijp, zonder behoorlijk dopje, op ‘s-Heerenwegen vertoonen. Alles op straffe van geldboete.

In de nacht of morgenstond van den 5den October 1796 word een bruin paard, grazende in de weide aan den Ham en toebehoorende aan den burger J. de Raad, door een of meer kwaadaardige personen, een zeer gevaarlijke steek, waarschijnlijk met een mes, ter lengte van circa zes duim, tusschen de twee voorpooten nabij het hart toegebracht. De municipaliteit loofde een premie van 10 gouden ducaten of wel de waarde daarvan in Hollandsch geld te betalen uit aan degene, die met voldoende bewijzen den dader of daders zou kunnen opsporen, terwijl de namen der aanbrengers zouden worden gesecreteerd.

OP 13 blaart 1797 werd Lucas van Boekel tot dorpsbode aangesteld. Hij was verplicht twee maal per week en wel bepaaldelijk op Dinsdag en Zaterdag van hier naar ‘s-Hertogenbosch te vertrekken, te voet of te paard, maar niet met paard en kar. Hij had den zorg te dragen, dat hij ‘s-morgens tijdig in de stad was voor de brieven te bestellen en moest ‘s-avonds weer vroegtijdig in Lith teruggekeerd zijn. Hij moest dus alle brieven en boodschappen van de gemeente Lith meenemen, bestellen en bezorgen en ook alles wat uit de stad voor de gemeente hem ter hand werd gesteld, indien het redelijk draagbaar was. Zijn aanstelling geschiedde telkens voor zes weken.

Den 31sten Mei 1797 werd L.A. Bokstart, met ingang van 1 Juni, als medisch doctor voor een jaar aangesteld, om armen en behoeftigen te bedienen. Zijn tractement bedroeg daarvoor f. 45,-.

Bij besluit van het Departementaal Bestuur van Braband dd. 3 Februari 1803 werd een District- en Gemeente-reglement ingevoerd, voor het Kwartier Maasland ontworpen en vervolgens bij besluit van 7 April 1803 ingevoerd. Ingevolge deze resolutie werd ook het gemeentebestuur van Lith ontbonden, onder erkentenis voor den ijver en de trouw in het waarnemen der aan hun opgedragen politieke en rechterlijke bedieningen. Op 18 April 1803 werden de nieuw-benoemde leden: L.A. Bokstart, B. de Kadt, B. Pijl, A. van Berchem, A. Reuser, N. van Alem, H. van den Boogaard en D. Blankers ter vergadering geroepen en verklaarden bereid te zijn hun post te aanvaarden. Zij werden geinstalleerd en beëdigd. Zij begonnen hun werkzaamheden door L.A. Bokstart tot president en B. Pijl tot vice-president te verkiezen. Verder werd bepaald, dat al hetgeen vroeger door de regenten was bestuurd geworden, onder toezicht van het gemeentebestuur kwam en dat ook de burgemeesteren en gezworenen door het gemeentebestuur vervangen werden, ingevolge artikel 27. Verder bepaalde artikel 28, dat in de gemeente waar de Dijk- en Polderzaken tevoren mede door regenten geadministreerd werden, het gemeentebestuur dezelfde macht en bevoegdheid behield om daaromtrent alles uit te oefenen en in het werk te stellen, zooals de reglementen, ordonnantiën en oude usanciën medebrachten, tot tijd en wijlen een nadere wet dienaangaande zou zijn gearresteerd.

De administratie van de Dijk- en Polderzaken ging dus, bij introductie van het Reglement zonder eenige beperking aan het gemeentebestuur opgelegd en geheven.

In Januari 1807 werd de stad Leiden door het springen van een schip met buskruit ernstig getroffen. De gemeente Lith wou in de schade door deze ramp veroorzaakt, ten behoeve van de ongelukkige slachtoffers bijdragen. Derhalve werd van zondag, 1 Februari 1807 tot den 14den Februari d.a.v. ter secretarie een inschrijfregister neergelegd, ten einde ieder de gelegenheid te geven in te teekenen voor een zekere som geld, verder werd door een commissie uit het bestuur der gemeente, bestaande uit 2 schepenen, den secretaris en gerigtsbode, op Dinsdag, 3 Februari met gesloten bus aan de huizen der inwoners voor hetzelfde doel een inzameling gehouden. Het gemeentebestuur vertrouwde, dat het onnoodig zou zijn ieder weldenkend inwoner ten deze zijn duurzame verplichting onder het oog te moeten brengen.

Door Zijne Majesteit den Koning werden op 20 Juli 1808 twee personen naar Lith gezonden, ten einde te informeeren naar de hier heerschende ziekte en ontstane sterfte onder het rundvee. De ziekte was in het nabij gelegen Dreumel een "wezenlijke veepest". Mocht een ziekelijk beest ontdekt worden in de weiden, dan moest na raadpleging van een keurmeester, het dier direct worden doodgeschoten en zoo diep mogelijk worden begraven. Het totale aantal rundvee, zoowel jong als oud, dat in de jaren 1803, 1804 en 1805 in de gemeente Lith aanwezig was, bedroeg in 1803 226, in 1804 207 en in 1805 223.

In 1809 werd de gemeente weer door een watersnood getroffen. Bij den storm, ijsgang en watervloed in den nacht van 30 op 31 Januari onderscheidden zich bijzonder ten eerste: Cornelis de Bijl en Leendert Verbrug en op de tweede plaats: Lambert de Bijl, Marsel Hoedemaker, Antonie de Haan en Gijs van Os. Aan deze personen had Willem Rut van Kessel, zijn vrouw, twee kinderen en twee naburen, wonende aan het Moleneinde, hun redding te danken. Bij deze watersnood zijn geen menschen en geen vee omgekomen, terwijl er geen huizen zijn weggespoeld. Slechts was er een huisje van Annemarie van Brakel, bewoond door arme mensen, ingestort, als ook een groote schuur toebehoorende aan Theodorus Jan van Heck. Dijkbreuk kwam gelukkig onder Lith niet voor.

In de vergadering van schout en gemeentebestuur van 2 April 1809 werd medegedeeld, dat de landrot van Braband heeft kennisgegeven, dat Zijne Majesteit de Koning van Holland, Lodewijk Napoleon, na 4 April 1809 dit Departement met Zijne tegenwoordigheid zou vereeren en dat het zeer waarschijnlijk was, dat Zijne Majesteit zich nog in de loop van die week binnen deze gemeente zou bevinden.
Dienaangaande werd de schutterij St. Joris en de gilden St. Barbara en St. Catharina belast, om bij de komst van Zijne Majesteit op te trekken, de twee laatste der noodige eerebogen te doen vervaardigen, verder de vlag op den toren te doen stellen en de klokken te luiden bij de intrede van Zijne Majesteit.
Den 23sten Juli 1809, even na één uur, arriveerde den Koning van Holland, met een klein gevolg in deze gemeente. De vlag was op den toren geplaatst en bij zijn intrede en verblijf luidden de klokken, terwijl de schutterij St. Joris en de St. Barbara en St. Catharina gilden aan den molen met hun vaandels en trommen Zijne Majesteit afhaalden. De Koning stapte af aan het huis van den Heer Schout-Civiel van der Borght en is daar een uur gebleven.
Hier werd de Koning door het gemeentebestuur verwelkomt, de hulde der inwoners gebracht en de belangen der gemeente voorgedragen. Zoo werd hem o.a. verzocht om alhier een pontveer over de Maas te mogen leggen. Het behaagde Zijne Majesteit na de belangens der kerkgenootschappen te hebben gehoord, aan de Roomschgezinden toe te leggen een som van f. 1400,-- en aan de Hervormden door de eerstgemelden terug te geven de groote kerk bij de naasting in 1799 aan de Roomschgezinden overgegeven, met en benevens een som van f. 300,-- door Roomschen aan de Hervormden te betalen.

Na de inlijving van dit gewest bij Frankrijk in 1810 werd er een nieuw gemeentebestuur onder de naam van Maire en Municipaliteitsraad gevormd, waarvan tevens een afzonderlijken gemeente-ontvanger was toegevoegd. De leden van het voormalig gemeentebestuur werden ontslagen.
Doch hetzij men er niet aan dacht of dat men zulks niet raadzaam oordeelde, de leden van het Dijk- en Polderbestuur, die deze kwaliteit indertijd als gemeentebestuur verkregen, werden niet ontslagen. Dus van dat ogenblik af was het gemeentebestuur en het Dijk- en Polderbestuur de facto gescheiden. De schout-civiel en de leden van het oude gemeentebestuur bleven onder den naam van Dijk- en Polderbestuur of onder den naam van Dijkgraaf en Heemraden continueeren.
Dit werd ook door niemand betwist, omdat het Dijk- en Polderbestuur en de voornaamste ingelanden destijds niet anders verlangden, dan dat de dijk- en polderzaken van de gemeentezaken gescheiden bleven, vermits volgens de toenmalige wijze van verkiezing, in de Polder van het HoogHemaal, het dijk- en polderbestuur bij voorvallende vacatures het in hare macht had, om leden voor te dragen, welke het zelf ter behartiging der polderbelangen het meest geschikt oordeelde.

De inlijving bij Frankrijk legde de bevolking wederom zware lasten op, door de talrijke requisities ten behoeve van het "keizerlijk armee". Hoe blij we met Napoleon moesten zijn, blijkt uit het navolgende. Het verjaringsfeest van den Keizer en van den veldslag bij Austerlitz, werd gevierd op den le Zondag van November. Op dien dag moest in de kerken een redevoering gehouden worden over den roem der Fransche Heirlegers en over de uitgestrektheid van de plicht van ieder burger om deszelfs leven aan zijnen vorst en vaderland toe te wijden. Daarna moest het Te Deum tot dankzegging gezongen worden.

De bevrijding was echter nabij.
OP 17 December 1813, ‘s-morgens om zeven uur, trok de laatste Fransche patrouille door de gemeente Lith. Om circa 12 uur werden zij gevolgd door een detachement Pruisische infanterie van de voorhoede. Onder commando van Luitenant Merculus en een detachement cavallerie onder bevel van Luitenant Tanke en vorderde alhier inkwartiering.
De officieren vonden inkwartiering bij den Maire en de onderofficieren en manschappen ten huize van den kastelein G. van Vught, welke ten koste van de gemeente verzorgd zijn geworden.
Tot 26 Januari 1814, de dag waarop ‘s-Hertogenbosch werd overgegeven, waren in de gemeente steeds troepen ingekwartierd. Doch hiermede was het militair-verkeer door Lith nog niet voorbij.
De vorst had inmiddels een brug van ijs over de Maas geformeerd. Dit gaf aanleiding, dat de marsch-routes van Arnhem naar ‘s-Hertogenbosch, zoo niet geheel, dan toch voor het grootste gedeelte over Lith werden gelegd.
Dientengevolge kwamen in de maand Februari in Lith, eerst detachementen, maar daarna geheele betaillons van Pruisische Landweer aan, om te overnachten. Met het vervoer van hun. bagage met paard en kar heeft de bevolking zeer veel last gehad.

Op 21 Februari 1814, circa 4 uur, arriveerde Z.K.H. den Erf-Prinse van Oranje in deze gemeente. Zijn komst was eenige uren tevoren aangekondigd. Hij trok door de gemeente onder het luiden van klokken en onder het geroep van een onafgebroken "Hoezee". Hij nam zijn intrek bij den secretaris Mr. Dirk Luyks van Breugel, alwaar hij den nacht doorgebracht heeft.

Den 8sten Maart 1814 kwam in deze gemeente een transport van circa 900 Fransche Krijgsgevangenen aan, welke op doorreis, alhier moesten worden ondergebracht en van het noodige onderhoud behoorden te worden voorzien.
Tot verstrekking van onderdak werd gevorderd de Roomsche- en Gereformeerde Kerk, mitsgaders de school en ledig staande huis van de Wed. F. van Vugt aan het Marktveld.
Op 27 Maart 1814 volgde een tweede transport van 928 krijgsgevangenen, die op dezelfde wijze werden ondergebracht.

Bij besluit van Zijne Majesteit den Koning dd. 26 December 1816 werd aan Lucas Antonius Bokstart, medisch dokter, tevens burgemeester, toegewezen de gouden medaille, ter zake genoemde heer in het jaar 1815 aan 190 personen gratis en zonder eenige belooning daarvoor te genieten met koepokstof heeft ingeënt. Dit was het grootste aantal, dat in de provincie Noord-Braband was bereikt.
De uitreiking van de medaille had op plechtige wijze plaats en wel op 19 April 1817. Des voormiddags om 10 uur werd door den loco-burgemeester en de leden van het plaatselijk bestuur, benevens de Heer D. Luykx van Breugel, B. de Kadt en B.A. van Linden, de heer L.A. Bokstart van zijn woning afgehaald en begeleid naar de groote kerk, waar de plechtigheid zou plaats vinden. Door het luiden der klokken werd het volk van deze plechtigheid kennis gegeven.

In de kerk gekomen en ieder de voor hem bestemde plaats had geoccupeerd, las de Heer Mr. D. Luykx van Breugel aan de vergaderde menigte het besluit van Zijne Majesteit den Koning voor.
Vervolgens reciteerde hij de navolgende "Romance":

“De wereld lag in ramp en rouw
“Om een besmetting, die en vrouw
“En man met jammer drukte,
“Daar zij tot zelfs den zuigeling
“Aan ‘s-moeders borsten, waar hij hing,
“Meedogenloos ontrukte.”

“Zoo wreed verwoed op fraai en schoon,
“Ontnam hij ‘t sieraad aan den zoon,
“Waar zij de dochter schendde.
“En eeuwig scheen ‘t haar groote zaak
“Om ‘t lijdend menschdom met vermaak
“Te dom’len in ellende.”

“Dan nu riep God een Jenner op,
“Die ‘t monster, van den wreede kop,
“De kroon der macht afrukte”
“Daar lag nu het monster nu geboeid,
“In keetenen en zijn magt besnoeid,
“Wijl ‘t elk nu onderdrukte.”

“Op het voetspoor van Uw kunstgenoot,
“Hebt g’ook heer Bokstart, aan dat snood
“Gedrocht, zijn kracht onthouden,
“Door zooveel kinderen tegen dood
“En schending erger dan de dood
“Menschlievens te behouden.”

“Die weldaad blijft niet onbeloond,
“Gij wordt op heden hier bekroond,
“Met eer en goud en luister.
“Zoo laat een wijs Gouvernement
“Geen groote daden onbekend
“Verblijven in het duister.”

Deze romance was door den verdienstelijken schoolonderwijzer Jan Francis de Greeff ex tempore gecomponeerd en op muziek gebracht. De romance werd onder leiding van genoemd onderwijzer, door twaalf scholieren gezongen, die het op verrukkende wijze executeerden, terwijl een meisje van 14 jaar in een bloemkorfje het eereteeken op een zilveren schoteltje gereed hield. Daarna hield D. Luykx van Breugel een aanspraak en reikte hem de gouden medaille uit.
De toespraak werd door den Heer L.A. Bokstart beantwoord.
Met het nogmaals zingen van de romance werd de plechtigheid gesloten.

Nog tweemaal werd hem de gouden medaille toegekend, n.l. bij de Koninklijke besluiten van 1 Januari 1818 en 13 november 1819.

In de achttiende eeuw werd een gedeelte van de Hervormde Kerk tot Raadkamer en brandspuithuis gebruikt. Hierover meer bij de bespreking der kerk.

Ter plaatse waar thans het gemeentehuis staat, stond eertijds een huis toebehoorende aan de kinderen P. van Heck. Dit werd door de gemeente in 1826 aangekocht ter afbraak, om op de vrijkomende grond een nieuw gemeentehuis te bouwen.
In de vergadering van het gemeentebestuur van 31 mei 1827 stelde de burgemeester voor, aangezien genoemd huis was afgebroken, zoo spoedig mogelijk tot aanbesteding van het te bouwen raadhuis over te gaan, daar hij inmiddels een concept bestek met condities en begrooting in gereedheid had doen brengen.
Na eenige veranderingen werd dit plan goedgekeurd.
De publieke aanbesteding vond plaats op 27 Juni 1827. Met goedkeuring van Gedeputeerde Staten werd dit werk gegund voor de som van f 3420,--. Om het raadhuis van binnen te doen verven en behangen werd eenige jaaren later besloten n.1. bij raadsbesluit van 9 April 1832.

In de gemeente werden in vroegere tijden vier jaarmarkten gehouden, n.l. de 1ste op St. Jorisavond, de 2de acht dagen na Sacramentsdag, de 3de op St. Lambertusavond en de 4de en laatste op den laatsten Woensdag in October.
Tegen de jare 1820 waren deze jaarmarkten langzamerhand in verval geraakt, zelfs zoodanig, dat ze niet meer werden bezocht. De oorzaak hiervan werd toegeschreven aan de slechte wegen, die de toegang van vee en rijtuigen naar deze gemeente moeilijk maakte, maar tevens omdat de jaarmarkten gehouden werden op dagen, welke meestal met andere jaarmarkten in naburige gemeenten samenvielen.
Door de jaarmarkten op andere dagen te doen houden en eveneens daar de wegen aanmerkelijk verbeterd waren, werd door het gemeentebestuur in 1825 getracht deze jaarmarkten tot nieuwen bloei te brengen. Bij Koninklijk besluit van 19 December 1825 werd toestemming gegeven de jaarmarkten op de volgende dagen te houden; de 1ste op den 2den Dinsdag in April, de 2de op Dinsdag voor Sacramentsdag, de 3de op Woensdag voor Ossche kermis, vallende op Zondag na St. Michael en de 4de op de eerste Dinsdag in November, doch indien Allerheiligen op dien dag viel den Donderdag daarna.

Alvorens de waterramp van 1855 te bespreken, moet nog genoemd worden de overstrooming in de nacht van 31 december 1833 op 1 Januari 1834, waardoor de gemeente werd geteisterd.

In den avond van den 4den Maart liep het Maaswater, door een ijsverstopping in zijn loop gestremd, dermate op, dat het ter hoogte van bijna een el, en groote ijsschotsen met zich voerende, over den dijk stroomde, zoodat aan dezes behoud niet toedenken viel. Het hoogst ongelukkig gevolg was dan ook, dat in den opvolgenden nacht, in het midden van het dorp een zware doorbraak (105 ellen lang) viel in de z.g. Toldijk, waardoor zeven personen jammerlijk het leven verloren. Verder werden 34 huizen vernield en 72 huizen zwaar of licht beschadigd, zijnde alle woningen van personen, die buiten staat waren om door eigen middelen deze te herstellen.
Aan de Vrouwenstraat waren ongeveer alle huizen weggespoeld. Groot was dan ook de ramp de gemeente Lith overkomen, maar groot was ook de hulp, die samengebracht werd, dank zij de maatregelen door Koning Willem III genomen..
Zijne Majesteit de Koning heeft zich zelfs twee keer in eigen persoon van de Grootte der ramp komen overtuigen.
Een commissie word ingesteld om den nood zooveel mogelijk te leenigen. Voor moedig gedrag bij deze watersnood word bij Koninklijk Besluit van 16 Juli 1855 aan A. Nefkens, visscher, de zilveren en aan W. Schuylenburg, G. Romeynders en J. van Dinther, allen wonende te Lith, de bronzen medaille toegekend.

De herstellingswerkzaamheden aan de Maasdijk werden aangenomen voor f 51200,-- en behoorlijk tot stand gebracht. Het Rijk droeg hierin f 35000,-- bij. Eveneens werd een provinciale bijdrage verstrekt. Voor verschillende gezinnen moest voor woningbouw elders binnen de gemeente stukjes grond aangekocht worden. De z.g. "Nieuwe Duurt" is toen der tijd ontstaan. Verzuimd werd toen om tegelijkertijd van die buurt een uitweg naar een openbaren weg te maken. Hierin werd in 1879 voorzien. Bij raadsbesluit van 10 November 1879 werd besloten tot aankoop van diverse stukjes grond voor aanleg van een openbare weg ten behoeve van die genoemde buurt. De nieuwe weg werd gelegd over het voetpad vanaf de "Nieuwe Buurt" langs het erf van van Erp, naar den Provincialen grindweg.

In 1857 heerschte in de gemeente de kinderziekte, waardoor ongeveer 125 personen werden aangetast, waarvan er 17 zijn overleden.

Bij raadsbesluit van 15 April 1881 kocht de gemeente van het Kerkbestuur van Lith, het perceel Sectie A nr. 1795, groot 19 aren en 50 centiaren. Dit perceel was de oude gesloten begraafplaats, gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de openbare school. Als speelplaats voor de schooljeugd was het onmisbaar en daarenboven uitmuntend geschikt om in tijde van watersnood te dienen tot vluchtheuvel. Bovendien werd aangekocht het ten Noorden van voormelde begraafplaats gelegen perceel Sectie A nr. 206, voor ruim 2/3 gedeelte. De koopsom voor beide percelen bedroeg f 350,-

Genoemd raadsbesluit werd door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant goedgekeurd bij besluit van 19 mei 1881.

In verband met de waterschaarste in de zomermaanden werd het nuttig geacht, dat op het Marktveld, een pomp werd geplaatst, die tevens dienstbaar kon zijn bij onverhoopt ontstaan van brand. Op 31 Juli 1885 werd besloten tot het aanleggen van een gemetselde welwaterput en daarop te stellen een pomp met dubbelen zuiger.

De Heer Jacob Wiegersma, arts te Hilversum, werd benoemd tot gemeentegeneesheer, met ingang van 1 Juli 1889, bij raadsbesluit van 3 Juni 1889.

In de vergadering van 31 December 1892 werd besloten met den Heer J. Wiegersma een overeenkomst van huur aan te gaan omtrent een door de gemeente te bouwen woning met koetshuis te Lith op het perceel, kadastraal bekend, Sectie A nr. 2079.
De Heer Wiegersma heeft de functie van gemeentegeneesheer vervuld tot 1 Juli 1929, toen hem op verzoek eervol ontslag werd verleend.

De raden der gemeenten Lith, Lithoijen, Alem, Maren en Kessel wendden zich op 20 December 1889 tot den minister met verzoek de vestiging van

een brigade der Koninklijke Marechaussee ter standplaats Lith te bevorderen.

De aanvraag steunde op de volgende gronden. Deze streek was volgens hun bescheiden mening soo niet geheel verstoken, dan toch te weinig bedeeld van het zoo gewaardeerde politietoezicht van het wapen der Koninklijke Marechaussee. Vooral ten gevolge van de algemeene toename der bedelarij en landlooperij behoefde bedoeld toezicht voor de veiligheid van personen en goederen dringend versterking. De beschikking was echter afwijzend. Het verzoek werd op 20 Maart 1893 herhaald, echter weer zonder resultaat.

Krachtens olografische uiterste wilsbeschikking van wijlen Mr. Petrus Franciscus van Cooth, overleden te ‘s-Hertogenbosch den 8sten Juni 1901, gedagteekend 11 december 1894 en in bewaring gegeven bij den notaris Mr. H.C.F. Rits te ‘s-Hertogenbosch, aangevuld bij uiterste wilsbeschikking, gedagteekend 12 Juli 1897, werd aan de gemeente gelegateerd en vermaakt zijn onroerende goederen gelegen onder de gemeente Lithoijen en Driel, met uitzondering van een huis, erf en boomgaard, gelegen te Kerkdriel, kadastraal bekend, Sectie G. nr. 743, 744 en 745. De opbrengst dezer gelegateerde goederen moest uitsluitend besteed worden tot bevordering van op de openbare scholen in de gemeente te geven goed herhalingsonderwijs, geheel practisch ingericht naar de behoeften der bevolking, gepaard met onderwijs in de beginselen der natuurkennis en vooral met landbouwkundig onderwijs en voorts ook nog voor in de openbare scholen der gemeente te geven onderwijs in nuttige handwerken voor meisjes, indien ook die school door meisjes bezocht werd.

Onderwijs in de landbouwkunde en in de beginselen der kennis van de natuur, bij voorkeur te geven door een onderwijzer, die de akte heeft voor het geven van landbouwkundig onderwijs, moet zooveel doenlijk bevorderd worden, door bij de oefening in het lezen op de school, leesboekjes te gebruiken, die over deze onderwerpen handelen.
Verder werd het wenschelijk geacht, dat zoodra mogelijk, wanneer zich de gelegenheid voordeed, vooral bij het openvallen der betrekking van hoofdonderwijzer of ook van onderwijzer, aan de openbare school bij voorkeur worde aangesteld een onderwijzer, die akte heeft voor het geven van landbouwkundig onderwijs of tuinbouwonderwijs.
Onderwijs in nuttige handwerken moest bevorderd worden door aan meisjes tot belooning van goed gedrag, trouw schoolbezoek en vlijt kosteloos te verstrekken linnen, katoenen, wollen en andere, stoffen, om die voor eigen of huishoudelijk gebruik in de openbare school onder de leiding der onderwijzeres te bewerken of wel door meisjes met voorwerpen te beloonen, die voor haar in hun volgend leven nuttig kunnen zijn, zooals o.a. hechte en tevens nette naaidozen, naaldenkokers, scharen, enz.
Bovendien werd aan de gemeente Lith vermaakt, met algehele uitsluiting zijner bloedverwanten, een tiende gedeelte van het zuiver bedrag zijner nalatenschap, hetwelk nabetaling en verevening van huisschulden, enz. en na uitkeering der gemaakte legaten, zal overblijven, onder bepaling en voorwaarden tot inrichting, verbetering en uitbreiding van het herhalingsonderwija in de kom der gemeente.
De gemeente ontving van deze erfstelling f. 277,32.
De gemeenteraad van Lith besloot op 3 Augustus 1901 het legaat en de erfstelling te aanvaarden, welk besluit door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant werd goedgekeurd op 22 Augustus 1901.

De Eerwaarde Zusters vestigden zich in Lith in het liefdegesticht op 1 October 1903.

De Heer Oomen van de P.N.E.M. gaf de leden van de gemeenteraad een overzicht van de kosten van aanleg van het electrisch net in de gemeente en hetgeen daarmede verband hield. De kosten zouden ongeveer f 33000,-- bedragen, waaronder niet waren begrepen de kosten van een gratis lichtpunt, hetwelk aan iedere inwoner zou worden verstrekt. De aanleg daarvan zou de gemeente ± f 4500,-- kosten, zodat de totale kosten f 37500,-- zouden bedragen.

De electrificatie van de gemeente zou worden behartigd door het gemeentelijk electriciteitsbedrijf dat zou worden opgericht.

Den 29sten Juni 1922 werd door den gemeenteraad besloten tot electrificatie van de gemeente. De aanbesteding van den aanleg van het net had plaats op 14 Augustus 1922.
De laagste inschrijver bleek te zijn de N.V. Electriciteits-Mij. v/h. Albertsen vd. Kluft te Amsterdam voor de som van f 22649,95.
Wel was door de firma van de Lof te Emmen voor een lager bedrag ingeschreven, doch deze firma had zich in de optelling van zijn lijst van eenheidsprijzen f 1000,-- vergist.
De levering werd aan eerstgenoemde firma gegund. Hiervoor werd een schriftelijke overeenkomst opgemaakt.
Omtrent het bouwen van een transformatorhuisje adviseerde de voorzitter, dit niet op het Marktveld te plaatsen, doch elders, bijv. naast de schutskooi of in de Molenstraat bij J.H. van Doorn. De laatste plaats werd als de geschikste aangewezen, gelegen op het erf van L. van Amstel, kadastraal bekend, Sectie A nr. 1631.
Het Gemeentelijk-Electriciteitsbedrijf werd opgericht bij raadsbesluit van 18 October 1922.
Het plaatsen en monteeren van 47 straatlantaarns werd eveneens aangenomen door de Firma Albertsen vd. Kluft te Amsterdam.
Het Gemeentelijk-Electriciteitsbedrijf heeft bestaan tot 1927, toen het aan de P.N.E.M. werd overgedragen.

De combinatie van de gemeenten Lith, Lithoijen en Oijen c.a. kwam tot stand met ingang van I Januari 1939. Dit is niet geschied langs de weg van wederzijdsche of onderlinge liefde.

Een reeks van bijna twintig jaren was noodig om deze combinatie te bewerkstelligen.
Door de wet van 30 December 1938, Staatsblad no. 306, werd de zelfstandigheid, het historisch verleden, enz. voor immer en altijd verbroken.


S T A D H 0 U D E R S

Matheus Nouhuys - tot ± 1600
H.H. de Leeuw ± 1688 - Over1. 1716
 
  D R 0 S S A A R D S
 
Johan van Nouhuys 1716 - overl. 9 juni 1739
Mr. Johan Woerdenbagh Sep. 1739 - April 1760
Abraham van Lier 3 April 1760 - Februari 1761
Mathias van Marcken Febr. 1761 - 2 April 1764
Peter Benjamin Papo 2 April 1764 - 14 Juli 1792
Johan Eliza de Vrij 30 Aug. 1792 - 7 April 1803
 
  S C H 0 U T E N - C I V I E L
 
Johan Eliza de Vrij 7 April 1803 - overl. I mrt. 1806
Franciscus van der Borght 6 Maart 1806 - 1810

M A I R E S
 
Lucas Antonius Bokstart 1810 -1813
A D J 0 1 N T - M A I R E S
 
Francois van den Boogaard           1810 - 1 Januari 1814

B U R G E M E E S T E R S
 
 Lucas Antonius Bokstart 1813 - overl. 23 Oct. 1840
 Lambertus Bokstart 24 Maart 1841 - overl. 25 Febr. 1847
Willem van Krey 7 Juli 1847 - December 1862
Johannes Dijkhoff 27 Dec. 1862 - 1875
Nicolaas Dijkhoff 10 Jan. 1875 - overl. 20 Jan. 1900
Gosuinus J.A. v. Heeswijk 30 Xrt- 1900 - 29 Maart 1936
 Josephus Marianus Smits 1 April 1936 - 1 Januari 1939
(annexatie)


S E C R E T A R I S S E N
 
Jan van Nouhuys Reeds in 1683 - Januari 1706
Johan de Cassemeyer 1706 - 1722
Mattheas Reyers 25 Juni 1722 - overl. 12 Mrt. 1727
Johan van der Meulen 30 Juli 1727 - overl. Maart 1772
F.H. Fenema I Aug. 1772 - 1791
Mr. Dirk Luycx van Breugel 3 Juni 1791 - overl. 16 Sep. 1826
Hermanus Bokstart 25 Dec. 1826 - 14 April 1833
Jan Bokstart 23 Juli 1833 - 5 November 1838
Lambertus Bokstart 19 Jan. 1839 - 27 Mei 1841
Franciscus van Erp 18 Juli 1841 - 23 Juni 1880
Hendrikus Schouten 23 Juni 1880 - overl. 25 Mai 1904
Gosuinus J.A. v. Heeswijk 24 Juni 1904 - I Juli 1907
Antonius L.J. Schouten I Juli 1907 - I Mei 1939
 
 
BEURMEESTERS OF BORGEMEESTERS

1683 Arien Gerrardts van Bommel
    Gerradt Anthonissen de Roosmalen
1684 Robbert Henderikx van Maren
    Henrick Matthijaen Clingh
1685 Gerrart Gerrardts van Hurwen
    Gerrart Hendrickx van Maren
1686 Gerrart Aert Gerrarts
    Jan Teunissen de Roosmalen
1686 Peter van Heck
    Geurt Delissen
1688 Jan BlancMars
    Gijsbert Peeters Bij1
1690 Goossen Gerrart Aertsen
    Arien van Bommel
1691 Lambert Clingh
    Wouter Gerraedts van Lith
1692 Jan van Roosmalen
    Gerrart Blanchers
1699 Gerrardt van Hurwen
    Robbert van Maeren
1700 Jan Teunissen
    Gerrart Jan Jan Teunissen
1701 Gerrart Delissen
    Goossen Gerrarts
1702 Willem Wouters
    Thomas Peeters
1703 Adriaen van Hurwen
    Gijsbert Boxk
1704 Jan de Rosmalen
    Gerrit Cornelissen van Alem
1705 Goossen van Lienden
    Aert de Rosmalen
1706Gerrit Deelysen van der Velden
    Tomas Peters
1707Coenraet van Lienden
    Lambert van Alem
1708Gerrit van Grinsven
    Gerrit Render van Maeren
1709Wouter Willemse
    Gerrit Peters Bijl
1710Frans Teunis Egens
    Jan Schuylenburgh
1711Dielisse Coolen
    Daniel van der Lith
1712Peter Teunisse de Bijl
    Teunis Peters de Bijl
1713Gerrit van Hurwen
    Arien Gerrits
1714 Aart Rosmalen
    Koenraadt van Rovaal
1714Gerrit Schuylenburgh
    Gerrit Deelissen
1715Herman Blankers
    Mighiel van den Bogert
1717 Peter Gerrit Blankers
    Jan Hendrick van Toren
1718 Rembout van Grinsven
    Jan van Lieshout
1720 Jan van Nouhuys
    Gijsbert van Maeren
1721 J. van der Donk
    Adriaan Goossens de Bijl
1722 Willem Pompen
    Jan Geurds
1723 Dirk van Reeck
    Roeloff van Heck
1724 Gerrit Peter Ariens
    Dirk den Holder
1725 Coenraad van Linden
    Peeter van der Hagen
1726 Geurt van der Lith
    Peter van Brakel
1727 Claas Coolen
    Gerrit Roosmalen
1728 Toomas Coolen
    Deelis de Laat
1729 Gosen Neefkens
    Philips Laguarde
1730 Peter Goosens de Bijl
    Jan Meussen
1731 Aart van Alem
    Gijsbert van der Hage
1732 Johan Clingh
    Jacobus van Hurwen
1733 Geert Schuylenburgh
    Hendrick Steenbacker
1734 Andries Spierings
    Deelis Lamberts
1735 Bernardus van Linden
    Claas van der Hoeve
1738 Jan Geert Evers
    Adriaan van Schijndel
1739 Claas Janse van Nouhuys
    Corstiaen Janse van Kessel
1740 Arnoldus Steenbacker
    Hendrik van den Bogart
1741 Goosen Neefkens
    Tomas Coolen
1742 Gerrit Schuylenburgh
    Koen Rovaal
1743 Lambertus van Hurwen
    Jan Geurden
1744 Gerrit van Heck
    Meeuwis van Lith
1745 Andries Spierinx
    Ariaan Goosens de Bijl
1747 Jan van Heck
    Johannes Dijkhoff
1748 Hendrik Steenbakker
    Peter Louiesse Coppelaar
1749 Walraven van Kessel
    Geerit Smits
1752 Jan Gerrit Evers
    Peeter van Lieshout
1753 Aart van Alem
    Aart van Oploo
1754 Evert van der Haagen
    Henderik van de Bogard
1756 Geert Schuylenburgh
    Wouter van Wouw
1757 Peeter van Heck
    Lambertus Colen
1758 Andries Spierinx
    Adrianus van Grinsven
1761 Henderik van den Bogard
    Johannes Dijkhoff
1762 Evert Pompen
    Geert van Nassauw
1763 Geerit van Alem
    Henderik van Oploo
1765 Engel van Wouw
    Geert Smits
1766 Antony van Linden
    Quirinus Verlangen
1767 Adrianus van Berghem
    Lambertus van den Heuvel
1770 Lambertus Romijnders
    Claas van Alem

COLLECTEURS VAN LANDS- EN VRIJHEIDSLASTEN

Jan van Heck 1771 - 1773
 Lambert Romijnders 1774 - 1786
 Ruth Romijnders 1787 - 1810
 
G E M E E N T E - 0 N T V A N G E R S
 
 Franciscus van der Borght 1811 - 22 Dec. 1816
M. van Krey 1817 - 1 febr. 1819
Andries Piek 12 Febr. 1819 - 1 Jan. 1830
Jan de Kadt 1 Jan. 1830 - 1833
Bernardus A.A. van der Linden 9 Aug. 1833 - 14 Oct. 1836
Victor Reys 23 Dec. 1836 - 20 Oct. 1851
Franciscus van Erp 20 Oct. 1851 - 23 Juni 1680
Hendrikus Schouten 23 Juni 1880 - 9 Oct. 1880
 Thomas Hubertus Pompen 9 Oct. 1880 - 6 juni 1922
 Martienus Johan van Mourik 6 juni 1922 - I Mei 1939

DE GILDEN TE LITH

In Lith bestonden eertijds drie gilden: de schutterij St. Joris en de St. Barbara en St. Catharina gilde.
Uit een brief van 1778 blijkt, dat volgens overlevering deze gilden zijn opgericht ten tijde van Keizer Karel V, door wien het privilege verleend werd.
leder gilde had vier opperhoofden, bekend onder den naam van dekenen, aan wien de directie was toevertrouwd. De bediening van het deekenschap bracht verder mee om de overledenen van hun gilde te begraven en teerdagen in eten en drinken te organiseeren.
De kwestie, die te Lith gedurende de laatste dagen van het jaar 1799 ontstond, omtrent het begraven van een lijk van een lid van de Catharina-gilde, daar er geen deekenen in functie waren, is te vinden onder de "Geschiedkundige bijzonderheden".
Ten aanzien van de St. Jorisgilde nog het volgende. Dit in oorsprong middeleeuwsche gilde - immers "gemeynelijk genoemt" de oude schuts werd in 1641 gereorganiseerd. Het toen vervaardigd reglement, waarvan drie copieën tot de gilde-papieren behooren, een uit de 1e helft en een van ‘t einde der 18de eeuw en de derde op zegel van 1806, bevat als bijzonderste bepalingen het volgende:
Art- 4- Item soo wanneer de schutsbroeders schieten om eenen cornet te hebben sal den scholtus ter tyd wesende van onsen Ed: Heer wegens den schutsboom bevryden ende soo wie den vogel afschiet sal cornet sijn en blyven soo lange hy leeft ofte selver begeert daer aen te blijven, onder al sulcke conditie dat hy aen gemeyne schutsbroeders wanneer hy cornet geworden is vereeren sal een ton biers…….
Dit is merkwaardig en nergens elders voorkomende, dat men den vogel schiet, niet om eenen koning te verkrijgen, maar eenen cornet of standaardrijder, als zoodanig hoofd der gildebroeders.
Art. 5. Wanneer iemand "buyten dorps woonachtigh den vogel afschoot en
sal den standaer niet moegen mede nemen buyten dorps
Art. 6. Item op Heylige Sacraments-dagh in de processie sal den cornet den standaert te paert voeren ende voor de schuttery reyden ende de vier dekens desselven schuttery sullen het tabernakel draegen……..
Art.11. Item niemant en sal in de voorz. schuttery moegen comen ofte aengenoemen worden ten zy denselven is goet Rooms Catolijck...
Art.18. Item niemant onder de schuttery wesende en sal geen bier hebben over te gieten ofte te storten ofte kannen om te stooten anders als hy met eenen voet bedecken kan.....te verbeuren ‘t elcke reys dat het gebeuren moght in eenen kuyp water te staen tot de kniën toe ende alsdan een volle kan bier daer in uytdrincken.
Merkwaardige straf.
Art.22. Item Heer Jan Francis van Door pastoor dezes heerlijkheyt Groot-Lith nu in plaets van Heer Hendricus Aller, die int jaer sestienhondert eenen veertigh sijn eygen handt daer voor heeft gestelt, sal gehoude sijn sijn leven langh ‘t elcke reys op St. Joris dagh den dienst der Misse te doen ende te prediken en ‘s anderdaghs daer naer een Mis van requeam te doen van de overledenen medebroeders…….
Art.23 …….alles tot gelieve ende wederroepen van onse Ed. ende Eerwe. Heeren van St. Lambertus tot Luyck……..
“aldus gedaen in volle vergaderingh des dijnsdaghs naer het hoogtijt
“van pinxteren wesende den elftten Juny int jaar ons Heeren duysent
“seshondert eenenveertigh..... “
Onderteekeningen en aanneming van nieuwe leden (tot omstr. 1730) heeft de Copiïst er meteen onder geschreven: de eerste door een nieuw lid zelf onder ‘t reglement geplaatste handteekening is gedateerd 1744. Hierachter een besluit van 1 Mei 1739, waarbij de dooschuld (1 ton bier) afgeschafd werd en bepaald werd, dat voortaan nieuwe leden tegen betaling van 18 gulden konden worden aangenomen.
De copie van 1806 heeft dit besluit als art. 24; Art. 23 is daar de bepaling, dat voor elk overleden lid een zingende dienst op kosten der schutterij zal worden gedaan, terwijl een nieuw artikel 25, van 19 Mei 1807, op voordracht van den nieuwen cornet - in plaats van zijn voorganger die 17 Mei 1804 uitgezet was omdat hij zekere boeten niet betalen wilde - behelst: “dat den cornet, deekens en den oudsten schutsbroeder volkomen magt en authoriteyt zullen hebben om de schutterij te regeeren op een ordentelijke wijzen hetzij op wat manier het zou weezen.....
Dit blijkbaar ter versterking der positie van den nieuwen cornet, wijs geworden door de ervaringen zijns voorgangers, hetgeen ook hier een op den duur verderfelijke adsolutisme vestigde.
Den 21sten Maart 1838 werd goedgevonden, dat de oudste zoon van een overledene lid hem opvolgt, zoodra zijn 24ste jaar vervuld is. Van 5 Maart 1846 eene verklaring, door ‘t betreffende lid onderteekend, dat hij is uitgetreden, voor zich en zijne nakomelingen afstand doend van elk recht op den gilde-eigendom, en de 18 gl. intreegeld terugontvangen hebbend.
Wie ‘t dorp metterwoon verlaten, verliezen deze rechten "zoo lang zij buiten Lith woonachtig blijven" (16 Febr. 1856) en moeten wederom 15 maanden te Lith gewoond hebben, om opnieuw gerechtigd te kunnen zijn (24 April 1871).
Den 9den Mei 1904 werd 500 g1d. geleend voor een nieuw patroonsbeeld in de kerk; waarvoor nog jaar op jaar een kaars brandt. Men had het wel uit de gewone inkomsten kunnen bekostigen, maar dat zou ‘t betreffende jaar dan leden mager gemaakt hebben en er waren enkele behoeftigen onder, die ‘t geld niet konden missen.
Eenige lossen papieren bevatten: condities van het teren, 26 Februari 1811, waarbij o.a. deze afspraak, dat "als het den cornet en dekens goetvinden dan zal den hospes savonds een ligt laaten branden in hunne gangen ofte voorhuysen".
De rekening van 1909 e.v. jaren. Pachtcondities. In 1833 bracht de waard f 194,-- op, het "schutstuk" f 16,--. Een lijstje van "weldaden ter herinnering voor latere geslachten over 1768-1834"; ondersteuning van behoeftigen, enz. ook het “opmaken” van een vorig St. Jorisbeeld in de kerk.
Den fol.boek in lederen rug en papieren kaft geeft dergelijke bijzonderheden van omstreeks 1830 af, ook over het aanbesteden van het gilde, met dit menu van den jaarlijkschen maaltijd: “soep, met kalfsvleesch, wit- en roggebrood, groene en witte boonen met ham, grauwe erwten met gebraden kalfsvleesch, aardappelen, aardappelen met appels, frekendelle, rijstenbrij met suiker, wittebrood, kaas, boter”.
Na eene Iijst van dekens, sinds 1833, meest aanteekeningen over verpachting van waard en schaarweide. Deze waard aan de overzijde der Maas stroomafwaarts gelegen, bestaat uit: hooiland 5B 88R 90 El en griend 3B 5OR 60 El, "is bij scharen op 42 roeden 14 scharen, houd nog over 90 Ellen".

Het schutsstuk, deel eener schaarweide, 58 roeden groot (= één schaar) werd eveneens verhuurd; de waard tweemaal per jaar. Een en ander bracht in 1931 nog f 700,-- op. De uitkeering geschiedde door den notaris, op patroonsdag, waarna het gilde-maal moest plaats vinden. In 1931 waren er echter nog maar twee leden, van wie een - hoogbejaard – ‘t huis niet meer verlaat. Een derde man zou intreden zoodra hij 24 jaar is. Het andere leeft in een klooster en betaalt zijn kost van St. Joris’ pachtpenningen.
Nieuwe leden worden er niet meer toegelaten.
Volgens overlevering schreef de oudste kaart een zoo mogelijk te handhaven getal van 20 leden voor.....


DE JODEN TE LITH

In de Meierij van ‘s-Hertogenbosch treft men eerst in de tweede helft van de 18e eeuw hier en daar Joden met vaste woonplaats aan. De Staten-Generaal vaardigden Op 5 Juli 1767 een resolutie uit “raakende het verleenen van inwooning aan Joden in de Meierij van ‘s-Hertogenbosch”, waarbij op een verzoek van Lely Hartogh, Jood en vleeschhouwer, geboren en wonende te Oisterwijk, besloten werd, "in dit singulier geval, dog zonder eenige, consequentie voor het gevolg, den suppliant te permiteeren, zich metter woon binnen Tilburg te mogen nederzetten". Verder werd in deze resolutie bepaald, dat “hoezeer de Joden op sommige plaatsen in de Meijerij van ‘s-Hertogenbosch metter woon zijn gepermiteerd, zulks nogtans geen regul moet uitleveren, waarom deselve in alle andere plaatsen van dien zouden behooren toegelaten te worden".
Werden zij in een gemeente toegelaten dan bezaten zij echter nog geen burgerschapsrechten.

Ingevolge decreet van de Nationale Vergadering van 2 September 1796 werd op 22 Juni 1797 door de Representanten van het volk van Bataafsch Braband gepubliceerd “dat geen Jood zal worden uitgesloten van eenige rechten of voordeelen, die aan het Bataafsche Burgerrecht verknogt zijn en die hij begeeren mocht te genieten, mits hij bezitte al die vereischten en voldoen aan allen die voorwaarden, welke bij de algemeene, constitutie van iedere active burger gevorderd zullen worden". Voorts werden vervallen verklaard "zoodanige sanctiën, welke door de voormalige Staten-Generaal, Raad van Staten of eenige plaatselijke regeeringen aan de z.g. Kerkelijke Reglementen der Jooden binnen deze provincie, mochten gegeven zijn”.
De artikelen 19 en 20 der "Burgerlijke en Staatkundige grondregels van 1798 waarborgden aan de Joden volkomen gelijkgerechtigdheid met andere staatsburgers.
In het jaar 1798 telde men te Lith op een totale bevolking van 1061 zielen slechts 10 Joden.
Op een aanschrijving van den Landsrost van Braband dato 9 December 1608 berichtte het gemeentebestuur, dat het Joodsch kerkgenootschap te Lith op zich zelf bestond en niet onder eene naburige gemeente behoorde, terwijl de Joden, die zich bevonden te Lithoijen, Kessel, en Alem, deel uitmaakten van de Lithsche Joodsche Gemeente.
Langzamerhand breidde zich het getal Joden binnen deze gemeente uit. Op 15 December 1808 telde de gemeente reeds 47 Joden. Hiervan woonden er 36 te Lith, 2 te Lithoijen, 4 te Kessel en 5 te Alem. Zij behoorden allen tot de Hoogduitsche kerkgemeente en kwamen tot het houden hunnen, godsdienstoefeningen bijeen op een gehuurde kamer, waar een rabijn uit ‘s-Hertogenbosch de kerkoefeningen leidde.
In 1818 werd door hen een woonhuis; thans het pand bewoond door den Heer P. van Rooij, genummerd A 34, verbouwd en gebruikt om er de Israelitische godsdienst uit te oefenen.
De kosten, die vielen op de uitoefening van hun eeredienst werden door hen onderling gedragen. Het Joodsche kerkhof te Geffen werd door hen gebruikt om de lijken te begraven.

Als beroep der te Lith wonende Joden geeft het bevolkingsregister van het jaar 1811 hoofdzakelijk “koopman". Als namen kwamen o.a. voor: Samuel Levison, Levie de Winter, Sara Nathan.

De Joodsche gemeente schijnt gedurende een zekere tijd het onderwijs aan leden van hun gemeente zelf behartigd te hebben, want in het bevolkingsregister van ± 1840 staat als Joodsch onderwijzer vermeld Izak Jozef Chits.
Hij vertrok op 5 mei 1858 naar Grave. Ook hadden ze omstreeks dien tijd een eigen rabijn.

In latere jaren verminderde het aantal Joden in deze gemeente door sterfgevallen en verhuizingen naar elders zoodanig, dat thans geen Joden meer te Lith woonachtig zijn.
De laatste Joden te Lith waren Levie Wolf en vrouw Sibilla Rosenboom, wonende toen der tijd in het huis gemerkt thans A 46.
Levie Wolf overleed 3 Mei 1933, terwijl zijn echtgenote op 17 Mei d.a.v. naar Sittard vertrok.


VERENIGING VAN DE GEMEENTEN LITH, LITHOIJEN EN OIJEN

Het denkbeeld, de gemeenten Lith, Lithoijen en Oijen c.a. te vereenigen, was geenszins nieuw. Desbetreffende voorstellen dateerden reeds van omstreeks 1920. Voor de vereeniging pleitten toen de destijds gegronde argumenten, n.1. de slechte financiële positie van de gemeenten Lithoijen en Oijen c.a., welke gaandeweg verergerde. Alleen Lith stond er financieel nog vrij gunstig voor, dank zij eigen bezittingen en bovendien dank zij de aanwending van de vruchten van een legaat. De voorgestelde vereeniging werd afgewezen voornamelijk op grond van verzet van de gemeente Lith.
In 1931 deden Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant opnieuw een voorstel tot samenvoeging van de drie gemeenten. Ook dit voorstel deelde het lot van zijn voorganger, in hoofdzaak als gevolg van de omstandigheid, dat het financieele aspect zich ten gunste had gekeerd. Daarmede ging gepaard een verandering in de gezindheid ten opzichte van de samenvoeging: alle drie gemeenten verzetten zich met klem tegen de vereniging.
Sedertdien was de toestand aanmerkelijk gewijzigd, waarin Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant aanleiding vonden tot het ten derde male aanhangig maken van een verenigings-voorstel. De ongunstige tijdsomstandigheden hadden zich namelijk in elk der drie gemeenten doen gevoelen.

In 1938 bleek het in 1931 nog eensgezinde verzet tegen de samenvoeging gebroken.

De regeering achtte toen het tijdstip voor de vereeniging gunstig. Ten gevolge van de Maaskanalisatie ging de Maaskant een geheel nieuw leven tegemoet, in de allereerste plaats in landbouwkundig, economisch, opzicht, maar ook, en daar ging het hier om, in meer algemeene zin. Volgens de te verwachten ontwikkeling, waarbij niet meer, als tot toen, met een jaarlijksche periode van overstroomingen behoefde te worden gerekend, kon een normale bodem-exploitatie haar intrede doen, die verstrekkende gevolgen door de geheele omgeving zou meebrengen. De gunstige ontwikkeling mocht niet geremd worden door een voor oude toestanden wellicht niet onbevredigende, maar thans te zwakke bestuursorganisatie, integendeel, de overheidsmaatregelen moesten de ontwikkeling helpen bevorderen, krachtig publiekrechterlijk initiatief moest het particulier volgen, steunen en stimuleren en dat was alleen te bereiken bij het bestaan van een zoo krachtig mogelijke gemeenschap met eenheid van bestuur, die in de plaats moest treden van drie zelfstandigheden van tezamen nauwelijks 3000 inwoners.
Aan de voorgestelde samenvoeging stond een verschil in opvatting met betrekking tot godsdienstige vraagstukken of in verband met de bronnen van bestaan niet in de weg. Aard en opvatting der ingezetenen waren grootendeels gelijk. De gemeenten vormden samen een aaneengesloten geheel met een oppervlakte van ± 3500 H.A. en een bevolking van 3025 inwoners (Lith 1493, Lithoijen T87 en Oijen c.a. 845).
De financieele draagkracht van elk der gemeenten was gering. Het werd voor haar steeds moeilijker, de geleidelijk in omvang toenemende taak naar behooren te vervullen. Vereeniging tot een nieuwe gemeenschap zou aan de economische- en sociale verzorging der inwoners ten goede komen. De nieuwe gemeenschap, waarop de bestuurskosten door de vervanging van drie bestuursapparaten door één minder zwaar zouden drukken, zou meer doeltreffend en voordeeliger kunnen werken, als elke gemeente afzonderlijk.
B1ijkens de ingevolge artikel 158 der gemeentewet gevoerde procedure spraken de Raad en de commissie uit de ingezetenen van Lithoijen zich v66r de vereniging uit, terwijl die van Lith en Oijen c.a. bezwaren maakten in hoofdzaak om redenen van financieelen aard. Laatstgenoemde gemeenten zagen in de samenvoeging geen voordeel, omdat in plaats van een onmiddellijke verlaging van belastingen, als gevolg van de samenvoeging, eerder verhooging was te verwachten.
Hiertegen werd aangevoerd dat, juist zonder samenvoeging, eerder verhooging was te verwachten, daar de belastingen in de betrokken gemeenten in de allernaaste toekomst zouden moeten worden opgevoerd.

Voorgesteld werd aan de nieuwe gemeente de naam "Lith" te geven.
Met Gedeputeerde Staten was de Regeering van oordeel, dat de naam Lith de voorkeur verdiende.

Hoewel Lithoijen geografisch het midde1punt van de nieuwe gemeente zou vormen, werd bij het bepalen van den zetel, evenals bij het geven van de naam, der nieuwe gemeente uitgegaan van de omstandigheid, dat vanouds het plaatsje Lith het middelpunt van de streek had gevormd en het beste de rol van hoofdplaats in de toekomst zou kunnen vervullen.

De betrekkelijke groote afstand, die Oijen en Teeffelen van het overige deel van de nieuwe gemeente zou scheiden, vorderde bijzondere voorzieningen, opdat de ingezetenen van Oijen en Teeffelen, wanneer zij met het gemeentebestuur in aanraking wilden of moesten komen, daarvoor zoo min mogelijk zich naar het gemeentehuis te Lith zouden behoeven te begeven. Tot dit doel werd de oprichting van een hulpsecretarie voorgeschreven, dat voor Oijen c.a. zou gelden als gemeentehuis en secretarie.

Bij Wet van 30 December 1938, Staatsblad No- 306, kwam de vereeniging tot stand, met ingang van 1 Januari 1939.


BESTUUR EN HUISHOUDING DER GEMEENTE IN HET ALGEMEEN

In vroeger eeuwen vond men in de meeste dorpen een eigen Schepenbank. Het bezit ervan was het voornaamste teeken van een “vrijheid”. De hertog van het gewest of de Heer van de Heerlijkheid benoemde tot zijn vertegenwoordiger in het bestuur den schout of drossaard, door wien de schepenen werden benoemd. Het getal schepenen bedroeg gewoonlijk zeven. De vergaderingen werden van "genecht tot genecht", dat is strikt om de veertien dagen, gehouden.
De schepenbank was belast met de zorg der meest gewichtige gemeentelijke belangen. Niet slechts de rechtspleging behoorde tot de bevoegdheid der schepenen, ook het bestuur, politie en krijgswezen, regeling van onderwijs, liefdadigheid en verzorging van alle openbare akten. De voornaamste, tevens ook de oudste, taak van de schepenen was de rechtspraak, zoowel in zaken van contentieuzen als van vrijwilligen aard. De contentieuze rechtspraak bepaalde zich tot civiele gedingen, welke door de schepenen "collegiaal", d.w.z. in schepenbank vergaderd, berecht werden. De vrijwillige rechtspraak omvatte in de eerste plaats "boedelzaken", d.w.z. alle zaken van beheer en verantwoording van goed van weduwen, weezen en insolventen.

De schepenen waren in rechtszaken, van welke aard ook, slechts rechters en vervulden als zoodanig een lijdelijke rol. Zij hoorden de partijen, onderzochten de eischen, maar hadden overigens, bij wijze van openbaar ministerie, in alles af te wachten de uitspraak van het vonnis door den schout of drossaard. Veel rechtskundige kennis werd van de schepenen niet geëischt. Men oordeelde eenvoudig volgens "costumen" van wetten, d.w.z. volgens bestaande overgeleverde normen of rechtsgewoonten, binnen de heerlijkheid gebruikelijk.
In moeilijk te beslissen gevallen riep de schepenbank de hulp in van andere schepenbanken ("hoofdvonnis halen" of "ten hoofde gaan") Of men ging te rade bij een bekwaam rechtsgeleerde of advocaat.

De hooge justitie, d.w.z. de rechtspraak in voorname zaken, zooals doodslag, kwam toe aan de hoogschout en aan de schepenbank van de hoofdplaats van het gewest.
Ten aanzien van de wetgevende taak van de schepenbank het volgende. Door Hertog Jan III van Brabant werd o.a. aan den schout verlof verleend om met schepenen strafverordeningen te maken, onder de benaming “eenige pennen ofte amande welcke men gemeentelijck keuren noemdt”. Deze keuren bleven slechts één jaar van kracht. Dit kwam omdat ieder jaar een nieuw schepencollege het oude verving. Wel konden dezelfde schepenen gedurende meerdere jaren gehandhaafd blijven. Dit nam echter niet weg, dat het nieuwe college niets gemeen had met het vorige en keuren opnieuw moesten worden vastgesteld en afgekondigd.
De schepenen hadden ook het recht belastingverordeningen te maken en zoogenaamde dorpslasten te heffen. De dorpslasten ook “vrijheidslasten” genaamd, waren te onderscheiden in personeele en reële lasten. De personeele lasten werden naar het getal, inwoners per gezin, de reële lasten naar de grootte der grondeigendommen berekend. Naast de keuren of jaargeboden ontstaan langzamerhand ook strafbepalingen met langere tijdsduur.
De schepenen hielden verder toezicht op de ambtenaren en het voeren van de schouw over de wegen en waterloopen, alsmede de brandschouw.
 Naast de schepenen traden bij sommige gelegenheden de "gezworene" als ambtenaren op. Zij hadden tot taak keuren te maken voor, en toezicht te houden op, de "gemeinten"en "vroenten", welke door den hertog of heer aan de naburen waren uitgegeven. Hun aantal was meestal ook op zeven bepaald.

Vanaf de tweede helft der 17e eeuw kwam ook aan de "borgemeesters" een bestuurstaak toe. Aanvankelijk twee, sedert het laatste jaar der 18e eeuw één in getal.
Hun taak was het innen der lands- en vrijheidslasten en waren dus feitelijk belastingambtenaren en was, in vergelijking met het ambt der schepenen hun taak een tamelijk ondergeschikte. Gekozen uit de schepenen, waren zij gewoonlijk ter vergadering van het gemeentebestuur aanwezig. De schepenen traden op als ordonnateurs voor het doen van betalingen.
Ten tijde van de Staten-Generaal zwoeren de borgemeesters: “dat sij allen die comtoir- ende schepenen ordonnantiën ende andersints sullen voldoen ende betaelen sonder dat de gemeente, daardoor eenige schaede ofte intresse sal comen te lijden".
Jaarlijks deden zij aan het einde van hun zittingstijd van hun administratie aan drossaard en schepenen rekening en verantwoording (borgemeesters- of dorpsrekeningen).
Was iemand tot borgemeester gekozen, dan had hij zijn ambt eenvoudig te aanvaarden en was weigering niet geoorloofd. Het was een publieke plicht de benoeming te aanvaarden. De benoemde kon slechts op grond van 60-jarige leeftijd of ziekelijkheid hiervan verschoond blijven.

In de Heerlijkheid Lith werden na het jaar 1770 en in Lithoijen na 1761 geen borgemeesters meer benoemd. Het innen der lands- en vrijheidslasten werd toen opgedragen aan een collecteur.

Onder de landslasten werden verstaan; de verpondingen, de koningsbede en gemeene middelen. De gemeene middelen bestonden in afzonderlijke belastingen op hoornegeld en besayde mergen, slacht, bieren, wijnen en brandewijn, hoofdgeld, k1eine specien en personele quotisatie. Inzake het bestuur der gemeente werden de schepenen geholpen door een klerk of secretaris.
Zijn werkzaamheden als "dorpsschrijver" d.w.z. als gemeentesecretaris, waren omschreven o.a. in het reglement der Staten-Generaal op het stuk der salarissen der respectieve secretarissen in de Meijerij van ‘s-Hertogenbosch d.d. 20 September 1724. De zelfstandigheid van den secretaris was in de praktijk zeer groot. Min of meer onafhankelijk administreerde hij zaken, welke niet uitdrukkelijk aan schepenen waren opgedragen en voerde hij het financieele beheer der secretarie. Hij was persoonlijk verantwoordelijk voor de leges en landebelastingen, welke, naar aanleiding van gerechtelijke handelingen of overlijden, verschuldigd waren.
Verder had de secretaris bij te wonen alle vergaderingen van het gemeentabestuur, op te stellen de resolutien en die te publiceeren, de dorpscohieren van ordinaire- en extraordinaire reële en personeele lasten af te geven van den borgemeester, het opstellen der vrijheidsrekening in te schrijven de celen der publieke verkopingen en aanbestedingen, in te schrijven alles wat de rechtelijke aangelegenheden in de gemeente betreft, te registreeren de patenten, enz.

De vorsters (na 1810 veldwachters genoemd) werden benoemd door den kwartierschout. Zij legden, ingevolge instructie voor de vorsters in de Meijerij van Noordbrabant d.d. 4 April 1569, ten overstaan van schepenen en verder ook in handen van den Rentmeester-Generaal der Domeinen den eed af. Hun taak bestond voornamelijk uit het verrichten van Insinuaties, beslagleggingen, politie- en bodediensten, zoowel voor den hertog of heer als de regeerders der vrijheid.

Behalve door de vorsters, werden ook politiediensten verricht door de burgers in de verschillende hoeken der gemeente, n.l. door de z.g. nachtwakers.
Aan het hoofd van de nachtwacht word aangesteld een officier en in iedere hoek der gemeente (roth) een rothmeester. Te Lith werd in de vergadering der schepenen van 20 September 1717, op verzoek van den predikant, daar verschillende malen des nachts in zijn huis was ingebroken, besloten: “dat allen nagten uyt ieder roth sal op den wagt moeten trecken, voorsien met snaphaan, oft ander bequaam geweer, twee man bequame en sufficante personen, waarvan de helft sal blijven in ‘t raadthuys en de andere helft ter patrouille te gaan, op alle vagebonden en stroopers, ens. en bij nagt hemant op straat vindende, die gedefameert is oft niet bekent bij de ingesetenen, aan te houden en in ‘t raadhuys te brengen, om als dan te examineeren naar behooren, en waarbij desen allen de ingesetenen geordonneert op de commando van den rothmeester op de wacht te trekken, en order bij den officier savonts af te halen ende bij gebreke oft onwilligheyt van te compareeren, sal de drossaart van de onwillige eysschen bij parate executie eene gulden tien stuiver, welke peene als dan executabel wordt verklaart".

Ingevolge artikel 13 van het door de Staten-Generaal op I April 1660 geëmaneerde "Reglement op de Politique Reformatie van ‘s-Hertogenbosch" werden bij voorkeur Hervormden als ambtenaren aangesteld. Zoo werd op 2 Augustus 1794 te Lith besloten, “dat F. van der Borght, Roomsgezind, zal vermogen schepen te blijven tot tijd en wijlen er genoegzame stof van Gereformeerden voorhanden is, om dezelve te replaceeren".

De vorm van het gemeentelijk bestuur, als boven omschreven, bleef tot het einde der 18e eeuw.
Toen volgden de jaren der z.g. "heuchelijke alliantie tusschen deeze Republiek en die van de Fransche Natie".

De Franschen trokken begin 1795 ons land binnen en de stadhouder stak naar Engeland over. Na zijn vertrek begon de verandering van de oude Staatsregeling. Ingevolge het bekende manifest der Fransche Volksvertegenwoordigers aan de Bataven, gedateerd 1 pluviose 3e jaar, der ééne en onverdeelbare Fransche Republiek (2e Januari 1795) en de resolutie van 16 Februari 1795, waarbij de Staten-Generaal de volledige oppermacht van het Bataafsche Volk had moeten erkennen, waren automatisch komen te vervallen alle vroegere verplichtingen bij eede of op andere wijze aan welken Souverein ook gedaan.
De gebeurtenissen van het jaar 1795, welke aan Braband onafhankelijkheid van de Staten-Generaal en gelijkgerechtigheid met de overige gewesten der Republiek bezorgden, brachten administratief gesproken weinig veranderingen.
De belangrijkste wijziging was de aanstelling der schepenen, die voortaan door het volk werden gekozen en dus in plaats van de hertogelijke ambtenaren, volksvertegenwoordigers werden. Er kwam tot stand een "Provisionele volkspresentatie" overeenkomende met de geproclameerde onafhankelijkheid van mensch en burger.
Ook de katholieken kunnen sinds de omwenteling de verschillende gemeentebetrekkingen waarnemen, want "allen zijn gelijk voor de wet en benoembaar tot alle openbare waardigheden zonder eenig onderscheid dan dat hunner deugden en bekwaamheden”.

De rechterlijke functie der schepenen, van ouds uit naam van den hertog uitgeoefend, was in strijd met de verkiezing der schepenen door stemgerechtigde burgers. Derhalve werd op 22 Maart 1803 in het “Reglement en bepaling op het justitie-wezen in het Departement Brabant" bepaald, dat de leden der civiele rechtbanken benoemd zouden worden door het Departementaal Bestuur, dat evenwel alleen in geval van noodzakelijkheid anderen zou mogen kiezen dan de leden der gemeentebesturen. Verder werd bij hetzelfde reglement de criminele rechtspraak der geheele Meijerij aan een nieuw opgericht lichaam, n.l. de "Hooge Vierschaar" opgedragen.
Het nieuwe Regeeringsreglement ingevoerd, ingevolge besluit van het Staatsbewind d.d. 4 April 1803, no. 27, had een nieuwen titularis in het gemeentebestuur gebracht, n.1. den schout-civiel, door het Departementaal Bestuur te benoemen.
De gemeenten waren ‘t met die benoeming van den schout-civiel niet eens, want ingevolge de instructie voor de Schouten-civiel binnen het Departement zou de nieuwe functionaris een bezoldiging genieten, die de gemeenten moesten opbrengen. Daarenboven zagen de gemeentebesturen zich gekort in de hun nog toekomende civiele rechtspraak, die voortaan feitelijk alleen bij den schout-civiel berustte.
Het geharrewar om de rechterlijke macht bleef voortduren tot de decreten van Keizer Napoleon hieraan een einde maakten.
Nadat in de zomer van 1810 het land ten Zuiden van de Waal bij Frankrijk was ingelijfd, benoemde de Prefect van het “Departement des Bouches de Rhin" de "autorités municipales" en kregen ook Lith, Lithoijen en Oijen een maire (burgemeester), een adjoint-maire (hulp van de burgemeester bij het bestuur) en een municipalen raad van 7 leden. Als openbare beambten in het Fransche Keizerrijk waren zij verplicht bij het aanvaarden hunner functies te zweren: "Ju jure obéissance aux constitutions de “empereur" of zooals de Hollandsche tekst luidde: "Ik zweere gehoorzaamheid aan de constitutie van het Keizerrijk en getrouwheid aan den Keizer".
Maire en adjoint-maire beschikten samen nagenoeg over alle macht. De maire stond aan het hoofd van de municipaliteit en benoemde zelfs den secretaris.

De grootheid van het Fransche Keizerrijk in Holland duurde echter niet lang. Op 30 November 1813 landde de Prins van Oranje, de toekomstige Koning Willem I te Scheveningen.
Bij Souverein-besluit van 15 December 1813 werden de Zuidelijke deelen van ons land links van de Rijn tot den Staat der Nederlanden, als van ouds, vereenigd verklaard.
De administratie provisioneel werd ongewijzigd gelaten, alleen heette de maire vanaf 1 Januari 1914 burgemeester en verviel de adjoint-maire, Ingevolge het Reglement op het bestuur ter platten lande in de provincie Noordbrabant d.d. 8 Mei 1819, een uitvloeisel der Grondwet van 29 Maart 1814 en van 24 Augustus 1815 werden de gemeenten Lith, Lithoijen en Oijen ingedeeld bij het tweede districtsambt te Boxtel.

Het gemeentebestuur werd gevormd door een schout, door den Koning gekozen, twee assessoren, door Gedeputeerde Staten daartoe gecommitteerd en een raad, door de Staten uit een voordracht van schout en raad te kiezen.

De schout was belast met de uitvoering van alle wetten e.d. en had de superintendentie over alle plaatselijke ambtenaren.
Tevens maakte hij sedert 1821 de acten van den burgerlijken stand op.

De raad der gemeente (schout en raden) beraamden de begrootingen, nam de rekening en de verantwoording der plaatselijke finantiën en van het burgerlijk armbestuur op en maakte alle keuren, reglementen e.a. verordeningen betreffende de huishouding der gemeente.

De secretaris werd door de Staten uit een voordracht van den gemeenteschout en den gemeenteraad gekozen en voerde de administratie en hield notulen van de raadsvergaderingen.

Bij Koninklijk Besluit van 23 Juli 1825, no. 132, werd een nieuw reglement op het bestuur ten platten lande vastgesteld, waarbij de gemeenten eveneens in districten werden ingedeeld.
Bij genoemd reglement werd het bestuur der gemeente samengesteld uit een burgemeester, twee assessoren en een gemeenteraad, bestaande uit zeven leden.
De burgemeester werd benoemd door den Koning en was ambtshalve lid van den gemeenteraad. De assessoren werden benoemd door den Gouverneur in de Provincie uit de aanwezige leden van den gemeenteraad, terwijl de benoeming van de leden van den gemeenteraad geschiedde door de Provinciale Staten, het plaatselijk bestuur gehoord.
Alle benoemingen geschiedden voor een tijd van zes jaar, terwijl om de twee jaar een derde der raadsleden zou aftreden, zóó echter, dat zij telkens herkiesbaar waren.
De secretaris werd door den Koning benoemd; de plaatselijke ontvanger door de Staten.

De Grondwet van 3 November 1848 eischte een wet, regelende de samenstelling, inrichting en bevoegdheid der gemeentebesturen. Deze wet kwam tot stand op 29 Juni 1851.

Hiermede zijn we aan het heden gekomen, want op 1 Januari 1939, tot welk tijdstip dit overzicht zich uitstrekt, geldt deze wet nog, behoudens eenige wijzigingen.
Ingevolge artikel 1 dier wet bestaat het bestuur van elke gemeente uit een raad, een college van burgemeester en wethouders en een burgemeester.
De Grondwet verklaart uitdrukkelijk den raad tot hoofd der gemeente. De leden van den Raad worden rechtstreeks op den grondslag der evenredige vertegenwoordiging, voor den tijd van vier jaar door de kiezers gekozen. Het getal leden van den raad houdt verband met het bevolkingscijfer der gemeente. Aan hem is de regeling van het bestuur van de huishouding der gemeente overgelaten.
Het college van Burgemeester en wethouders bestaat uit den burgemeester als voorzitter, met beslissende stem, en ten minste twee door den raad voor vier jaren uit hun midden gekozen wethouders.
Het derde bestuursorgaan van de gemeente is de burgemeester, wordt door de Kroon voor den tijd van zes jaren benoemd en kan door Haar ten allen tijde worden ontslagen.

Met betrekking tot eigen huishouding der gemeente (autonomie) is de competentie-verdeling tusschen deze organen aldus, dat aan de raad alle bevoegdheid toekomst, die niet bij de wet aan den burgemeester of aan burgemeester en wethouders is opgedragen.
Naast de zorg voor de uitvoering van de raadsbesluiten en voor de feitelijke naleving van de verordeningen van den raad, is aan burgemeester en wethouders in verschillende gevallen de bevoegdheid tot het zelfstandig verrichten 'van bestuurshandelingen rechtstreeks bij de wet toe-
gekend, terwijl artikel 212 (1931) den raad in enkele gevallen machtigt het verrichten van bepaalde bestuurshandelingen aan burgemeester en wethouders over te dragen. De leden van het college van burgemeester en wethouders zijn, ieder afzonderlijk en tezamen voor het door het college gevoerd bestuur van de huishouding der gemeente aan den raad verantwoording verschuldigd.
De burgemeester behoort tot de categorie van ambtenaren, die alleen wat benoeming en ontslag betreft van het centraal gezag afhankelijk zijn. Hij neemt geen plaats in binnen het kader van het hiërarchische Rijksambtenarenverband, bezit geen instructie en verricht dus ook de hem als gemeente-orgaan opgedragen taak naar eigen inzicht, zonder daarbij aan de bevelen van Kroon of Ministers te zijn onderworpen. Als voorzitter van den Raad en van burgemeester en wethouders is de burgemeester belast met de uitvoering van hun besluiten. Hiermede wordt bedoeld de mechanische uitvoering, de exécution active, tegenover de organische uitvoering, de exécution délibérative, die aan burgemeester en wethouders behoort.
Voorts vertegenwoordigt de burgemeester de gemeente in alle rechtsgedingen en bij alle buitengerechterlijke rechtshandelingen, die voor haar moeten worden gedaan.
Ook de ambtenaren van de gemeentepolitie en de veldwachters staan onder de bevelen van den burgemeester. Ingeval van oproerige beweging, samenscholing of andere stoornis van de openbare orde of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan heeft hij bijzondere bevoegdheden.

De genoemde drie bestuursorganen der gemeente zijn tevens organen van zelfbestuur. Wordt het gemeentebestuur tot medewerking aan de uitvoering van hoogere wetgeving geroepen, dan geschiedt dit door burgemeester en wethouders voorzoover niet de medewerking bepaaldelijk van den raad of van den burgemeester wordt gevorderd. Is de raad uitdrukkelijk tot medewerking geroepen en weigert deze, dan voorzien burgemeester en wethouders daarin.
Zorgen burgemeester en wethouders of de burgemeester niet of niet behoorlijk voor de hun opgedragen uitvoering, dan kan de Commissaris der Koningin ten koste van de nalatigen in de uitvoering voorzien. Verder is de gemeente-ontvanger, door den raad benoemd, belast met de invordering van alle inkomsten en ontvangsten en met het doen van alle betalingen uit de gemeentekas.
Ten slotte zij nog vermeld, dat de raad, burgemeester en wethouders en de burgemeester worden bijgestaan door den gemeente-secretaris, wiens instructie door den raad wordt vastgesteld.


DE WERKEN TOT VERBETERING VAN DE MAAS BIJ LITH

Een zeer belangrijk en hoogst interessant werk is door den Rijkswaterstaat uitgevoerd langs de Oostelijke en Noordelijke grens van de provincie Noord-Brabant, n.l. het bekende millioenenplan tot verbetering van de rivier de Maas voor grootere afvoer en het geschikt maken van deze rivier voor de scheepvaart.
Destijds had Dr. Ir. Lely voor dit doel een grootsch plan gemaakt, dat echter om willen der kosten moest worden herzien en beperkt. Het beperkte plan is uitgevoerd en werd in 1936 voltooid.

Iedere Brabander kent de geschiedenis van de beruchte "grillige" Maas en met name het drama van de Beersche Maas staat gegrift in de harten van duizenden Maaskanters.
De oorzaak van de overstrooming lag hierin, dat de betrekkelijk smalle
rivierbedding den grooten watertoevoer van de bovenloop niet kon verwerken, mede niet, omdat de rivier op hare weg naar zee ontelbare scherpe bochten maakte, die den loop van het water vertraagden. Dijkdoorbraken waren het gevolg.

Men beschouwde het als een min of meer normale overstrooming, wanneer de Maas, op een peil van 10.80 M. gekomen, uit hare bedding trad en bij Beers het land inging om bij ‘s-Hertogenbosch opnieuw in de bedijking te geraken.
Toch beteekende de overstrooming een ontzaggelijke schadepost en dat de gronden er niet beter door werden is indertijd aangetoond door het bekende rapport, dat Prof. van Vuuren uitbracht aan de Kamers van Koophandel. Deze overstroomingen waren grootendeels de oorzaak, dat de traverse van de Beersche Maas voor den landbouwstand geen florissant bedrijf bood.
Terecht werd uitgezien naar verbetering. Het waterschap "De Maaskant" werkte daaraan krachtig mede door kanalisatiewerken, door den bouw van zware gemalen en andere werken tot watervrijmaking van de streek. Het voornaamste resultaat was echter alleen te verkrijgen door de rivier voor groote afvoeren geschikt te maken, want de taak van de gemalen is immers een repressieve. Zaak was echter de oorzaak van de overstroomingen weg te nemen. Tot dit doel werd het Maasverbeteringsplan van Dr. Ir. Lely ontworpen: het afsnijden van de aller ergste bochten en het verbreeden en verdiepen van het rivierbed.
Bevorens hieraan te beginnen, werd de Maas "gekanaliseerd" tot de stuw bij Grave. Dit werk werd door de voltooiing van de stuwbrug in 1927 beëindigd.
Het tweede deel van het plan: het verbreeden en verdiepen van het rivierbed, waardoor dit geschikt werd voor de groote afvoeren, made door het afsnijden van de scherpste bochten. De uitvoering dezer werken was opgedragen aan de ingenieurs J.H. de Vries, H. van de Veen en P.P.H. Janssen, allen van Nijmegen.
Bereikt moest worden, dat het aangevoerde water, door niets gestuit, met groote snelheid naar zee werd gevoerd. Dit zou in periodes van hoog water een onschatbaar voordeel zijn, maar het veranderde in een groot nadeel, wanneer men droge zomers had en van boven af weinig water werd aangebracht. In droge zomers droogde de Maas op tot een zeer klein riviertje. Dit was niet alleen lastig voor de scheepvaart, die dan geheel werd stil gelegd, maar bovendien werden de omliggende landerijen totaal uitgedroogd, zoo erg, dat de boeren geweldig diepe putten moesten graven om drinkwater voor het vee te vinden. Het gras verdorde dan tot hooi op het land en er zijn wel eens tijden geweest, dat er zelfs gebrek aan veevoeder(gras) was.
Bracht de Maas dus in de winter ellende en narigheid door de schrikkelijke overstroomingen, in droge zomers was er juist gebrek aan water. Moesten dus eenerzijds maatregelen genomen worden om de water-afvoer te bevorderen, anderzijds moest die afvoer weer worden gestagneerd. Het is de stuw bij Grave en die bij Lith, die tot taak hebben in zulke droge periodes het water op te houden. Deze kostbare werken waren niet nodig geweest, indien de Maas ook des zomers voldoende water bevatte. Het was zo erg met de zomersche lage waterstanden, dat, alvorens de verbreding en verdieping kon worden aangevat, eerst de stuwen gebouwd moesten worden daar anders de waterstand te laag was om zandzuigers en baggermolens gelegenheid te bieden op te varen. In 1927 werd Grave voltooid, in 1936 volgde Lith.
De stuw is voornamelijk noodig terwille van de scheepvaart. Immers voor bevloeiing van de polders had met normale kleinere maatregelen voldoende hulp gebracht kunnen worden.
Door de stuw bij Lith kan het water tot een peil van 5.80 plus N.A.P. worden opgevoerd en wordt daardoor de rivier bevaarbaar voor schepen van 2000 ton.

De stuw bij Lith kostte de regeering het peulenschilletje van zeshonderd en vijftig duizend gulden, zooals gezegd voornamelijk voor de scheepvaart. Het was vriendelijk van de regeering, dat zij onze binnenschippers daarvoor geen cent terugvorderde, noch in de betekenis van stuwgeld, noch anderszins.

De stuw is mede een schitterend staal van Nederlandsch kunnen op waterstaatkundig gebied. Meer dan twintig meter hoog verheffen zich de gigantische betonnen heftorens boven het vlakke land. In deze torens zijn de electrische hijsinrichtingen gemonteerd, die de drie zoogenaamde stuwkleppen van elk 275.000 kg. opheffen boven het watervlak of tot op den bodem der rivier laten dalen.
Dat zulk een dam een ontzaggelijken druk van het water heeft te doorstaan, laat zich begrijpen. De stuw is daarom in drie gelijke deelen gesplitst, die afzonderlijk worden bediend. Dit is mede bevorderlijk voor een verfijnde regeling van den waterstand, die men zoodoende tot elk peil kan beheerschen.
De rivier wordt dus door een stalen muur afgedamd. Het water kan niet meer verder en loopt dus op zoolang er toevoer blijft en zoolang de stand natuurlijk niet zoodanig wordt, dat er gevaar ontstaat voor de dijken. Dit alles is natuurlijk uitvoerig bezien en berekend en het water wordt dus slechts zooveel opgehouden als dienstbaar is voor de scheepvaart en bevloeiing der landerijen.

We merkten reeds op, dat in de natte periodes de stuw overbodig is. De electrische kranen heffen dan de stalen k1appen omhoog en tillen haar zoo hoog boven het wateroppervlak totdat de schepen er onder door kunnen varen.
In gesloten toestand maken de schepen gebruik van de naast de stuw gelegen schutsluis.
De bouw van de stuw werd begonnen in 1934. Zij is uitgevoerd door Nederlandse ingenieurs en Nederlandsche aannemers.
De grondwerken werden in werkverschaffing uitgevoerd en een 2000 arbeiders vonden hier langen tijd een behoorlijke arbeidsgelegenheid. De stuw is een der belangrijkste werken uit het groote plan van Dr. Ir. Lely en is einde 1936 gereed gekomen.