Romeijnders Genealogie

                                                                                                                                                                                                                  

 

 

 

 

            Geschiedenis Alem.

 

 

In het BRABANTS HEEM van 1979 jaargang 31 en 1980 jaargang 32 kwam ik het volgende verhaal tegen over Alem.

 DE HEERLIJKHEID, DE KERK EN DE MAASDIJK VAN ALEM

Een der oudste woonplaatsen in Maasland is het dorpje Alem of Aleheim
zoals het oorspronkelijk werd genoemd. Het heeft een lange geschiedenis
waaruit tal van merkwaardige bijzonderheden tevoorschijn komen uit oude
oorkonden en archieven. Eeuwenlang heeft het onder de abdij van Sint-
Truyen in België gestaan, die daar de heerlijke rechten, de tienden en de
visserij en ook het veer bezat. Vroeger lag Alem aan de Brabantse kant van de
Maas in de Meierij van Den Bosch, tegenover Rossum, dat rond het jaar 1000
nog Rotheim heette.
Op de kaart van 1865 in de gemeente-atlas van J. Kuyper, ligt Alem in een
bocht van de Maas. Het is dan een dorp dat 2631 bunder land beslaat en 1175
inwoners telt. Aan de vele wielen en de bij-armen van de Maas daar ter
plaatse kan men zien dat de bedding van die rivier wel eens anders heeft
gelopen en dat het Maaswater meermalen een aanval heeft gedaan op het
grondgebied van het dorp. Ook is daarop te zien dat er aangewonnen of
aangewassen land werd ingedijkt; kortom, men kan aan die kaart heel wat
momenten uit het verleden van Alem aflezen. Dat is echter meer het werk
van een „waterstaatkundige"; ik zal hier buigen over wat uit oude
bewaard gebleven perkamenten en andere papieren over Alem valt te
verhalen.
Het oude woord heim of heem duidde een nederzetting of woonoord aan.
Het is van Germaanse oorsprong en het moeten Germaanse stammen
geweest zijn die dergelijke plaatsen gesticht hebben. Ten onzent was het
voornamelijk de stam van de Salische Franken, die zich rond het jaar 250 aan
onze rivieren vestigde, welke Franken kort daarna van de Romeinse keizer
verlof kregen ook ten zuiden en ten westen van de Rijn te wonen. Deze
Franken zullen het geweest zijn die Alem gebouwd hebben op een zandige
hoogte aan de Maas, daar waar deze rivier de Waal of Rijn het dichtst
benadert. Die beide rivieren waren al in de Romeinse tijd de kanalen van de
handel met Rome en zelfs met Byzantium en zodra het Merovingisch en later
het Duitse rijk aan macht en aanzien wint, ook met de Duitse steden en met
Frankrijk. Reeds in de vroegste tijd van het Duitse rijk is het naburige Tiel
een woonplaats van kooplieden, die daar al vroeg een koopmansgilde
vormden. Allen weten we dat ten tijde van Karel de Grote, die in 800 door de
Paus tot keizer werd gekroond, Nijmegen een rijksstad was en dat de keizer
daar zijn paleis of „palts" had. Achterlijk kunnen de plaatsen die zó dicht bij
deze centra aan de rivier lagen in die tijd niet geweest zijn.
Ook moet om diezelfde reden het Christendom hier al vroeg zijn doorgedrongen.
Doorgaans heeft men het dan over de H. Willibrordus als apostel
van Nederland, maar deze heeft, alle „Willibrordusputjes" ten spijt, zeker
voornamelijk boven de grote rivieren gewerkt. Onze streken hebben vast
het meest te danken gehad aan heiligen als Lambertus, bisschop van
Maastricht, en zijn opvolger Hubertus. Van Lambertus zegt men zelfs dat
hij te Lith werd geboren en dat hij dit dorp aan de kerk van Luik heeft
gebracht. Zeker is dat van „oeroude" tijden, zoals dat heet, het Sint-
Lambertskapittel van Luik de heerlijkheid van Lith bezat.
De oudste kerk van Alem was toegewijd aan de H. Hubertus, die in 709 na de
marteldood van Lambertus, diens opvolger en tevens de eerste bisschop van
Luik werd, omdat hij daarheen de bisschopszetel van Maastricht had
overgebracht.
Een andere heilige die misschien op zijn missiereizen ook onze streken
bezocht was de H. Trudo. Aalburg in het land van Heusden en Stiphout en
Strijp in de Meierij hadden kerken die aan de H. Trudo waren toegewijd.
Deze heilige Trudo was het die rond het jaar 650 bij het Belgische plaatsje
Sint-Truyen een abdij van Benedictijnen stichtte, welke stad haar naam aan
die heilige te danken heeft. Al heel vroeg bezat die abdij van St.-Truyen ook
in de reeds genoemde plaatsen goederen, zoals ons onder meer bekend is uit
de oorkonden van de schenkingen die bewaard zijn gebleven.
Gewoonlijk hadden deze abdijen in die dagen machtige beschermheren, die
„voogden" genoemd werden, die eventueel met de sterke arm de monniken
en hun goederen bescherming konden bieden. Zo waren de graven van Duras,
een klein plaatsje vlak bij Sint-Truyen gelegen, de beschermheren van die
abdij. Natuurlijk hebben die beschermheren ook nu en dan schenkingen aan
de abdij gedaan, al was het maar opdat de monniken voor hun zielerust
zouden bidden.
In het jaar 1146 heeft Otto, graaf van Duras, zijn goederen in Alem aan die
abdij van St.-Truyen geschonken. Daarbij behoorden de heerlijke rechten in
Alem en de tienden. De graven van Duras moeten dus reeds voor die tijd
heren van Alem geweest zijn. Die goederen waren namelijk zijn „allodium"
hetgeen betekent dat ze vrij goed waren zonder enige verplichting aan wie dan
ook.
Aanvankelijk gaf die schenking van graaf Otto kort na zijn dood enige
moeilijkheden, omdat een neef van de graaf, een zekere Arnulf, zich niet bij
die schenking wilde neerleggen. Aan dat feit hebben wij een aantal
oorkonden te danken die in het oude archief van de vroegere abdij van
St.-Truyen bewaard werden. Dat archief bevindt zich nu in het Rijksarchief
van Hasselt in Belgisch Limburg. Toen de Generale Staten der Zeven
Provinciën zich later wilden meester maken van die goederen en rechten van
de abdij in Alem, zijn deze oude bewijsstukken voor de dag moeten komen.
De correspondentie hierover en een groot aantal stukken over allerlei
kwesties die met Alem verband hielden, bevinden zich in genoemd archief en
worden er bewaard in een bundel bijeengebonden onder Inventaris nr. 6726.
Reeds ten tijde van graaf Otto van Duras moet aan de kerk van Alem een
„proosdij" verbonden zijn geweest. Zo'n proosdij bestond uit een klein
aantal mannen soms monniken, die werkzaam waren ten bate van de kerk en
het geestelijk leven. Zij gaven onderricht en baden het heilig officie of het
koorgebed. Later werd een dergelijke vereniging van monniken of lekebroeders
een „kapittel" genoemd. Die mannen stonden onder de leiding van
een „proost", welk woord eigenlijk „voorzitter", „voorste" of „overste"
betekent. Ze woonden bijeen zodat hun leven eigenlijk veel weg had van het
kloosterleven, alleen behoefden ze, behalve dan de proost, geen priester of
monnik te zijn en geen bepaalde regel te volgen. In Alem bewoonde deze
groep een stenen huis, dat de „proosdij" of de „monnikenhof' genoemd
werd. In een getuigenis van later jaren wordt gezegd dat het inkomen van die
proosdij, waarvan men daar leefde in de loop der eeuwen sterk was
verminderd; dat in vroeger dagen ,,zeven heren" daarvan konden leven.
Misschien mogen we daaruit afleiden dat de proosdij in Alem oorspronkelijk
uit zeven man bestond.
Die proosdij of kapittel te Alem was opgericht ter ere van de H. Odrada.
Odrada was een heilige jonkvrouw, geboren te Balen in België in het gehucht
Scheps, dat aldaar nog bestaat. Ook daar in de buurt was reeds zeer vroeg een
Benedictijner abdij. Het patronaatsrecht van de kerk van Balen werd reeds in
1266 door Klaas van Olmen gegeven aan de abdij van Averbode. Odrada
heeft dus geleefd in dezelfde streek waar ook de graven van Duras gevestigd
waren. Haar leven was het leven van een heilige jonkvrouw, zoals er in de
middeleeuwen in onze streken meer geweest zijn, evenals de H. Oda naar wie
Sint-Oedenrode genoemd is en zoals de H. Dimphna wier weldadig arbeids-
terrein in de buurt van het Belgische Geel heeft gelegen. Het leven dus
van een jonge vrouw die overal troost, hulp en opbeuring bracht, zoals er
trouwens vele geweest zullen zijn, al waren het niet allemaal koningsdochters
en al werden ze niet alle heilig of zalig verklaard. De heilige
Odrada was ook te Alem begraven. Vermeld wordt dat haar lichaam de
eeuwen door intact was gebleven totdat het omwille van de geloofsvervolging
ten tijde van de hervorming naar elders moest worden getransporteerd.
Het getijdenboek van het kapittel van Alem is bewaard gebleven. Het is een
fraai en kostbaar manuscript van 166 perkamenten vellen dat wil zeggen 332
bladzijden. In dat boek staat ook het officie van St.-Odrada, zoals dat te Alem
in de kerk werd gebeden. L. Schutjes, de schrijver van de Geschiedenis van
het Bisdom van 's-Hertogenbosch heeft dat boekwerk tot zijn verbazing
aangetroffen in het archief van de Sint-Pieterskerk te Den Bosch. Uit dat
officie kan men ook de bijzonderheden over haar leven vernemen. Onder
meer dat zij wilde dat haar lijk na haar dood in een uitgeholde wilgestam op
een kar zou worden gelegd, die werd getrokken door een stel ongebreidelde
ossen. Daar waar de ossekar haar lichaam zou brengen wilde zij begraven
worden. Tegen het slaghek van het dorp Alem aan de oever van de Maas is die
kar tot stilstand gekomen en daar werd zij door graaf Otto van Duras, heer
van Alem, begraven. Daar ook heeft hij in plaats van de kerk van de
H. Hubertus ter ere van Odrada een nieuwe kerk gebouwd.
Wat men van deze legende nu ook met een korreltje zout zal willen nemen,
zeker is dat het lichaam van Odrada eeuwenlang in de kerk van Alem heeft
berust. Toen het daar niet langer veilig was werd het eerst naar het klooster
der Carthuizers in Vught gebracht en vandaar naar Antwerpen. De Bossche
bisschop Zoesius heeft toen haar relikwieën verdeeld over verschillende
kerken. In de eerste plaats aan haar geboortedorp Balen en ook aan de kerk
van Macharen. Dat had tot gevolg dat de parochianen van Alem, toen hun
dorp weer hersteld was, in bedevaart naar Macharen gingen om daar hun
beschermheilige te vereren.
In het Bossche bisdom werd de feestdag van de H. Odrada jaarlijks gevierd op
5 november, maar te Alem vierde men haar feestdag op 3 november, de
feestdag van de H. Hubertus, de oude patroon van de dorpskerk, terwijl die
heilige naar de 5e november werd verschoven. Vermeldenswaard is nog dat
in een oorkonde van het jaar 1212, waarbij Dirck van Altena een hoeve in
Bladel, onder Hulsel overdraagt, gezegd wordt dat op die hoeve de
verplichting berust tot een jaarlijkse betaling aan de kerk van St.-Odrada te
Alem.
Ook reeds in de oude kerk van Alem bezat de abdij van Sint-Truyen rechten.
Namelijk het recht om daar de dienstdoende geestelijke ter benoeming voor
te dragen. Zeker is ook dat de kerk die de graaf van Duras te Alem heeft laten
bouwen een zeer oude kerk was. Want nadat in 1586 de Maasdijk bij Alem
door de geuzenbenden was doorgestoken, bij welke gelegenheid vrijwel het
gehele dorp te gronde ging en ook de kerk een ruïne werd, kwam later bij
herbouw van de kerk in het bouwcontract te staan dat de metselaars de
duifsteen of tufsteen die zij in de ruïne van de kerk en op het kerkhof zouden
vinden en die zij niet zouden gebruiken bij de herbouw, op de aanneemsom
in mindering moesten brengen. Zoals bekend, wijst het gebruik van tufsteen
in onze streken op een bouwwerk uit een zeer ver verleden, tot zelfs in de 10e
eeuw.
In die oude kerk van Alem bestonden naast het hoofdaltaar twee andere
altaren; het ene werd het altaar van de proosdij genoemd, het andere was een
St.-Joris-altaar. In het jaar 1299 moet de bisschop van Luik regelend
optreden in een kwestie die ontstaan was over de inkomsten die toekwamen
aan de bedienaar of rector van dat altaar, een zekere Willem van Binckem, en
die welke waren voor de proost, toen een zekere Heer Gielis, monnik van
Sint-Truyen. Uit deze en andere akten blijkt dat de kerk en haar bedienaren
in Alem feitelijk onafhankelijk waren van het klooster in St.-Truyen. Dat wil
zeggen: de kerk beschikte over eigen goederen en had daaruit inkomsten, al
ontving de proost ook een toelage van de abdij en bovendien een aandeel uit
de tienden die door de abdij werden gebeurd. De fijnere details van deze
„kerkelijke zaken" zijn moeilijk te vatten, die kunnen hier beter aan
„deskundigen" worden overgelaten. Zoveel is echter wel duidelijk dat
pastoor-zijn in Alem in later tijd, en dan vooral in de 16e eeuw, het tegendeel
van weelde betekende. Men mag daarom wel diegenen prijzen die ten tijde
van de Tachtigjarige Oorlog te Alem de kerk en mensen dienden. Vooral ook
omdat men bij de lezing van getuigenissen moet constateren dat degene die
als „proost" vermeld staat, in die bange jaren te 's-Hertogenbosch ofte Oss
woonde, en het pastorale werk in Alem overliet aan plaatsvervangers.
Ook dat hield uiteraard op toen bij het doorsteken van de Maasdijk in
1586 alles in het water verdween.

In het jaar 1568 werd bij Alem de hoge Maasdijk doorgestoken. We zaten
toen in de 80-jarige oorlog. Nog maar al te weinig is bekend hoezeer de Meierij
van Den Bosch en daaronder niet het minst de rivierdorpen van Maasland onder
die 80-jarige oorlog hebben geleden. Die oorlog begon in 1568 en heeft geduurd
tot de vrede van Munster in 1648. Niet steeds werd die oorlog tegen
Spanje in alle hevigheid gevoerd en niet steeds in dezelfde streek. Zelfs was er
een tijd van betrekkelijke rust ten tijde van het twaalfjarig bestand. Maar vanaf
het begin en vooral tussen de jaren van 1585 en 1595 waren onze streken het
toneel van de strijd. Toen lag in de omtrek van Den Bosch het Spaanse leger,
terwijl Hedel en de stad Grave door de Spanjaarden werden belegerd. De
laatstgenoemde stad werd in juni 1586 ingenomen.
Ter verdediging van de stad Den Bosch waren reeds in 1579 enkele dijken bij
Lithoyen en ook de Empelse dijk doorgestoken, waaronder de terreinen rond
de stad onder water kwamen te staan. Ook werd toen de Nieuwe Schans bij
Gewanden gebouwd, waarom in het jaar 1586 hevig werd gevochten. De troepen
van Leicester, die toen zoveel als de landvoogd van Holland was, lagen
destijds in de Betuwe. Bij die gelegenheid moet in dat jaar 1586 de dijk bij
Alem zijn doorgestoken.
Niet alleen van de kant van de Spaanse troepen die plunderden wanneer hun
soldij niet tijdig werd uitbetaald, maar eveneens van de rondtrekkende geuzenbenden
die een soort guerrillaoorlog voerden en vooral van benden onder
de brute en woeste graaf van Hohenlohe had de verre omtrek van de stad Den
Bosch te lijden. Deze benden waren de schrik van de dorpelingen. Ze oefenden
een ware terreur uit door roven en plunderen, door het knevelen en gijzelen
van mensen en vee en het afpersen van geld voor hun vrijlating en door bedreiging
met brandstichting.
In een brief van 13 juni 1590 schilderen de schepenen van Alem, sober maar
indrukwekkend, de miserabele toestand waarin hun dorp door die dijkbreuk
geraakt was. Hoe zij geheel berooid en van alles beroofd zijn, zodat zij door
hun armoede niet in staat zijn de dijk te repareren, die in dat jaar 1590 nog geheel
open ligt. Dat zij met vrouw en kinderen in 1586 hun dorp hebben moeten
verlaten en drie jaar lang elders hebben moeten ronddolen tot zij eindelijk in
het jaar 1589 weer naar hun dorp zijn kunnen terugkeren. Ook in dat jaar
1589 was door bijzonder hoog zomerwater en ook door de vlucht van de inwoners
van Driel die met hun vee over hun akkers trokken de oogst vrijwel geheel
mislukt. Reeds vanaf het jaar 1577 hadden zij grote rampspoed gekend. De
genoemde gebeurtenissen hebben bij hen grote armoede, miserie en verdriet
teweeggebracht. De waarheid van hun relaas wordt mede betuigd door schepenen
van Maren. Ook Maren, zo wordt gezegd, werd met alle Maasdorpen
zwaar getroffen. Er zijn dorpen in het kwartier van Maasland waar noch
kasteel noch kerk, noch huis of schuur meer overeind staat.
Maar niet alleen oorlogsgeweld heeft te Alem de dijk bedreigd, ook de Maas
zelf heeft in de loop der eeuwen bij herhaling een aanval gedaan op dorp en
dijk. Talrijk zijn de stukken in het archief van het klooster St.-Truyen die ge-
tuigen van zorgen en acties om geen grondgebied aan de Maas te verliezen.
Een der bewijzen daarvan kan men vinden in de brief waarbij de hertog van
Brabant in 1341 de „gemeynt" van Alem uitgeeft aan het dorp. De gemeente
gronden en de beschikking daarover kwamen toe aan de heer van het dorp of
de heerlijkheid. Men mag zich dus er over verbazen dat het de hertog van Brabant
is die de gemeynt van Alem aan de dorpelingen uitgift, terwijl toch de abt
van St.-Truyen de heer van de heerlijkheid was. Later blijkt dan ook dat de
hertog slechts handelt voor zijn aandeel in de heerlijkheid, en dat aandeel blijkt
dan een derde gedeelte te bedragen. Hoe en wanneer de hertog dit een derdedeel
heeft verkregen, is moeilijk te bepalen. Wel schijnt de hertog ook reeds in
1306 iets te vertellen te hebben over de windmolen in Alem, waaruit volgens de
rekening van de abt Willem van Rijckel in 1257 de abdij de inkomsten genoot.
Misschien houdt dat aandeel van de hertog eenvoudig verband met zijn beschermheerschap
als landheer. De landheer had immers de zorg zowel voor de
landsverdediging als voor de wegen en waterwegen en andere zaken van algemeen
belang. Ook polderwerken in en bij Alem konden gerekend worden te
horen onder dat algemeen belang. Die gemeynt wordt dan ook in het jaar 1341
door hertog Jan III van Brabant aan de inwoners van Alem uitgegeven op
conditie dat zij de dijken en waterlopen van die gemeynt op eigen kosten zullen
beheren en in stand houden. Daarvoor incasseert de hertog een bedrag ineens
van 30 pond „zwarten" munt van Tours en jaarlijks een erfelijke rente
van 3 pond van hetzelfde geld. Ook wordt nog bepaald dat alleen diegenen
van die gemeynt mogen profiteren die „buikvast" in Alem wonen. Ruim een
eeuw later blijkt die brief van de hertog door het Maaswater aangetast te zijn
bij gelegenheid van een overstroming. Dan, dat is circa 1470 weet de deken
van Sint-Jan in Den Bosch, Heer Jan van der Straten ten behoeve van de inwoners
van Alem te verklaren dat hij heeft kunnen constateren dat die brief
met het zegel van de hertog er aan bevestigd, die in de kerk van Alem in een
kist achter slot werd bewaard, door een plotselinge overstroming in het water
terecht was gekomen en doorweekt was. Gelukkig voor die van Alem bezat
ook de abdij een kopie van die giftbrief.
Omstreeks diezelfde tijd moet er het een en ander gebeurd zijn ten bate van de
polder van het Laag Hemaal, want in het jaar 1349 wordt door de zoeven genoemde
Jan III hertog van Brabant een „dijkkaart" uitgegeven voor Kessel,
Maren en Alem. Daarbij worden voor het toezicht op die polder en de Maasdijk
zeven „heemraden" aangesteld, drie voor Kessel, drie voor Maren en
slechts één voor Alem. Blijkbaar gebeurt dit op grond van de redenering dat
de hertog in Alem slechts voor een derde zeggenschap had, omdat het twee
derdedeel behoorde aan de abt van het klooster van St.-Truyen. Die „heemraden",
zo wordt gezegt, moeten zijn wijze en „bescheiden" mannen, waarmee
niet werd bedoeld dat ze zo bescheiden moesten zijn, maar dat ze van „bescheid"
moesten weten.
Kort daarop blijkt er verschil van mening te bestaan tussen de geburen van
Alem en de Proost ten aanzien van de gemene gronden. Dat conflict wordt
in het jaar 1359 geregeld. Proost van Alem is dan Heer Zeets (of
Zaets = Zacharias) van Vranckenhoven, monnik van St.-Truyen. Deze wil-
de in die functie van proost ook een aandeel hebben in de gemeynt. In een
brief van 3 mei 1359, die in de dietse taal is gesteld en in origineel bewaard
wordt in het archief van St.-Truyen, verklaren Jan Mersman, Hubert Claussoon,
Gijs Henrickssoon, Diederick Judaes, Diederick Seps, Lambert Lambertszoon
van der Woert en Geraert die Keyser, schepenen in Alem, dat zij
met de proost Heer Zeets van Vranckenhoven zijn overeengekomen dat hij
een derdedeel behoudt voor zich en zijn opvolgers van die gemeynt, het tweede
derdedeel zullen zij, de geburen van Alem, behouden en daarvoor zullen zij de
proost en zijn opvolgers jaarlijks op Sint-Remijs (dat is l oktober) een even
groot bedrag ineens betalen en een even grote jaarrente als zij voor het derde
derdedeel aan de hertog van Brabant betalen krachtens de uitgiftebrief van de
gemene gronden van 1341 van de hertog. Met de conditie dat de Proost voor
zijn aandeel in de gemeynt „gebuurlijk recht" zal plegen. Bij verkoop of vererving
door geburen van Alem ontvangt hij een dubbele cijns en bovendien is
dat deel dan voor een gelijk bedrag aflosbaar. Verder zal de proost en na hem
zijn opvolgers twee „gebuurdelen" ontvangen in de andere twee derdedelen
van de gemeynt, d.w.z. uit ieder van de twee derdedelen van de geburen van
Alem één gebuurdeel. Ook zal de proost onverkort behouden de visserij van
Alem en de heerlijkheid met de rechten. Aan deze schepenbrief van Alem
hangt in bruine was het „schependomszegel" van het dorp. Op het schild staat
de afbeelding van een heilige van voren gezien, die een stralenkrans om het
hoofd heeft, een boek in de linker hand en een bloeiende tak met drie knoppen
in de rechter hand. Dit betekent dus dat het de afbeelding moet zijn van de
heilige Odrada, de beschermheilige van Alem. Zij wordt namelijk steeds afgebeeld
met een bloeiende boom of tak, omdat bij het tot stilstand komen van de
ossewagen die haar lijk vervoerde, de dode wilgeboom plotseling was gaan
bloeien. Het beeld van Sint Odrada in de Sint-Janskerk in Den Bosch geeft de
heilige weer met een ruw houten kruis in beide handen en een bloeiende boom
naast haar. Natuurlijk is men als men dit leest nieuwsgierig hoe het komt dat
zij te Alem met een boek werd afgebeeld.
Blijkbaar heeft heer Zaets van Vranckenhoven heel veel pleizier beleefd bij de
regeling van dat conflict met de dorpsbewoners van de schout van Den Bosch
Geerling de Rover. Want op diezelfde dag verklaart Robbert de abt van Sint-
Truyen dat hij en de monniken omwille van de grote diensten die Geerling De
Rover bewezen heeft aan hun medemonnik heer Zaets de proost van Alem bij
het verkrijgen van de hogergenoemde voorrechten, aan hem en zijn erfgenamen
acht bunder land in het Alems Broek hebben uitgegeven tegen betaling
van een jaarrente van vier schelling „zwarten" munt van Tours, dat is vier denierstuivers
per bunder; het dubbele te betalen bij verhef of bij verkoop en losbaar
bij wisseling van eigenaar. Geerling de Rover was blijkbaar zo vereerd
met dat geschenk dat hij zelf van dat feit ook een oorkonde maakt waaraan
zijn zegel met de drie molenijzers van de familie De Roover bevestigd is.
Van Heer Zaets van Vranckenhoven horen we nog meer, want hij blijkt in
1366 zelf abt te zijn geworden van het klooster te St.-Truyen. Van dat jaar ligt
er in het Vaticaan een verzoek van Johan Trijt (mogelijk = die Rijck?) benedictijner
monnik in Trier, om de proosdij van Alem te mogen hebben, omdat
Heer Zaets abt geworden is, welke proosdij afhankelijk is van het klooster te
Sint-Truyen en per jaar 50 zilvermarken waard is. Johan van Trijt zegt dan
dat hij afkomstig is uit de streek en verwant is aan de adel aldaar. (Analecta
Vaticana VII pag. 664, nr. 1709 = 16 juni 1366).
Later lezen we in een getuigenis van Catharina Hacken van 8 jan. 1606, over
de proosdij in Alem dat zij gehoord heeft dat indertijd een Ritsaert (zo noemt
zij hem) van Vranckenhoven, die proost was van Alem, toen hij later abt werd
van St.-Truyen een groot deel van de inkomsten van de proosdij van Alem aan
het klooster heeft getrokken, en dat daarom die proosdij zo in inkomsten achteruit
was gegaan. Misschien moeten we concluderen dat het inderdaad de genoemde
Zaets van Vranckenhoven was die zo heeft gehandeld en dat reeds
toentertijd en daardoor de proosdij van Alem met haar „zeven Heeren" is
gaan verlopen, omdat zij niet meer in hun levensonderhoud kon voorzien.
In het jaar 1378 moet wederom een geschil worden bijgelegd. Dan betreft het
een kwestie die is ontstaan tussen de abt van St.-Truyen en de dorpelingen van
Alem enerzijds en de inwoners van Maren en Kessel anderzijds. Dat geschil
gaat over het heemraadschap, een wetering die inmiddels is gegraven en de
schouw op de Maasdijk.
Zonder de abt er in te kennen had men die wetering gegraven door zijn grond
en door die van de geburen van Alem en daarvoor was er geen schadevergoeding
betaald. Ook heeft men boeten geheven van lieden in Alem die nalatig
waren in het dijkonderhoud en dat geld in de zak van de hertog of zijn richter
laten verdwijnen, terwijl de abt het tweederde in de heerlijkheid toekomt. De
puntjes worden dan nog eens goed op de ,,i" gezet. Voor zover de „nieuwe"
dijk door Alem loopt is de schouw aan Alem en boeten die geheven worden in
Alem komen voor tweederde toe aan de abdij.

Na de dijkbreuk in dat rampjaar 1586 hebben die van Alem hun Maasdijk eigenhandig
hersteld. Dat was trouwens niet de eerste keer en al evenmin de
laatste dat zij voor die Maasdijk in actie zijn gekomen. Al in 1378 wordt
gesproken over een NIEUWE dijk. In 1419 is er sprake van een overstroming
bij Empel. Rond 1539 als het dorp weer eens bedreigd wordt, is men druk bezig
met de constructie van een nieuw „hoofd" in de Maas en de aanleg van
kribben, waardoor in later jaren voor de dijk in Alem een „voorland" ontstaat
met wilgen bepoot, kortom nieuw aangewonnen land. In 1554 getuigt
daarover een vrouw van 75 jaar dat de Maasdijk bij Alem in vroeger dagen
een „schoordijk" was ofwel een „schooroeverdijk" zonder enig voorland. De
Maas stroomde dus onmiddellijk aan de voet van het dorp. Ter beveiliging
van die schoordijk dienen een „hoofd" dat in de Maas gebouwd was en enige
kribben. Door aanslibbing ontstond in de loop der jaren nieuw land, nieuwe
waarden. Deze kwamen toe aan de Heer Abt, als de Heer van Alem. Dat gaf
weer ruzie onder meer in 1445 met Heer Jan van Rossum, omdat toen door
weer eens een gewijzigde koers van de Maas een van die waarden aan de overkant
van de rivier terecht gekomen was. Na een zo'n dreiging van overstroming
door de Maas, waarbij ook de kerk en de pastorie schade hadden opgelopen,
krijgt, bij het herstel, Maarten Pompen, die dan rentmeester is en
schout van Alem, van de Abt van St.-Truyen volmacht om de inkomsten uit
een kamp land te besteden voor het aanbrengen van een „horologie" in de
kerk van Alem. Dat gebeurt in het jaar 1558.
Ook in het jaar 1643 is er een dijkbreuk te melden en opnieuw in 1672 ontstond
zware dreiging voor de schoordijk. Toen reeds was vanwege een zeer
diep wiel de dijk meer naar binnen gelegd, zodat de kerk vrijwel op de dijk
was komen staan. Die dijk had aldaar ter hoogte van kerk en pastorie een
lengte van 33 vadem (iedere vadem 7 voet) daarbij kwam voor de pastorie nog
3 vadem en een halve vadem voor de weg. Aan de „Neerkant" begon dan de
„nieuwe" dijk. Als reden voor de toenemende bedreiging door de Maas wordt
genoemd de aanleg van het kanaal van Sint-Andries, waardoor de
Waalstroom in de Maas kwam, en eveneens de aanleg van kribben bij Rossum.
In 1682 moet er met man en macht, dag en nacht, met kar en paard gewerkt
worden aan de dijk om dijkbreuk te voorkomen. Tenslote wordt op 13 februari
1737 voor schepenen van 's-Hertogenbosch schriftelijk een overeenkomst
vastgelegd, die gesloten is tussen Jacob Gijsselen uit Den Bosch, als gemachtigde
van de abt van St.-Truyen, als heer van Alem, welke machtiging door de
abt verleend was op het kasteel van Cauwenhoven op 19 october 1736, en als
andere partij Wouter Konings president en Jan Joosten schepen van de heerlijkheid
Alem, als gemachtigden van de schepenen en regenten van Alem, welke
machtiging ter secretarie van Alem gepasseerd was op 28 november 1736 en
ondertekend door de secretaris Varssevelt, krachtens een resolutie van de staten
der Verenigde Nederlanden van 19 nov. 1736. Die overeenkomst had als
inhoud het leggen van kribben in de Maas bij Alem ter ontzetting van de
schoordijk.
Voor het sluiten van die overeenkomst was van de situatie in de Maas bij Alem
een „kaart figuratief" gemaakt door de heer Draak, directeur, op last van de
staten en op advies van de kribmeesters op de Maas en Waalstromen, de heren
G. Crielart en S.D. Corbie, van 14 augustus 1736. En het zou dus wel eens
kunnen zijn dat deze „kaart figuratief" nog in het rijksarchief aanwezig is,
misschien in het algemeen rijksarchief te Den Haag bij de kaarten van weg- en
waterwegen, b.v. in de Catalogus Hingman. Ook in het rijksarchief te Den
Bosch in de archieven van de Raad en Rentmeester-generaal der Domeinen bevinden
zich stukken over deze kwestie: nl. onder nr. 427 „Schouwverbalen
van de krib te Alem tussen 1708 en 1710".
In de genoemde overeenkomst wordt dan ook vastgelegd dat de Abt ten spoedigste
en op eigen kosten een krib zal laten leggen „beginnend 3 a 4 voet beneden
het begin of boveneind van het tegenwoordig pakwerk voor de Alemse
dijk". Die krib moet 36 voet lang zijn en voorzien van een „talie" en een
voorhoofd, op de kruin ter breedte van 22 voet. Alle bijzonderheden staan in
die acte die voor schepenen van 's-Hertogenbosch gepasseerd wordt, nauw-
-keurig genoteerd. (R.A. 's-Bosch R. 1722, op datum 13 feb. 1737).
Als men na een jaar of twee heeft kunnen zien wat het resultaat is van die krib,
zal de Heer van Alem een tweede krib laten leggen, zodat de schoordijk geheel
zal worden ontzet, met de opzet dat de schoordijk na uitvoering van al deze
werken niet langer een schoordijk zal zijn. Ter compensatie van de kosten
wordt aan de Heer Abt „de gemeyne Rijswaard" afgestaan met alle verdere
aanwas vandien door de aanleg van de kribben.
Zoals gezegd was er te Alem ook een veer over de Maas. Reeds in juni 1374 gaf
Jan Gijsbrechs als rentmeester van de hertogen Wenceslaus en Johanna aan de
Heer van Alem de vergunning om een „veerstadt" te maken en een veerdienst
te onderhouden over de Maas tussen Alem en Rossum. In juli 1374 wordt die
maatregel door hertogin Johanna bekrachtigd. Ook wordt dan opgetekend
dat de Heer van Alem de visserij mag behouden en ook alle aangewassen
waarden langs de rivier. Voor dat alles moet de Heer dan wel aan de hertogin
en haar opvolgers een erfcijns betalen van 20 „oude grooten" per jaar. Dat
veer evenals de visserij en de tol werden jaarlijks verpacht. Het kan wel niets
anders of er zullen af en toe moeilijkheden zijn gerezen, vooral wanneer er lieden
waren die op eigen gelegenheid mensen overzetten en zodoende de veerman
het brood uit de mond stalen.
Bij één zo'n gelegenheid, dat is op 28 maart 1689, wordt, namens de Heer van
Alem in de Raadkamer ten overstaan van schepenen van Alem vastgelegd dat
iedereen die op eigen gelegenheid iemand overzet voor iedere keer dat dat gebeurt
een boete krijgt opgelegd van twee pond vlaams geld. Daarvan krijgen
de armen van Alem '/s deel, de schout '/s en de veerman het derde !/3 deel. Bovendien
zal de schuit waarmee de overtreding is begaan op het land worden getrokken
en 6 weken lang worden opgelegd ten koste van de schuldige. Wel mogen
de inwoners van Alem met hun eigen schuiten voor zichzelf en hun gezin
de Maas overvaren. De aannemer of pachter van het veer is in dat jaar Henriek
Gymbers.
Ten aanzien van de veerdienst wordt bepaald dat de veerman moet zorgen dat
er altijd iemand aanwezig is om passagiers over te zetten. Het veergeld wordt
vastgesteld op twee duiten voor de heen- en twee duiten voor de terugreis als
het inwoners van Alem betreft. Een „buitenman" echter (dus geen inwoner)
die wil overvaren moet vier duiten voor de heen- en vier duiten voor te terugtocht
betalen. Die prijzen gelden zolang het Maaswater niet over de waarden
loopt en ,,binnen schoors" is. Bij hoog water wordt ook de prijs van de overtocht
hoger, namelijk een stuiver per persoon van dijk tot dijk. Als de naburige
windmolens de zeilen hebben gestreken vanwege de heersende stormwind
wordt het bedrag het dubbele, namelijk twee stuivers, ongeacht of het een inwoner
dan wel een uitlander betreft. Bij gevaarlijk weer en voor nachtelijke
overtochten moet diegene die dan per se naar de overkant wil met de veerman
tot een accoord zien te komen. Deze beschikking moet dan op de eerstkomende
zondag voor alle man met de klokslag worden bekend gemaakt.
De veerman blijkt ook pachter te zijn van de tol in Alem. Deze tol wordt geheven
van alle voorbijgaande schepen en van de „tolgoederen". Die tol wordt
vanouds ingevorderd door de aannemer en de schout van Alem moet hem
daarbij behulpzaam zijn. De pacht loopt van jaar tot jaar van de vooravond
van Sint-Jacob, dat is 24 juli, tot en met de dag na Sint-Jacob, dat is 26 juli,
van het volgend jaar.
Nadat de abten van St.-Truyen de proosdij en de goederen van de proosdij
aan zich hadden getrokken, en waarschijnlijk ook omdat de aangestelde
proosten elders woonden en het eigenlijke „pastoorswerk" door anderen lieten
opknappen, zijn er ook herhaaldelijk geschillen geweest over die pastoors.
Door tussenkomst van de bisschop van Den Bosch wordt in maart 1571 een
nieuwe regeling tot stand gebracht tussen de pastoor van Alem en de Abt van
St.-Truyen over het inkomen van de pastorie. Daarbij wordt bepaald dat de
grote kamer van het stenen huis (van de proosdij) voor de pastoor is. Maar wel
moet daar voor de prelaat van St.-Truyen „een koets" (dat wil zeggen een
bedstee) gereserveerd worden. Er moet van buitenaf een nieuwe ingang gemaakt
worden en de ramen aan de kant van het „andere" (of overige) huis
moeten worden dichtgemetseld. Als bijdrage in de kosten moet de pastoor
jaarlijks 10 gulden betalen, maar hij mag ook ergens anders gaan wonen.
Door de gebeurtenissen ten tijde van de 80-jarige oorlog schijnt die regeling
van korte duur geweest te zijn.
Toen de inwoners van Alem eindelijk in 1605 na jarenlang zwoegen hun dorp
weer in bewoonbare staat hadden gebracht, zodat er weer geleefd en gewerkt
kon worden, wilden ze ook weer een pastoor in hun midden zien. In een ontroerende
brief van 16 juli 1605 richten de dorpelingen zich dan tot hun Heer
de Abt van St.-Truyen. Zij beklagen zich omdat zij al meer dan 20 jaar geen
pastoor of leraar gehad hebben. Zij noemen zich schamele, onnozele en miserabele
lieden en zeggen dat er in hun dorp nu jongelieden wonen van ruim 20
jaar en ouder die nog nooit van God of gebod gehoord hebben en niet zouden
weten hoe zij zich als katholiek moeten gedragen. In het volgend jaar dat is op
8 januari 1606 wordt hun verzoek ondersteund en toegelicht door het getuigenis
van een dame van stand Juffrouw Catharina Hacken, genaamd Beesd, 75
jaar oud, de dochter van een vroegere rentmeester. Zij verklaart voor schepenen
van Zuilichem dat de pastoors of proosten van Alem altijd werden aangesteld
door de abt van St.-Truyen en dat de proost door de abdij werd onderhouden.
Zij heeft zelf gekend als pastoors Mr. Handrick Victor die te 's-Bosch
woonde en die een kapelaan had aangesteld in zijn plaats, die Heer Goossen
van Gestel heette. Na diens dood was er een ander gekomen een zekere Heer
Anselmus, en toen die ziek was kwamen er te Alem een predikheer Broeder
Iwech en die was gelogeerd en in de kost in het stenen huis van de proosdij bij
de rentmeester en de schoolmeester van toentertijd in Alem, die heette Ott Jacobs.
Later werd als pastoor benoemd Heer Aert van Alphen en na hem Heer
Corsten, heer Jan van Os en Heer Peter, die allen werden aangesteld vanwege
de abt en de proost en ook door de abt werden onderhouden. Die proost had
anders de dienst van God in Alem zelf moeten doen. Van haar ouders had Catharina
vaak gehoord dat de pastoors niet zo'n best inkomen hadden. Een
Claas Pompen, broer van Maarten Pompen die toen schout was, wilde
pastoor worden en had haar vader gevraagd wat voor goederen de pastorie bezat,
maar haar vader had hem naar de abt van St.-Truyen verwezen. Het werd
de hoogste tijd, aldus Catharina, dat er weer een pastoor kwam in Alem.
Kennelijk heeft de abt toen toch niet op dat verzoek om een pastoor willen ingaan,
omdat hij in de mening verkeerde dat men in Alem de goederen van de
kerk en de pastorie aan zich had getrokken. Want op 2 maart 1608 volgt een
tweede brief van het dorp aan de abt minder nederig gesteld dan de eerste,
waarin zij verklaren dat zij zonder enige hulp van de abt zelf de dijk hebben
gerepareerd, ook het aandeel dat kerk en pastorie hadden in het herstel hebben
zij voor hun rekening genomen. Wel hebben zij in hun armoede daarvoor
de goederen van de kerk moeten belasten, maar die sommen zijn weer afbetaald,
en in de tussentijd hebben zij alle lasten van de kerk uit hun eigen zak
betaald. Ook de lasten van onderhoud van sluizen en dammen en het aandeel
van de abt in de koningsbede en in de kosten van de brandschat (een extra belasting
die door de beide oorlogvoerende partijen Holland en Spanje werd geheven)
hadden zij zelf betaald. De beleende kerkelijke goederen hebben zij
daarvan vrijgehouden. Alsof het hun eigen goed was, zo hebben zij de goederen
van de kerk beheerd, ja, eigenlijk nog veel beter, want al die tijd hebben
zij hun eigen goed moeten belasten met hypotheken om aan geld te kunnen
komen voor het herstel van hun dorp. Bovendien had de abt zijn geïnundeerde
landerijen toch niet kunnen verhuren en zelfs heeft de abdij al die tijd ook nog
de tienden genoten, die zij betaald hebben, terwijl zij niet eens een pastoor
hadden. Aan het eind van hun brief spreken zij de hoop uit dat de abt hierover
eens ,, met zijn eigen geweten zal te rade gaan".
Kort daarop, op 16 juli 1608, volgt dan de aanzet voor de nieuwbouw van de
kerk van Alem. Op die datum worden de condities daarvoor overeengekomen
met de metselaars Matthijs Gerrits en Andries Bartelmeus. Zij zullen een nieuwe
kerk bouwen op de fundamenten van het oude koor, 48 voet lang, 28 voet
breed en twee stenen dik.
De pastoors van Alem sedert 1609 worden genoemd in het boek van L. Schutjes:
Geschiedenis van het Bisdom 's-Hertogenbosch, deel III pag. 87. Een van
hen Abraham Joseph Spierincx zou ik hier nog afzonderlijk willen noemen.
Om de chauvinistische reden dat hij net als ik van eenzelfde vóórvader afstamt,
namelijk van Rutger Corstiaen Spierincx rond 1650 schepen en president
van Sint Michiels Gestel. Abraham Joseph Spierincx werd op 27 februari
1724 benoemd als pastoor van Alem. Hij was geboren te Gemert en gedoopt
aldaar op 6 juni 1693 als de zoon van Jan Hendrick Spierincx en Willemke
Verhofstadt. Gijsbert Spierincx de bet-overgrootvader van mijn betovergrootvader
was zijn peetoom. Na een pastoorschap van ruim 25 jaar is
Abraham Joseph Spierincx op 26 juli 1761 te Alem overleden. Vóór zijn overlijden
beleefde hij nog de herbouw van de schuurkerk in Alem. De kerk zelf
was toen in het bezit van de Protestanten.
Alle wederwaardigheden van de inwoners en het dorp van Alem in enige artikelen
neerpennen, zou niet doenlijk zijn. Het hier verhaalde zou echter uit de
genoemde archieven, vooral dat van Sint-Truyen, gemakkelijk aan te vullen
zijn. Wel zij hier nog vermeld dat de abt van St.-Truyen tot het jaar 1978 toe
Heer van Alen bleef. In dat jaar ruimde de Franse Revolutie in België alle
kloosters op. De „geestelijke" goederen kwamen toen aan het Franse volk.
Men vond toen blijkbaar dat kerken en kloosters de nieuwe ideeën van „vrijheid,
gelijkheid en broederschap" maar in de weg stonden. Dat de vrijheid
van godsdienst ook een vrijheid was had men toen misschien niet zo best begrepen.
Intussen bleef Hendrick van Someren als rentmeester de goederen van
de abdij en Alem beheren, ook toen het Franse volk deze goederen „cadeau"
deed aan de Bataafse republiek. De stukken die Hendrick van Someren als
rentmeester onder zich had, liggen nog bewaard in het archief van de Commissie
van Breda, (banden Sint-Truyen) in het R.A. 's-Bosch. Sedertdien is Alem
zelfs tot een andere provincie gaan behoren. Wat ons er niet van zal weerhouden
dit artikel te besluiten met de wens dat het die van Alem in alle opzichten
goed moge gaan en moge blijven gaan.