De Efteling
waarom ik er zo graag naar toe ga: de roeivijver

roeivijver

Het is al lang geleden en het is zomer. Snikheet. We zullen naar de Efteling, mijn vriendin Liesbeth en ik. We wonen er dan nog niet zo ver vandaan. We zullen en we gaan. We komen en  kijken rond. Wat te doen? Een ritje in de houten achtbaan. Zuchtje wind bovenaan en roetsj naar beneden. Wel leuk. Naar de roeivijver. Zullen we...... we doen het. In de boot. Benen over de rand in het water. Vooral niet teveel peddelen. Het Is Heet. Snik. Heet. Wat anders dan een beetje op het water dobberen komt in aanmerking? Je bent wel gek als je iets anders wil.
 
Een keurige heer in kostuum - aan de bovenkant - en bijna bloot - aan de onderkant - waadt door het ondiepe gedeelte van de vijver. Steeds opnieuw raakt zijn opgerolde overhemdsmouw net niet het water als hij iets zoekt in de vijver. Wij peddelen en proberen niet te staren. Varen terug. Peddelen weg. Zijn vrouw, jong en mooi opgedoft en dat met die hitte, zit gelaten op een bankje aan de kant. We raken in gesprek. Het is heet en niet druk. Tegen wie moet je anders praten? En dit gedeelte van de vijver is in de schaduw. Logisch dat we hier willen zijn en nergens anders. Er gebeurt Iets.

Het stel is op huwelijksreis vertelt mevrouw. En mijnheer heeft tijdens het roeien de autosleutels uit zijn broekzak laten glijden.....plons. En misschien ook wel zijn portemonnee, dat weet ik nu niet meer. We peddelen verder, de rest van de dag. De man  zoekt en zoekt. Maar vindt niets. Zijn bruid zit aan de kant en wacht. Wij gaan die dag nergens anders meer naar in, op of naar toe. Wij spelen voor Alfred Jodocus. Kwak

En iedere keer als ik langs de roeivijver loop... denk ik: "zouden ze nog bij elkaar zijn?".