Goed voornemen

Overweging bij het feest van de Openbaring des Heren (jaar A)    -    5 januari 2014
(Lezingen: Jesaja 60,1-6; Efeziërs 3,2-3a.5-6; Matteüs 2,1-12)

Voor sommige mensen horen goede voornemens bij het begin van een nieuw kalenderjaar. Er zijn mensen, die hun voornemens al vrij snel weer zijn vergeten. Er zijn er ook, die weten dat er af en toe een dipje zal zijn bij het uitvoeren van die goede voornemens. Maar zij blijven wel proberen te doen wat hen voor ogen staat. Als het vandaag niet luk, dan lukt het morgen misschien weer wel.

Open deur
Misschien zou – aan het begin van 2014 – een van de beste voornemens wel kunnen zijn, dat wij proberen meer respect voor elkaar op te brengen. Zo'n voornemen lijkt een beetje op het intrappen van een open deur. Maar toch is het in de praktijk vaak lastiger dan we in gedachten hadden. Want het betekent, dat je de ander de ruimte geeft om de eigen mening erop na te houden. Ook als die verschilt van jouw opvatting. We zijn vaak meer geneigd om alleen te kijken naar ons eigen belang en ons eigen gelijk. We vinden het nodig om de ander te overtuigen, gunnen hem zijn opvatting niet echt. En zo laten mensen elkaar gemakkelijk links liggen, of erger: verketteren elkaar omdat ze het niet met elkaar eens zijn.
      Respect heeft dus te maken met de manier waarop wij naar elkaar kijken, de manier waarop wij de ander zien. Het begrip respect komt van een woord uit een oude taal, het Latijn. Re-spectare betekent letterlijk: opnieuw zien, anders zien. Je kijkt dus naar de ander op een nieuwe manier – niet allereerst vanuit je eigen standpunt, maar vanuit zijn visie, haar visie. Die andere manier van kijken levert interessante gezichtspunten op. Je leert dat een bepaalde kwestie meer aspecten heeft dan je oorspronkelijk dacht.

Mede-erfgenamen
Misschien kunnen de lezingen ons daarbij op weg helpen. Bij de profeet Jesaja hebben we gehoord, dat de bewoners van Jeruzalem zich mogen verheugen in voorspoed en welvaart. Bemoedigende woorden, die hard nodig waren in een periode dat de Israëlieten het niet erg zagen zitten. Net teruggekeerd uit de ballingschap trof men een verloederde stad aan. Alle dromen uit het verleden waren uiteen gespat. Maar Jesaja houdt vast aan de overtuiging, dat God zijn mensen niet laat vallen. Met het beeld van de volken, die hulde en gaven komen brengen, spreekt hij de Israëlieten nieuwe moed in. Maar in dat beeld wordt ook uitgedrukt, dat het de heidenen zijn, de ongelovigen dus, die goud en wierook aanbieden, en daarmee de roem van God erkennen en verkondigen. Dat vraagt van onze kant een nieuwe manier van kijken naar de ongelovigen: want zij brengen God eer, zij hebben de moed om God te erkennen als hun Heer.
      Die onverwachte, nieuwe wijze van kijken ontdekken we ook in de brief aan de Efeziërs. Gods genade, zo schrijft Paulus, heeft mij het inzicht gegeven, dat niet alleen de christenen, de gelovigen, maar ook de heidenen mede-erfgenamen zijn van het evangelie. Verrassend aan dit inzicht is dus voor de christenen, dat niet alleen voor hen het heil van God bedoeld is. Zij kunnen zichzelf niet beschouwen als uitverkorenen. Wij delen met de ongelovigen Gods aanbod van genade en heil. Zij zijn niet degenen die er niet bij horen. Nee, ze zijn onze zusters en broeders. Daarom verdienen ze ons respect.

Occulte kennis
En dan is er het verhaal van de wijzen uit het Oosten. De wijzen zijn eigenlijk magiërs, mensen die beschikken over occulte kennis, mensen dus waar je voor moet uitkijken. En ze komen uit het Oosten, dus van over de grens. Het zijn – volgens de toehoorders van Matteüs – in ieder geval geen joden, dus zijn het heidenen, ongelovigen. Juist zij zijn op zoek gegaan naar de pasgeboren koning van de Joden. Bij het vertellen van het verhaal heeft Matteüs duidelijk de woorden van Jesaja in zijn achterhoofd. Want de wijzen komen van ver, het zijn ongelovigen. Maar zij brengen hulde en geschenken, zoals eertijds: goud en wierook.
      Toch geeft Matteüs ook zijn eigen wending aan het verhaal, want hij voegt er nog een geschenk aan toe: mirre. Het is de balsem waarmee de doden liefdevol worden verzorgd. Want Matteüs weet hoe het zal eindigen met dit kind. Het roept bij zijn geboorte al verontrusting, nee: weerstand op bij Herodes en met hem bij heel de stad Jeruzalem. Dat moet verkeerd aflopen. Een godgeklaagde dood aan het kruis zal het einde zijn van dit onschuldige kind. De wijzen uit het Oosten hebben de kwetsbaarheid van dit kind wel beter voorzien dan velen van zijn latere volgelingen. Daarom hebben zij alvast mirre in het wrange cadeau-pakket gestopt.

Goed voornemen
In het verhaal van Matteüs zijn het dus de magiërs, de occulte tovenaars uit een ver land, die hulde brengen aan deze pasgeboren koning van de Joden. Misschien waren zij wel priesters, die de godsdienst van Zarathoestra vertegenwoordigden in het huidige Iran. In de loop van de eeuwen zijn deze magiërs door het christendom geannexeerd, zou je kunnen zeggen, en hebben ze de namen Caspar, Balthasar en Melchior gekregen. Maar daarmee doen we geen recht aan het verhaal van Matteüs. Want de evangelist wil juist naar voren brengen dat het de ongelovigen zijn, die weten voor wie ze de knie moeten buigen. En dat nodigt ons uit op deze magiërs met respect te benaderen, dat wil zeggen: op een nieuwe en verrassende manier te zien.
      En dat zou voor het nieuwe jaar ons goede voornemen kunnen zijn: dat wij de mensen met wie wij verschillen van opvatting, van cultuur of geloof, van huidskleur of sociale status op een nieuwe, respectvolle manier willen zien. Niet als degenen, die er niet bij horen. Maar als onze zusters en broeders. Als degenen die ons respect verdienen. We kunnen de verschillen niet ontkennen of wegpoetsen, maar als startpunt zien voor een open dialoog. Iemand op een nieuwe, andere wijze leren zien: dat vraagt om oefening en geduld. Oefening in respect.

Terug naar het overzicht -- Reageren? Ga naar de contactpagina --

© 2005- Wiel Hacking