Interview in
de PZC
van 5 maart 2012: ‘Jan J.B. Kuipers heeft meer dan 50 boeken geschreven’ (Rolf Bosboom)
***
Uit: ‘De
dichters van de kloof’
‘Van de
Nederlandstalige genreschrijvers heb ik mooie herinneringen aan de experimenten
van Eddy C. Bertin uit de jaren tachtig:
het imposante vormgedicht van een baby in één van zijn membraanverhalen,
bijvoorbeeld. Maar de speculatieve dichters in eigen taalgebied die ik hier
speciaal wil noemen, zijn de schrijvers die wijdbeens de kloof tussen
literatuur en genre overbruggen: multigenre-auteur Jan J.B. Kuipers bijvoorbeeld,
stadsdichter van Middelburg in 2005-2006 die tevens vele sf-prijzen
voor zijn korte verhalen heeft behaald, of Paul
van Leeuwenkamp, onder meer bekroond met de poëzieprijs van Sint-Truiden en
eveneens een begenadigd schrijver van sf-verhalen.’
Roelof Goudriaan in Holland SF 45(2011)4, pag.8
***
Interview
over de verhalenbundel Hubake’s Huis in De Faam en De
Bevelander, 11 januari 2012; en een bespreking d.d. 16 januari 2012 in Zeeland
Geboekt (Jan van Damme/PZC).
***
Marcel Orie over de ‘muitende
personages’ in de genrefictie van Jan J.B. Kuipers
***
Indianen
hebben Jan Kuipers gefascineerd
Kinderboek
over oorspronkelijke bewoners Amerika
Door Eugène de Kok, voor o.m. Middelburgse Bode / Internetbode, 8
sept. 2010 (bew.)
MIDDELBURG - Schrijver Jan J.B.
Kuipers uit Kattendijke is al van kinds af aan
gefascineerd door indianen. Onlangs verscheen van zijn hand ‘Het geheim van
Stille Zalm’, een jeugdboek over de oorspronkelijke bewoners van Amerika. Met
het verhaal hoopt hij kinderen wat bij te brengen over de indiaanse cultuur van
voor 1800.
Al is dat niet zijn hoofddoel. “Het
belangrijkste is dat ze plezier hebben met het boek”, zegt Jan J.B. Kuipers.
“Als ze daarnaast nog iets opsteken over de Indiaanse cultuur, is dat mooi
meegenomen.” Zelf is hij altijd geboeid geweest door de indianen in Noord- en
Zuid-Amerika. “De mythologie is in die culturen overal en alom aanwezig. Veel
meer dan bij ons. Daar heb ik me voor dit verhaal dan ook uitbundig van
bediend, maar ze wel vermengd met eigen aanpassingen en aanvullingen. Zo ging
dat ook met de verhalen die van stam naar stam en van volk naar volk zwierven.
Iedereen voegde nieuwe elementen toe.”
Hoofdpersoon in het boek is het meisje
Neveloog dat een bijzonder verhaal krijgt te horen
van haar grootvader, die op sterven ligt. Hij vertelt haar over een ontmoeting
in de bergen met zijn wel zeer bijzondere bruid Stille Zalm. “Het meisje
verwerkt de aanstaande dood van haar grootvader op haar eigen manier. In haar
omgeving lopen de werkelijkheid en verbeelding, net als bij alle indianen, door
elkaar heen. Hun gevoel van realiteit was veel anders dan het onze.”
‘Het geheim van Stille Zalm’ is
verschenen bij de educatieve uitgeverij Maretak. Kuipers, voor wie geen genre
vreemd lijkt te zijn, maakte voor hen al twee keer eerder een kinderboek. De
Kattendijker geniet van het schrijven voor kinderen. “Je bent minder gebonden
aan allerlei opvattingen die er zijn. Je kunt je verbeelding daarom volop gebruiken”,
zegt hij, maar voegt daaraan toe dat het schrijven geen sinecure meer is. “Er
zijn allerlei leesniveaus waarvoor allerlei regeltjes gelden. Ik maak normaal
graag gebruik van lange zinnen, schrijf op wat er in me opkomt, maar dat kan
bij kinderboeken niet altijd. Tijdens het schrijven moet je rekening houden met
alle regeltjes. Bovendien gaat het verhaal na afloop nog eens door een
computerprogramma.”
Het boek wordt ook verspreid via
bibliotheken en op scholen. Achterin het boek staat uitleg over het verhaal en
een lijstje vragen. “Het leuke van Maretak is dat de kinderen ook kunnen
reageren op de verhalen. Op twee eerdere boeken die ik voor Maretak schreef,
krijg ik nog steeds reacties van kinderen. Die zijn meestal leuk om te lezen.”
‘Het geheim van Stille Zalm’ van Jan
J.B. Kuipers is verschenen bij uitgeverij Maretak.
ISBN: 978-90-437-0366-6
***
Peter de Jong gaf Middelburg gezicht
Boek ‘Ik ben een stenenbikker’ van Jan
J.B. Kuipers
Bron: PZC 3 september 2010 | door Ali Pankow (bew.)

MIDDELBURG - De naam Peter de Jong (1920-1990) is nauw
verbonden met de wederopbouw van Middelburg na de Tweede Wereldoorlog. De man
die de hoofdstad zijn gezicht teruggaf, wordt vanaf zaterdag geëerd met een
boek over zijn levensloop en een expositie van zijn werk bij galerie ‘t Haentje te
Paart in Middelburg. De
ZNF-toneelvoorstelling Vlammenstad bracht dat bombardement de afgelopen week weer
nadrukkelijk onder de aandacht. Het besef van de verwoesting prikkelt bij velen
ongetwijfeld ook de nieuwsgierigheid naar het herstel.
De Jonge, die zijn loopbaan als
beeldhouwer in zijn geboorteplaats Den Haag begon, kwam naar Zeeland. Hij
werkte tot zijn dood aan de restauratie van het Middelburgse stadhuis en
verrijkte de stad met tientallen kunstwerken zoals de bekende Stadstimmerman.
Ook tekende hij voor de Middelburgse bijdrage aan het Vredespark in Nagasaki in
Japan in 1983. Het is een bronzen beeld van een moeder die haar kind beschermt.
Een ander bekend werk van zijn hand is De Dijkwerkers aan de Veersegatdam op Noord-
Beveland. Tevens leidde hij amateur-
en beroepskunstenaars op.
"Ik liep al lang rond met het
idee van een eerbetoon aan mijn vader, maar het heeft door allerlei
omstandigheden lang geduurd. Ik ben blij dat het er nu twintig jaar na zijn
dood eindelijk van komt", zegt Juul
de Jong. Zij had zelf veel herinneringen aan haar gedreven en kunstzinnige
vader opgeschreven. "Maar een opsomming van ‘en toen en toen’ maakt
natuurlijk nog geen boek. Via bekenden ben ik bij Jan Kuipers terechtgekomen.
Hij was meteen enthousiast", vertelt zij.
"Ik wilde het inderdaad graag
schrijven. Vooral omdat ik mij Peter de Jong goed herinnerde uit de tijd dat
hij zijn atelier op de Balans had en ik daar werkte bij het Depot voor
bodemvondsten. Het is geen kunstboek geworden. Dat was ook niet de opzet. Ik
heb gestreefd naar een zo volledig mogelijke beschrijving van zijn
levensloop", zegt Jan J.B. Kuipers.
Hij putte zijn informatie onder meer uit de herinneringen van dochter Juul en
uit de vele interviews die Peter de Jonge had gegeven.
De titel ‘Ik ben een stenenbikker’ zegt iets over hoe het publiek deze
beeldhouwer kent. "Maar naast die grote stenen beelden maakte hij toch ook
graag kleine stenen portretten en bronzen. De expositie biedt daar een mooi
overzicht van. De werken komen hoofdzakelijk uit familiebezit. Verder worden
zijn grotere, zware werken via foto’s belicht", aldus Juul de Jonge.
‘Ik
ben een stenenbikker’. Peter de Jong (1920-1990), beeldhouwer, Vlissingen: Den Boer | De Ruiter,
2010. ISBN 978-90-79875-23-8, € 13,50.
***

Een hoofdrol voor het water in de
Zeeuwse canon
Bron: Cultuurkroniek, Jaarmagazine 2009 van het
Prins Bernhard Cultuurfonds, 2010, 41-43
| door Liesbeth Maas (bew.)
Sinds vorig jaar heeft Zeeland zijn
eigen canon. Jan Kuipers is een van de auteurs die de onderwerpen van zijn
provinciale geschiedenis beschreef in de ‘Geschiedenis van Zeeland, de canon
van ons Zeeuws verleden’. “Dat verleden is onlosmakelijk verbonden met het
water.”
De Zeeuwse
canon is, net als de nationale canon, opgebouwd uit veertien hoofdthema´s en
vijftig daaraan verbonden onderwerpen, vensters geheten. En net als de
Nederlandse canon is de Zeeuwse canon een geschikt leermiddel voor scholieren
tussen de negen en veertien jaar, waarbij de Nederlandse en de Zeeuwse
geschiedenis in samenhang kunnen worden gezien. Jan Kuipers: “Zeeland maakt
deels dezelfde bewegingen als de rest van Nederland maar wijkt er ook van af.
Zo kwam de verstedelijking eerder op gang door de overzeese handel, maar met de
industrialisatie en de aanleg van kanalen en spoorwegen waren we laat.”
In vijftig
hoofdstukken komen alle historische blikvangers van Zeeland aan bod. Van de
Romeinen en de zendeling Willibrord naar Zeeuwse kapers en zeehelden,
meekraptelers en kanalengravers. De jongere geschiedenis werpt licht op onder
meer Mondriaan in Domburg, de Tweede Wereldoorlog en Zeeuwse Molukkers.
Kuipers: “De canoncommissie bestond uit vertegenwoordigers van culturele
erfgoedorganisaties uit de hele provincie. Leuk detail daarbij is dat de
Zeeuwse bevolking zich over tien vensters mocht uitspreken.” Er werd een keuze
uit twee mogelijke onderwerpen geboden, een onafhankelijke jury hakte
uiteindelijk de knopen door, gebaseerd op reacties vanuit de provincie. Zo
veranderde het door de commissie voorgestelde venster van de stormvloedkering
Oosterschelde in een venster over de Watersnood 1953. “Daarmee veranderde wel
het venster maar niet de inhoud van het onderwerp waar we door het venster naar
kijken. Natuurlijk komen de Deltawerken aan bod, alleen gaf de bevolking aan
deze te willen herinneren via de watersnoodramp”, legt Kuipers uit.
Jan Kuipers
schreef de canon samen met maritiem historicus Johan Francke. Kuipers richtte
zich vooral op de vroege periode van zijn provinciale geschiedenis die
zesduizend jaar geleden begint met de eerste bewoners: jagers, verzamelaars en
vissers. In Zeeland is hij een bekend figuur, zo was hij in 2005 en 2006
stadsdichter van Middelburg; hij heeft boeken en artikelen over de Zeeuwse
geschiedenis op zijn naam staan en beheert voor Stichting Cultureel Erfgoed
Zeeland het archeologische archief.
Kuipers
vertelt dat er in Zeeland sprake is van een fascinatie voor de eigen
geschiedenis, wat volgens hem vooral veroorzaakt wordt door de geografisch
afgelegen ligging. “Er zijn hier verschillende organisaties die zich met de
provinciale geschiedenis bezighouden en er verschijnen veel publicaties over
ons eigen verleden. De Zeeuwse canon sluit hierop naadloos aan.”
Scherven en doodshoofden
Dé rode draad
door de geschiedenis van Zeeland is het water. “Dat ons zowel goed als kwaad
heeft gebracht. De welvaart die het water ons gaf in de vorm van een bloeiende
zeehandel en tegelijkertijd de vele stormvloeden die alles kapot maakten en
complete dorpen lieten verdwijnen.” Het is een van Kuipers geliefde onderwerpen
in de canon: de verdronken dorpen van zijn provincie. Het gaat om kerkdorpen
die zijn ontstaan in de periode tussen 900 en 1500 en die zijn weggevaagd door
het wassende water. Zeeland telt de meeste weggespoelde dorpen van ons land,
120 maar liefst, en minstens zoveel buurtschappen. Voor Kuipers is het een
inspirerend uitje: wandelen in de gebieden waar vroeger volop leven was. “Zo
liep ik eens op het terrein waar ooit Valkenisse lag.
Ik zag de oude resten van de kerktoren nog staan, er lagen talloze scherven op
de grond, alsook doodshoofden en knekels; zij volgden het tij. Aan de horizon
zag je de containerschepen log voorbij varen – een mooier plaatje was niet
denkbaar.”
Vooral de
ondergang van Reimerswaal – de enige verdronken stad – boeit de Zeeuw. “Het was
ooit de derde stad van Zeeland, na Zierikzee en Middelburg, met bloeiende
handelshaven; nu is er niets meer van over. In 1631 verlieten de laatste
bewoners hun dorp, na een reeks van hevige stormvloeden te hebben doorstaan.
Zelfs het archief is uiteindelijk verloren gegaan in een brand, waardoor het
mysterie van de verdronken stad alleen maar groter is geworden.”
Godin in klederdracht
Een ander
canon-hoogtepunt voor Kuipers is Nehalennia, een
inheems-Romeinse godin die behalve bij Domburg en Colijnsplaat nergens ter
wereld werd vereerd. Nehalennia was de beschermster
van maritieme handelaars, zo rond de periode 150-250. “Restanten van haar
tempel bij Domburg kwamen in 1647 onder het duinzand vandaan”, vertelt Kuipers.
“Voor een behouden overtocht beloofden schippers en handelaren de godin een
altaar, in 2009 telden we ongeveer 300 opgeviste en opgedoken altaren.” Hoe zag
Nehalennia eruit? Kuipers pakt zijn boek erbij en
laat een foto van haar beeltenis zien. “Ze zit vaak op een zetel in een lang
gewaad met een schoudermanteltje. Dat manteltje is uniek, sommigen zien het als
het eerste voorbeeld van Zeeuwse klederdracht.” Nehelennia
wordt altijd vergezeld door een hond, als teken van trouw en waakzaamheid, en
een mand met vruchten, duidend op vruchtbaarheid en voorspoed.
Grote
afwezige in de Zeeuwse canon is de in Kapelle geboren Annie M.G. Schmidt. Jan
Kuipers verklaart: “Zij wordt gezien als de belangrijkste
kinderboekenschrijfster van de vorige eeuw, maar haar werk behoort toch vooral
tot de Nederlandse letterkunde en niet de Zeeuwse.” Andere opvallende en soms
verrassende ‘Zeeuwen’ die we wél in de canon tegenkomen: Reynaert
de Vos, Michiel de Ruyter, Jacob Cats, Johannes Hendrik van Dale (van de Dikke
van Dale) en Henriëtte Dorothea van der Meij, de eerste vrouwelijke journalist
en eindredacteur van Nederland. Behalve De Ruyter hebben ze niet zoveel met het
water van doen. Toch zijn het echte Zeeuwen, die, volgens Jan Kuipers, zich
onderscheiden door een eilandenmentaliteit: op zichzelf betrokken en sterk
chauvinistisch.
Jan J.B.
Kuipers en Johan Francke – Geschiedenis
van Zeeland, de canon van ons Zeeuws verleden. Walburg
Pers.
***
‘Meijaards slachtoffer van roddel en
achterklap’
Nieuw boek over fouten bijzondere
rechtspleging na WO II
door Eugène de Kok
(bron: Vlissingse resp. Bevelandse Bode, 28 en 5 mei 2010 (bew.))
VLISSINGEN - Jarenlang was het not done om over het
‘grijze’ verleden van Nederland kort na de Tweede Wereldoorlog te praten. Pas
de laatste tijd is er meer aandacht voor misstappen die Nederlanders maakten in
hun drang af te rekenen met collaborateurs en politieke delinquenten uit de
oorlogsdagen. Zaterdag werd een boek van Jan J.B. Kuipers en Gert P. Kuipers
gepresenteerd waarin ze, aan de hand van herinneringen van Hannelore Meijaard,
laten zien dat ook in Zeeland niet alles zwart en wit was.
Hannelore Meijaard, die al jaren een
galerie heeft in Vlissingen, woonde tijdens de Tweede Wereldoorlog in het Zuid-Bevelandse dorp Oudelande. Haar
moeder was een Duitse. Dat maakte de welgestelde familie bijna op voorhand
verdacht. In 1941 brandde hun huis af. “De omstandigheden waaronder dat
gebeurde, zijn nooit helemaal opgehelderd, maar het riekte
erg naar brandstichting. Alles was van verschillende kanten in brand gevlogen;
dat kan alleen als het is aangestoken”, vertelt Jan J.B. Kuipers, die de tekst
voor het boek Hannelore, kind van een
Duitse moeder in oorlogstijd, 1940-1947 schreef en de interviews van zijn
broer Gert P. Kuipers met Hannelore ondersteunde via grondig archiefonderzoek.
Toen de familie Meijaard een paar
weken na de brand verhuisde naar Ellewoutsdijk (‘Mijn moeder is haar hele leven
niet meer in Oudelande terug geweest’, vertelt
Hannelore in het boek) leek het normale leven zich weer te herstellen, maar
later bleek dat de vlammenzee slechts een voorbode van veel meer ellende.
Vader Jan Meijaard was een
commissionair in groenten en fruit en voor de oorlog een gezien persoon in het
dorp. Na de bezetting leverde hij zijn koopwaar ook aan de Duitse bezetters.
“Maar honderdduizenden Nederlanders handelden uit economische motieven met de
moffen. Meijaard was slechts een van de velen”, weet Kuipers. “Hij was iemand
die apolitiek probeerde te opereren en iedereen te vriend dacht te kunnen
houden.”
De bijzondere rechtsplegers - die na
de bevrijding moesten afrekenen met ‘foute’ Nederlanders - namen het Meijaard
kwalijk dat hij zonder zogenaamd Bezugschein (een document dat verplicht was als je aan de
Duitsers wilde leveren) aardappels aan de bezetters had verkocht. “Daar hebben
leden van de crisiscontroledienst, die nota bene zelf voor de Duitsers werkten,
zwaar tegen getuigd. Bij die dienst zaten veel mensen die hun eigen straatje
schoon wilden vegen.”
Meijaard kreeg te horen dat hij
ernstige collaboratie zou hebben gepleegd en bovendien lid zou zijn geweest van
de NSB. “Maar daar is nooit enig bewijs voor geleverd. De familie Meijaard is
het slachtoffer geworden van roddel en achterklap in het dorp en een lokale
vete die de politiek werd ingetrokken. Het was een nachtmerrieachtig scenario
waarin zij belandden.”
Spartaans
In het boek gaan de auteurs uitgebreid
in op een conflict dat Meijaard had met een belastingambtenaar uit Oudelande, die direct na de oorlog eventjes burgemeester
was. “Die man had dus echt een persoonlijke vete tegen mijn vader … Die heeft
een klacht ingediend, op losse schroeven, zal ik maar zeggen”, tekenen ze op
uit de mond van Hannelore. “Naar aanleiding van die klacht is vader opgepakt en
anderhalf jaar vastgezet zonder enige vorm van proces in Ellewoutsdijk. Dat was
dus het begin van alle volgende ellende voor het gezin.”
Meijaard kwam terecht in Fort Ellewoutsdijk;
‘een Spartaans kamp waar later zeer negatieve rapporten over zijn verschenen.’
Kuipers zegt dat het voorheen welgestelde gezin tijdens de detentie van de
vader bijna aan de bedelstaf raakte en tot paria’s werd verklaard. “Ik ben zelf
geboren in Zaamslag. Daar kenden we ook een kind van
een NSB’er. Die hebben we vaak uitgescholden. Zo ging dat in die tijd. Bij de
familie Meijaard is dat niet anders gegaan. Het is erg traumatisch voor hen
geweest, blijkt uit de herinneringen van Hannelore.”
De hoofdpersoon zelf omschrijft het in
één van de laatste hoofdstukken als ‘boosheid en teleurstelling in de
mensheid.’ “Dat gaat maar door tot je ouders bijna overleden zijn. Niet dat ik
kluizenaar geworden ben, bepaald niet. Maar ik wil nergens bij horen.” Volgens
Kuipers zijn de Meijaards niet het enige gezin dat het na de Tweede
Wereldoorlog moeilijk had door vergeldingsdrang van sommige Nederlanders die
actief waren in de bijzondere rechtspleging. “Het zijn dingen die veel mensen
hebben meegemaakt, terecht of niet. Helaas waren het ook vaak de kleine vissen
die werden opgepakt, terwijl de echte schuldigen vrijuit gingen.” Over
schuldigen wil Hannelore zich in het boek niet uitlaten. “Schuld vind ik nogal
een groot ding. Het is lastig. Je mag sowieso niemand veroordelen. Er zijn
gewoon gewetenloze personen. Toch moeten we in een betere wereld blijven
geloven, hoe onrealistisch ook.”
Cowboyachtig
Kuipers juicht het toe dat er de
laatste jaren meer aandacht komt voor misstanden in de periode na de oorlog. “Tegenover
mensen zoals Hannelore en haar familie is dat niet meer dan terecht. Zij hebben
ook geleden, al moet je dat niet willen vergelijken met andere slachtoffers van
de oorlog. De bijzondere rechtspleging, een cowboyachtige bedoening, vervolgde
tienduizenden mensen. Dat kan natuurlijk niet allemaal goed zijn gegaan, ook
hier niet.”
Volgens de schrijver is er in Zeeland
eerder aandacht aan het stuk geschiedenis besteed, maar gaat Hannelore voor het
eerst uitgebreid in op het onderwerp. Kuipers zegt dat het lang duurde voordat
de Vlissingse besliste dat ze met haar verleden naar
buiten wilde treden. “Het contact is verlopen via Gert die met haar werkte.
Uiteindelijk heeft ze de knoop doorgehakt, maar het laat zien dat het nog
altijd een gevoelig onderwerp is.”
Hannelore,
kind van een Duitse moeder in oorlogstijd, 1940-1947. Jan J.B. Kuipers en Gert P. Kuipers.
Uitgeverij Den Boer/De Ruiter. ISBN 978-90-79875-13-9, € 12,50.

***
Nepdokter inspireert Jan J. B. Kuipers
door
Ali Pankow
(bron: PZC 23
september 2009 (bew.))
Meesteroplichter
Abraham Maggaris die in 1764 onder de schuilnaam
Johan Cato Kamerling in Brouwershaven zijn opwachting maakte, blijkt zowel
theatermakers als
schrijvers te inspireren. ‘Geen wonder, snoodaards spreken nou eenmaal meer tot de
verbeelding dan brave burgers,’ zegt de Zeeuwse
schrijver/dichter Jan J. B. Kuipers.
Hij
presenteerde onlangs zijn roman Kleine Leviathan, waarin deze
18e-eeuwse nepdokter de hoofdrol speelt. ‘Ik had al twee verhalen over Abraham Maggaris geschreven. Ik stuitte op hem in de periode dat ik
voor de Encyclopedie van Zeeland werkte. De man was zo’n grote leugenaar
dat hij in zijn eigen verzinsels ging geloven,’ aldus Kuipers.
Onder de naam Kamerling gaf Maggaris zich in
Brouwershaven uit als doctor medicinae en deugdzaam
lid van de gereformeerde kerk. Toenmalig stadssecretaris Daniël Viergever
beschreef de hele geschiedenis onder de titel De schijndeugd op het tweede
schavot. Dit verslag van Viergever, hoewel gortdroog, vormde eerder de
basis voor twee toneelproducties in 1985 en 2004 op Schouwen-Duiveland.
Ook Kuipers putte informatie uit Viergevers verslag. ‘Andere gegevens die ik
over Maggaris heb verzameld, komen uit een
streekroman die een zekere De Graaf in de jaren vijftig over hem heeft
geschreven en uit een artikel destijds in het Zeeuws Tijdschrift. Daarna
was het voor mij zoeken naar de literaire constructie,’ vertelt de auteur.
Hij koos uiteindelijk voor de historische literaire fictie. Dat genre biedt hem
ruimte er danig op los te fantaseren. In Kleine Leviathan heet de
nepdokter dan ook net even anders: Johannes Kamerink
en Brouwershaven wordt Breeuwershaven bij Kuipers.
Kamerinks veronderstelde buitenlandse betrekkingen,
verzonnen fortuin, gefingeerde correspondentie en een van Frederik
II gekregen klisteerspuit verschaffen hem toegang tot de plaatselijke elite.
Tegen het eind van de eeuw overpeinst Kamerink zijn
uiteindelijke falen. De gebeurtenissen die tot zijn berechting en opsluiting
hebben geleid, passeren de revue.
’Ik heb het historische verhaal met plezier vermengd met een grote dosis
fictie. De tijd waarin Maggaris leefde, de Rococo
leent zich daar ook voor. Het was bij uitstek een periode voor absurde
decadentie. Figuren als Maggaris en Casanova vonden
daarin voor hun praktijken een rijke voedingsboden,’ aldus Kuipers.
De titel Kleine
Leviathan verwijst naar de misgeboorte die de auteur de vrouw van de
stadssecretaris laat overkomen. Kamerink geldt als
verwekker. Ook hiermee speelt Kuipers in op de tijdsgeest. Volgens hem smulde
het grote publiek in de 18de eeuw van de publicaties en afbeeldingen van
macabere spelingen van de natuur.
Verder laat de schrijver Kamerink kennis maken met de
Zierikzeese kruidendokter en wetenschapper, de ‘oude
heer Balster’. Voor dit opmerkelijke personage heeft
duidelijk de als zeer respectabel bekende Job Baster
model gestaan. ‘Wellicht was Baster inderdaad een
brave man, maar in mijn fantasie zou hij best ook over misgeboorten
gepubliceerd kunnen hebben, zegt Kuipers.
Kamerinks neergang wordt een drama van mythische
proporties. Zijn herinneringen krijgen een steeds hallucinanter karakter en
zijn gedrag wordt manisch. De auteur laat de gevangene bijvoorbeeld jarenlang
rondjes lopen in zijn cel. ‘Ik heb dat laatste gedeelte inderdaad nog extra
aangedikt om aan te geven hoe slecht het Maggaris is
vergaan. Uiteraard door eigen schuld, maar natuurlijk voel ik mededogen voor
deze snoodaard.’
***
Vensters als
handige kapstokken voor geschiedenisverhaal’
Boek
‘De Canon van ons Zeeuwse Verleden’ gepresenteerd
Door Eugène de Kok
(bron: o.m. Middelburgse
en Bevelande bode, 15 juli 2009;
bew.)
MIDDELBURG – Na een lange aanloop
waarin volop werd gediscussieerd wat wel en geen belangrijke punten waren in de
Zeeuwse geschiedenis, zijn de historische blikvangers van Zeeland nu eindelijk
vastgelegd. Schrijvers Jan J.B. Kuipers en Johan Francke hebben vorige week ‘De
Canon van ons Zeeuwse Verleden’ gepresenteerd.
In vijftig vensters schetsen zij een
beeld van de geschiedenis van de provincie. De schrijvers beginnen met het Land
van Saeftinghe in de preshistorie, gaan via Willem Beukelsz. van Biervliet, de hagenpreken bij Dishoek en Jacob Cats naar het (voorlopige) eindpunt: de
kerncentrale van Borssele. Sommige vensters komen overeen met de al even
veelbesproken nationale geschiedeniscanon (Michiel de Ruyter en de
Watersnoodramp in 1953), maar ‘de Zeeuwse geschiedenis meandert ook langs
andere wegen dan de nationale geschiedenis’, schrijven Jan J.B. Kuipers uit Kattendijke en Johan Francke uit Zoutelande
in de inleiding van het rijkelijk geïllustreerde boek.
“In Zeeland is er altijd een sterke
Vlaamse invloed geweest, was er een vroege verstedelijking, maar weer een late
industrialisatie”, noemt Kuipers een paar punten waarop de Zeeuwse van de
nationale historie verschilt. “Ook de kaapvaart heeft hier een enorme
belangrijke rol gespeeld.” In het boek van Kuipers en Francke komen al die
punten aan bod. Het tweetal deelde de vijftig blikvangers door de helft naar
gelang hun kennis over het onderwerp.
In de praktijk kwam het erop neer dat
Kuipers vooral over de oude tijdvakken schreef en Francke zich richtte op het
recentere verleden. Hoewel beiden al veel historische publicaties op hun naam
hebben staan, was het schrijven geen routineklus. “Je probeert in de eerste
plaats alles up to date te houden. Bovendien weten we
niet van elke periode even veel, dus doe je veel onderzoek. Tijdens die
research kom je soms weer nieuwe dingen tegen die je erin verwerkt.”
Nehalennia
De auteurs houden zich niet aan het
strikt beschrijven van de gebeurtenissen of personen in de vensters, maar
blikken bij elk venster wel terug en vooruit of kijken zijwaarts. “In het
hoofdstuk over de Nehalenniatempel bij Colijnsplaat
komt bijvoorbeeld de hele Romeinse tijd in Zeeland voorbij. De vensters zijn
slechts kapstokken om de geschiedenis van de provincie te beschrijven. Het is
een handige manier om een overzicht te geven voor iedereen die is geïnteresseerd
in de regionale geschiedenis.”
Die kennis mag wat Kuipers betreft bij
een deel van de bevolking nog wel worden opgevijzeld. “Je hebt heel veel mensen
die goed op de hoogte zijn van een deel van de geschiedenis, maar wat algemene
kennis betreft valt het volgens mij tegen. Dat is kenmerkend voor het
informatietijdperk. Je neemt wat tot je en richt je daarna weer op iets
anders.”
De belangstelling voor het regionale
verleden lijkt echter alleen maar toe te nemen, getuige ook de rijen boeken die
elk jaar over Zeeland verschijnen. “Vroeger kwam er één boek per jaar uit, nu
is dat er minstens eentje per maand. Ik heb mensen gekend die alles verzamelden
over de Zeeuwse geschiedenis … daar hadden ze dan een aparte kast of een deel
van een boekenkast voor. Dat is nu niet meer te doen. Je zou het niet eens meer
redden als je ze zou opslaan in een grote landbouwschuur.”
Onderwijs
‘De Canon van
ons Zeeuwse Verleden’ werd vorige week gepresenteerd op een basisschool in
Goes, maar het is beslist geen leerboek dat de kinderen uit hun hoofd moeten
leren, zegt de schrijver uit Kattendijke. “De leraren
op de scholen wordt wel sterk aangeraden het boek te gaan gebruiken en ik denk
ook dat dit een handig middel is om jongeren en volwassenen kennis over de
Zeeuwse geschiedenis bij te brengen. Het zal zeker een paar jaar mee gaan.” ‘De
Canon van ons Zeeuwse Verleden’ is verschenen bij Walburg
Pers. ISBN: 978 90 5730 595 5.
***
Het fantoomlicht van onze verbeelding
Marcel Orie spreekt
met Jan J.B. en Gert P. Kuipers
(bron: Holland SF, maart 2008 -
jaargang 42 nr. 1 (#233), 18-24)
MO: De laatste tijd verschijnt er
nogal wat werk binnen de fantastische genres. Nieuwe verhalen in de twee
Zwartboeken en Wonderwaan, en dan nu natuurlijk ‘Het Spel om de Regendanser’
(Mechelen: Verschijnsel, ISBN 978-90-78720-06-5).
Was het een bewuste beslissing om weer dit soort werk te gaan schrijven?
JK: De
Regendanser is voor zijn ontstaansgeschiedenis schatplichtig aan een centraal
mythologisch thema, namelijk dat van de Verrijzenis. De eerste versie is zo’n
twintig jaar geleden voltooid door mijn broer en mij. Het verhaal bleef jaren
een steen op de maag, die ooit weer opgeboerd zou
moeten worden, dat stond vast. Een moeizame operatie. Probleem was het intussen
onleesbare formaat van het antieke tekstprogramma. Mijn echtgenote Heleen heeft het typoscript – goddank hadden we dat nog wel
– gedigitaliseerd, op basis waarvan de huidige versie ontstond. Zonder haar was
het er nooit meer van gekomen; ook de stad Mechelen en een daar residerende
ex-Hagenees spelen een rol. Er was, kortom, alleen een bewuste beslissing om De
Regendanser te revitaliseren. De drang die dáár weer voor zorgde heeft minder
te maken met een fantasy-hausse dan met een bevel uit
het systeem der spijsvertering.
GK: De Heer
van Oth, verpakt in het vlies ‘Het Spel om de
Regendanser is’ een nakomertje, geboortig uit een bijna geaborteerde,
langdurige zwangerschap. Wel, het kind werd geboren iedereen moet het ermee
moeten doen, hopend op het beste.
MO: De collaboratie? Hoe moet ik me dat
voorstellen? Om de beurt een hoofdstuk? Ieder schept zijn eigen personage? Of
zo’n wonderlijke symbiotische werkrelatie, waarbij de één op kan staan van
achter zijn typemachine waarna de andere het verhaal voortzet (a la Henry Kuttner & C. L. Moore)?
JK: Doorgaans
ging het net als met de korte verhalen die we gezamenlijk hebben geschreven.
Mijn broer kwam met een voorzet, daar haakte ik weer op in en zo verder en
verder. Soms ook omgekeerd: Gert zette de bijl aan de voet van mijn bedenksels. Andere passages zijn
individueel werk. Allemaal schriftelijk gecommuniceerd want het was, jonge
lezertjes, nog het pre- en uiteindelijk proto-thuiscomputertijdperk.
Er met z’n tweeën voor gaan zitten, aan één bureau, hebben we ook wel gedaan.
Maar ja, dan kwam al snel een biertje op tafel en zaten we een uur later in het
café. Sommige personages kwamen uit de koker van Gert, andere uit die van mij.
Of ze werden geboren tijdens gesprekken die we hadden. Het is een onontwarbare
kluwen. Ik herinner me nog wel dat het karakter Joachim door mijn broer is
bedacht in het kader van een ander, uiteraard eveneens apocalyptisch verhaal;
maar zijn uiterlijk heeft dit personage weer deels aan mij te danken. Ik heb
deze Joachim ook in verhalen van mij alleen opgevoerd, soms in iets aangepaste
vorm, zoals in de Octantsage ‘Jagerslied’ in een van de oude Ganymedesbundels (ook opgenomen in Bannenfluister, hemelglas), waarin de onsympathieke
wijsgeer op de randwereld Knookhamer een vorm van autokannibalisme praktiseert.
Lieven Bedelbroot kroop weer uit mijn aktentasje, maar werd door mijn broer ijverig van een
zorgwekkend gedragspatroon voorzien.

GK: Dit verhaal
werd gedicteerd door de goden. Wat ik ervan begreep heb ik opgeschreven en
doorgegeven aan mijn broer, die er het zijne mee heeft vervlochten.
MO: Regendanser is jullie eerste lange
werk voor volwassenen binnen de fantasy. Was de
lengte een bewuste keuze, of iets dat al schrijvend tot wasdom kwam?
GK: Deze
geschiedenis duurde zo lang omdat er maar geen eind aan kwam, totdat Jan
opstond en de machten een halt toeriep met de magische woorden: ‘Zo is het
genoeg, want meer kunnen wij niet verdragen’, waarna het eindigde.
JK: We wilden
wel een verhaal van romanlengte schrijven, maar tegelijkertijd de personages en
verhaallijnen zich min of meer vrij laten ontwikkelen; wisten wij veel waar het
allemaal moest eindigen? Dat zou het verhaal zelf moeten openbaren. Zeker
bevroedden wij niet, dat de barensweeën een kwarteeuw gingen duren.
MO: Een kwarteeuw gerijpt, volgens mij
is dat terug te lezen in de vreemde ‘diepte’ die de wereld in de roman
suggereert. Je krijgt het gevoel dat de wereld al geëvolueerd en ontwikkeld is,
niet alleen gedurende de queeste waarvan we getuige zijn, maar ook talloze
cycli daarvoor. Het resultaat: een wereld die gebukt gaat onder zijn
voorgeschiedenis.
Het prikkelt ook de nieuwsgierigheid
naar hoe die intrigerende wereld opgebouwd werd.
De prachtige Passage-vignettes uit ‘Bannenfluister,
Hemelglas’ komen we weer tegen in de roman, naadloos vast gesmolten in het
ongrijpbare reisverslag over het Onbetreden Land. Raakten deze vignetten
tijdens het herschrijven van de roman bij de verhaallijn betrokken, of zijn ze
uit de eerste versie van de roman gehaald om als voorproefje te publiceren in Bannenfluister, Hemelglas?
JK: De
Passage-vignetten heb ik destijds uit het romanmanuscript getild en een tikje
bewerkt voor de bundel. Overigens was de structuur van de beschreven wereld al
helemaal klaar in de eerste versie, waarvan de productie zich ook over een paar
jaar had uitgestrekt; de latere redactie bewoog zich meer op het bekende
terrein van poetsen en boenen, alle hardwerkende scribenten welbekend.
MO: Op de achterflap van de roman
vinden we de noemer ‘luchtighartige fantasy’ (weliswaar met een vraagteken erachter). Het is
een label dat ik niet zou plakken op dit epos. Regelmatig zijn de
verwikkelingen en interacties van de personages komisch, maar luchtig vind ik
de queeste met ontologische implicaties geenszins.
In het artikel ‘Grondstof van het
Fantastisch Lichaam’ (HSF41-1) schreef jij, Jan, over het verhaal ‘Jagerslied’:“Niet dat er uit dit verhaal iets geleerd moet
worden wat er met opzet in is gestopt; verhalen zijn immers niets dan leugens
in dienst van de waarheid; als het goede of tenminste goedbedoelde verhalen
zijn die een tikje meer willen bieden dan alleen verstrooiing.”
Hoe moeten we de Regendanser lezen,
dan wel ontcijferen?
GK: Het gaat
om een evangelie in beeldtaal zonder plaatjes. Een redelijke kennis van de
Nederlandse taal is een aanrader. Ontcijferen? Daarvoor behoeft men slechts
mens te zijn met enige belangstelling voor ‘verschijnselen’. Misschien ook voor
puzzelen? U zegt het.
JK: De leugen
van de ‘kunst’ bestaat uit het oproepen van illusie. Wagner schrijft ergens
ongeveer dat kunst illusie is, en dat illusie tot de waarheid voert. Iedereen
begrijpt waarom: het dagelijks leven is te vuil, te verward en te banaal om er
zingevend brood van te bakken. Pas als we onze ervaringen ordenen rijst het
begrip. Welk begrip? Dat hangt van af van jouw ervaringen. In elk geval gaat
het erom dat men zich alom feliciteert met de Aanschaf van De Regendanser. Ja,
moet je beseffen, ja! De Regendanser legde een glans over sommige van mijn
uren!
MO: Bij een allegorische vertelling
bestaat altijd het risico dat deze bezwijkt onder de druk van didactische
drang. Persoonlijk ben ik niet zo’n liefhebber van de allegorie, als het er te
dik op ligt dat de verteller iets heel anders bedoeld dan hij zegt, voel ik me
altijd een beetje bedrogen.
Ondanks zijn mogelijk allegorische
elementen omzeilt ‘Het Spel om de Regendanser’ die misstap. De wereld waarin de
Regendanser zoekgeraakt is, lijkt bezield met een soort krankzinnige interne
logica (vergelijkbaar met de ongeschreven maar voelbare wetten in het Kasteel Gormenghast.) De vreemdheid, de onmogelijkheid van zulke
gebeurtenissen wordt dik onderstreept. De onbestaanbare plaatsen die het trio
protagonisten aandoet op de queeste worden met trefzeker taalgebruik plastisch
en geloofwaardig gemaakt.
JK: Volgens
mij is eerder sprake van archetypische of desnoods symbolische, dan van
allegorische inhouden. De allegorie is inderdaad didactisch, bloedeloos.
Archetype – niet dogmatisch opgevat – en symbool hebben meer een verwijzende
waarde, ze duiden zaken en betekenissen aan die als schaduwen in onze psyche rondwaren, net buiten het bereik van de rationele
verklaring. Naar een uiteraard krankzinnige interne logica hebben we zeker
gestreefd, hoewel we veel tegenwerking van onze personages ondervonden.
Tegenwoordig werk ik anders, ik zoek het nu meer in het rijk van de associatie
en door de taal opgelegde verbanden. Wel probeer ik nog alles met alles in
verband te brengen. In veel van mijn verhalen wordt naar personages en zaken
uit andere verhalen verwezen. In enkele avonturen van mijn privédetective Siebe
Edens kom ik zelf ook als personage voor. Ons
zelfbeeld is grotendeels fictioneel, dus die aanpak is zeer verantwoord.
Treffend dat je Gormenghast noemt: dat onpeilbare
slot en zijn bedenker Peake leerde ik kennen na een
artikel van literair kompaan Paul van Leeuwenkamp. Was zeer onder de indruk van
die twee delen; ook de latere BBC-televisieserie vond ik heel geslaagd.
Eindelijk weg van de terreur van een ‘plot’. Mede dit type essayistische input
van Paul van Leeuwenkamp heeft me weer terug op het pad van de fantastiek
gebracht.
GK: De
werkelijkheid is ongenaak- en ongrijpbaar, de logica
een ongeschikt instrument om haar te lijf te gaan. Woorden kunnen haar niet
‘bezitten’ of zelfs afdoende beschrijven. De Regendanser is, zo bekeken, niet
alleen een verhaal ter vermaak, maar een werk met bijbelpretentie Een boek
waarin het over iets onzegbaars gaat. En –
geschreven door Apostelen natuurlijk. Een gewichtig boek is het, bijna
600 gram. Dostojewski's Boze geesten
(784 pag.) komt niet verder dan een armzalige 380 gram. Regendanser is tevens
een boek met een huid als een wapenrusting; volgens mijn digitale schuifmaat
3,45 mm ondoordringbaar pantserstaal rondom. En flexibel in de rug.
MO: Het gevoel van vervreemding dat
vooral de laatste helft van de roman oproept, rust herhaaldelijk op vergroting
en herhaling, twee kenmerken van de pop art-stroming, soms heel letterlijk
(denkend aan bijvoorbeeld de Wouden van Kwaadzin).
JK: Klopt.
Het spelen met herhaling en variatie is ook verwant aan het domein van de
poëzie. En verwijst ook naar de oude orale traditie van - vaak zeer fantastische
- volksvertellingen. Het knapperende haardvuur en zo. De herhaling diende als
geheugensteuntje voor de verteller en voor het verhaalskelet, maar gaf je
vertelling tegelijk een magisch, bezwerend cachet.
GK:
Vervreemding? Ja, de overgang van de ene naar de andere toestand kan wel eens
als zorgwekkend, vreemd en beangstigend ervaren worden. Niet onnatuurlijk in
een proces waarin alles tot verandering wordt gedwongen. Ik denk aan geboorte
en dood. Maar gaandeweg wordt de ene herinnering verdrongen door een andere en
al snel weten we niet beter.
MO: De omvang van de roman is enorm.
Inderdaad een epos, dat zich veel verder uitstrekt dan 240 pagina’s, maar
cyclus na cyclus impliceert, uitstrekkend van verleden tot toekomst. De
ontknoping van het boek is zeer indrukwekkend.
Jan: Dank, o
dank. Maar na het slot was het uit! Althans voor auteurs en lezers.
GK: Maar ook
zeer onbevredigend. Was het allemaal voor niets? Ze zijn ook zo uitgeblust,
deze Oth en zijn goden. Er ligt nog een ander
manuscript, met andere antwoorden op de manke Mysteriën die ons omringen. Over
een zekere Tigonius, die kennis krijgt aan iemand van
de naam Joachim.
MO: Alle plaatsen en gebeurtenissen
maken deel uit van “een kolk van leugens en illusie”(p. 219). Voor enig houvast
in deze duizelingwekkende dwaaltocht moeten we ons wenden tot de drie
hoofdpersonen van de roman.
GK: Ook dat
trio is gevangen in de maalstroom. Ze hebben noodgedwongen genoeg aan zichzelf
en weinig op met anderen.
JK: Kunnen platte
karakters ronde karakters worden, behalve door op middelbare leeftijd te veel
te vreten? Jazeker, maar daarover hebben we het nog wel eens.
MO: Ronde karakters inderdaad. We
moeten ons beeld van de hoofdpersoon, de oude ridder Gruwaald
van Oth herhaaldelijk herzien. Aanvankelijk lijkt hij
een onwaarschijnlijke kandidaat voor de queeste waarmee hij opgescheept wordt,
maar al snel openbaart hij zich als een effectieve vechtmachine en vervolgens
als een pragmatisch en plichtsgetrouw man. “Altijd had hij zich laten leiden
door bondige gedachtenreeksen, die meestal om
enigerlei concrete uitvoering vroegen.” (p.192) Regelmatig is Gruwaald niet meer dan een dogmatische botterik. Ik denk
dan bijvoorbeeld aan de treffende passage waarin hij de kennis van Bedelbroot over mist hoont. “Wat had je aan al die
nutteloze reflectie?”
Naar mijn mening is Gruwaald van Oth het meest
geslaagde personage uit de roman. Wanneer zijn pragmatisme doorslijt en zijn
agressie geen doel kan vinden, borrelt zijn melancholie op. Dit is een nazaat
van Don Quixote, niet van Conan.
JK: De Heer van Oth is
de enige figuur van wie we een echte mentale ontwikkeling meemaken. Van een om
zich heen hakkend pulppersonage wordt hij een totaal gedesillusioneerde, maar
vrije mens.
GK: Hij is zeker
geen filosoof. En beslist geen diplomaat, omzichtigheid is hem vreemd.
Gewetenloos? Jazeker, maar binnen zekere grenzen - die weer makkelijk verlegd
worden.
Dikhuidig? Absoluut. Een gelovige? Zeker. En een overlever, dankzij aangeboren
boerenslimheid. Bovenal een Heer.
MO: De stuntelende tovenaarsleerling
Lieve Bedelbroot is een laffe, gemakszuchtige
en egocentrische jongeman, wiens acties zo nu en dan amoreel te noemen zijn.
Toch kleeft er steeds iets hoopvols aan het optreden van deze jeugdige kerel.
JK: We kennen
allemaal deze Lievens uit klaslokaal, café of bedrijf. Als ze eenmaal boven de
twintig zijn, vervagen ze snel en lossen op. Ik heb tenminste nog nooit een
oude Lieven gezien. En toch is-ie ouder dan Harry Potter.
GK: Lieven is
jong, en dronken daarvan. En behept met stuurloze ideeën en energie, zoals alle
jongelingen.
MO: Joachim, de lichtgeraakte filosoof
en sinistere aartsintrigant, is het meest ongrijpbare
karakter binnen de roman. Dienaar van de tijdworm en
vertegenwoordiger van de vergankelijkheid. In een interview met Paul van
Leeuwenkamp (HSF 38-6) noemde jij, Jan, hem de Hocus Pas van de gebroeders
Kuipers. Ik krijg het gevoel dat de schrijvers ongelooflijk veel plezier
beleven aan hun ‘onsympathieke’ creatie.
JK: Hij
dringt zich overal binnen, en steevast ongevraagd. Over een archetype
gesproken.
GK: Joachim
de Wijze is een opportunist met een opgeruimd karakter. Een filosoof met een
taakstraf. Ondanks dat ook hij vastgekleefd zit in het web van goden. Maar hij
lijkt onsterfelijk, hoewel die kwaliteit afhankelijk is van de jurisdictie van
het ‘gebied’ waar hij toevallig verblijft. Maar er zijn talloze goden en
dimensies. Joachim is bekwaam. Misschien daarom dat hij overal opduikt.
MO: Natuurlijk speelt deze roman met
de tropen van de fantastiek. De Dolende Ridder, de Zot, de Magiër. Heilige Gralen en Visserkoningen. Het Spel van de Goden. De
schrijvers grijpen de archetypen op en gaan er dan mee aan de haal. Ze kiezen
daarbij hun eigen koers. Om de tekst, op de achterflap anders te verwoorden,
boven alles is “De Regendanser” vooral eigenzinnig.
Natuurlijk, een fantasyliefhebber
kan in ridder Oth met zijn erfstuk Dijsluimer een
parodie op de eerder genoemde onoverwinnelijke Conan
of de gedoemde albino Elric en zijn verdoemde zwaard lezen.
Net zoals Lieven Bedelbroot natuurlijk zijn tong uit
kan steken naar een Cugel, Rincewind
of zelfs Harry Potter. Ik heb echter het gevoel dat ‘Het Spel om de
Regendanser’ niet geschreven werd als een parodie op het genre.
GK: De
Regendanser is een coproductie van twee broers die beiden, turend vanuit hun
eigen venster op de wereld en de werkelijkheid, de handen ineensloegen en tot
schrijven overgingen, om wat zij gewaar werden enigszins verteerbaar te maken.
Een genre? Wist het niet. Proost!
JK: Zelf had
ik bij het schrijven steeds ook de oude ridderroman voor ogen. Als Oths voorzaat zoals je zegt Quixote
is, de Ridder van de Droevige Figuur die een parodie op het ridderideaal
belichaamt, is Oth de pastiche van een pastiche, een
satirieke gestalte nogmaals door de lachspiegel vervormd. Dat betekent tragiek
en duistere ondertonen. Geen wonder dat hem zoveel onheil beschoren is.
MO: “In den vreemde worden de
protagonisten belaagd door vertegenwoordigers van onaangename volkjes.” Er
schuilt niet veel goeds in de mensen die de protagonisten op hun pad treffen.
Vreemdelingen zijn natuurlijk sowieso barbaren. Of het nu de snuffelende
woestijnbewoners zijn of de Leenheren van het door de onophoudelijke regen
geteisterde Rijk, iedereen is uit op zijn eigen gerief. Idealen zijn weinig
waard. Gemakszucht, corruptie, vraatzucht, en
geilheid vieren hoogtij, nu en dan verhuld door hypocrisie of onverdund
bedrieglijkheid. Kunnen we op basis hiervan conclusies trekken omtrent het
mensbeeld van de auteurs?
JK: Kort
geleden stond ik ’s avonds laat op het perron in Middelburg. Een onguur
uitziende jongen van zestien, zeventien jaar werd belaagd door een trio nog
onheilspellender knapen, met capuchons en wijdbeense gang. Ze treiterden en
dreigden hem. De eenling raakte in paniek toen één van de drie hem een stomp
gaf. Hij verdween van het perron naar het duistere parkeerterrein daarachter,
jankend. Het trio zette joelend en op een sukkeldrafje de achtervolging in. De
weinige andere aanwezigen op het perron staarden peinzend in de regen en
maakten geen aanstalten om het groepje achterna te gaan. Ik ook niet. Mijn blik
viel op het hypermoderne elektronische mededelingenbord, waarop een nieuwe
mededeling was verschenen: ‘Welkom op station Middelburg’. Hoezo mensbeeld?
GK: Mag alles
en iedereen graag. Ben soms wat verbaasd wanneer ik verneem dat ouders hun
kinderen uitmoorden, en een beetje misselijk wanneer ik zie hoe ook het
gedierte wanneer het gevoederd wordt liefst elkaar de strot afbijt. Maar tevens
verheugd en dankbaar dat ik dit alles mag beleven en ervaren, en zelfs mee mag
veroorzaken en aanrichten.
MO: De daad van het schrijven is in de
roman herhaaldelijk een gewijde, rituele of in ieder geval uitermate
belangwekkende handeling. In een indrukwekkende scène biedt het zelfs
immuniteit tegen een monsterlijk bloedvergieten.
GK: Ben tegen
bloedvergieten, maar wel liefhebber van bakbloedworst. Paradox. Wat weegt
zwaarder?
JK: Is me
nooit opgevallen! Nu je het zegt… Ken je die oeroude kreet ‘navigare
necesse est’, ofwel ‘varen
is noodzaak’? Het geldt des te meer voor de act van het schrijven. Wij mensen
torsen volgens sommigen een uit zijn krachten gegroeide hersenstructuur, gevolg
van de opeenstapeling van toevalligheden in een ongestuurde, zigzaggende evolutie.
‘Stuurloze
Kracht’ heet zulks in De Regendanser. Vanuit dit perspectief is schrijven een
vanzelfsprekend, zelfs onontkoombaar vervolg op de faculteit van het lopen.
***
Wonen in Schoondamme?
Zeeland heeft er een gloednieuw dorp
bij
(bron: interview Marcel van der Voort
in De Faam en De Bevelander mei 2007; bew.)
SCHOONDAMME – Op zaterdagochtend loopt
een meisje door de straten van Schoondamme. Ze
passeert enkele huizen en gaat dan de fietsenwinkel binnen. Even later wandelt
ze langs het plaatselijk café en gaat richting de kerk. Opeens gaat ze omhoog
en vliegt over het dorp.
Dat is
allemaal mogelijk in de virtuele wereld van Schoondamme.
Een lieflijk dorpje op Secondlife. Deelnemers mogen
na het inloggen op de website zelf een karakter creëren en die zijn meestal
mooi, mooier het mooist. Een wereld die grote vormen aanneemt op het internet.
Schrijver Jan Kuipers uit Kattendijke voorziet het dorpje van een heuse geschiedenis.
Allemaal verzonnen, of toch niet? Zijn woonplaats is een klein dorpje met een
café, weliswaar inmiddels gesloten, en een kerk. “Dit is echt toeval. Toen ik
de geschiedenis van Schoondamme schreef, was het
dorpje er al. Ik heb naar aanleiding van een promotiefilmpje het verhaal
gemaakt. En het openingsgedicht. Allemaal terug te vinden in Schoondamme. Bij het schrijven putte ik niet uit
plaatselijke dingen, maar wel uit landelijke en Zeeuwse zaken op basis van de
echte historie.”. De naam Schoondamme lijkt te zijn
ontstaan uit de Zeeuwse plaatsjes Kwadendamme en Schoondijke.
Ondertussen
bezoekt het meisje een graf. Daar ligt Jochem Vliegertouw begraven. In 1713
vangen inwoners van Schoondamme een enorme steur in
de Broekse Ee. Het dier mat twintig Rijnlandse
voeten, dat is bijna zes meter. Bij het binnenhalen sloeg de toen veertienjarige
Jochem Vliegertouw overboord en verdronk onder de ogen van zijn vader en
broers. “Sommige dingen zijn realistisch, andere niet. Soms moet je dramatiek
inbrengen om de realiteit na te bootsen. Natuurlijk ga ik niet voor het plezier
allerlei leed opkrikken”, zegt Kuipers. Af en toe bezoekt hij Schoondamme. Kuipers: “Het kan bij velen in een soort
verslaving verzanden en tot contactverlies leiden. Toch verwacht ik dat het een
nog grotere vlucht gaat nemen. Daarom zal er wellicht een vervolg komen”. Hij
verwijst naar het in 1421 door het water verzwolgen oude Schoondamme.
Nu is het al mogelijk om over het dorp te vliegen en onder water te lopen. Een
bezoek aan het verdronken land lijkt dichtbij.
Nieuwe boeken
Eind april verschijnt
van Jan Kuipers de thriller In de schaduw
van Michiel. Een avontuur van privé-detective
Siebe Edens. In september volgt Het spel met de Regendanser. Deze humoristische fantasy
maakte Jan J.B. Kuipers samen met zijn broer Gert.
***
Jan Kuipers schrijft thriller
Een luchtige
component in het De Ruyterjaar
Eugène de Kok in De Vlissingse Bode, 25 april 2007 (bew.)
Het Michiel de Ruyterjaar kon wel wat
humor gebruiken, vond schrijver Jan Kuipers. Hij schreef de thriller In de schaduw van Michiel. Daarin komt
de Groningse speurder en antiheld Siebe Edens naar
Zeeland om een voorwerp te pakken te krijgen dat een belangrijke rol speelde in
het leven van de zeeheld. Met de bon bij dit artikel konden duizend lezers de
thriller voor een euro kopen bij boekhandel ’t Spui in Vlissingen.
Voor de
schrijver uit Kattendijke was het niet meer dan
logisch dat hij dit jaar een boek over Michiel de Ruyter zou schrijven. Jan
Kuipers heeft door zijn vele werkzaamheden al meerdere malen gepubliceerd over
de beroemde Vlissinger. “Ik kom Michiel de Ruyter in
allerlei hoedanigheden regelmatig tegen”. Dit jaar recenseerde hij bijvoorbeeld
vrijwel alle herdenkingsboeken, onder meer voor het Zeeuws Tijdschrift. “Ik heb thuis stapels boeken over hem liggen:
fictie, non-fictie, jeugdboeken en boeken die specifiek zijn gericht op
Middelburg en Vlissingen. Er komen veel goede dingen uit, elk boek is met
overtuiging gemaakt en ze voegen allemaal wel iets toe, maar het is veel om te
verteren. Het jaar is nog niet halverwege, maar ik ben al redelijk voorzien.
Een wat luchtiger component in het Ruyterjaar leek me ook daarom wel nuttig”,
zegt hij over zijn eigen boek. ‘De herdenking is er dit jaar vooral één van
verenigingen en stichtingen. De laatste herdenking in 1957 leefde veel meer
onder de bevolking. Dat was een veel grotere gebeurtenis”.
In de schaduw van Michiel gaat onder meer over die herdenking,
maar ook over de zeeheld zelf en de evenementen van dit jaar. “Het is een
beetje larger than
life. Er vallen bijvoorbeeld al snel enige lijken”. Over het precieze
verhaal wil de schrijver niet al te veel kwijt. Hoofdpersoon is net als in Moord aan boord van de PSD Siebe Edens. “Een Groningse speurder die al vaker avonturen heeft
meegemaakt. Iemand die balanceert op het randje van goed en net niet goed.
Maar”, typeert hij hem verder, “hij is van goede wil. Hij maakt lang niet
altijd de goede keuzes, maar uiteindelijk komt het toch altijd op zijn pootjes
terecht.”
In het boek
speelt de beklimming van de Sint Jacobskerk door de nog jonge Michiel de Ruyter
een cruciale rol. “Verder nogal wat moorden, treurnis, zedelijk bederf, drank
en tabak, zinloos geweld, satire en jolijt”, liet Kuipers al eerder in de pers
optekenen. Kuipers koestert bewondering voor Michiel de Ruyter. “Het was zeer zeker
een bijzondere man, buitengewoon moedig ook. Natuurlijk had hij zijn minpunten,
maar het is iemand die zeker in ere moet worden
gehouden. Al zijn er natuurlijk nog veel meer Zeeuwse zeehelden.”
Terwijl zijn
thriller net verschijnt, is Kuipers al weer druk bezig met andere projecten. Zo
komt er in september een nieuwe fantasyroman van hem uit. Net als eerder
sciencefictionwerk schreef Kuipers Het
spel van de Regendanser samen met zijn broer Gert P. Kuipers. “Ik hou van bovenrealistische romans. Het Nederlands realisme vind ik
over het algemeen vreselijk. Maar”, zegt hij, “Ik wil mezelf niet in een
bepaald genre laten duwen. Ik heb ook al veel non-fictieboeken geschreven, net
als jeugdboeken, doe daarnaast veel redactioneel werk en heb meegewerkt aan leermethodes
voor scholieren. Ik hou me bezig met allerlei genres en zorg ervoor dat ik
altijd wat te doen heb. Sommigen noemen me een veelschrijver, maar ach: het zij
zo. Er zijn toch al heel wat goede dingen van me verschenen. Ik heb niet voor
niets een aantal prijzen gehad”, wijst hij onder meer op de King Kong Award
(1983 en 1987), Millennium Award (1997), Zeeuwse Boekenprijs (2005) en de Gorcumse Literatuurprijs 2004-2005.
Toch is er
wel één gemeenschappelijk kenmerk in een groot deel van zijn omvangrijke oeuvre
te herkennen: humor. “Dat is de enige manier om de werkelijkheid te verdragen”.
***
De toekomst: ieder zijn eigen subcultuur
Nederland
was nauwelijks hersteld van de Tweede Wereldoorlog toen een nieuwe crisis zich
aandiende: de ontsporende jeugd. De film ‘Rock around
the Clock’ werd verboden in Apeldoorn en Enschede,
waarop relletjes uitbraken. Een nieuwe muzieksoort had zich aangediend, snel,
opwindend en seksueel getint. Medio jaren ‘50 rebelleerden jongeren tegen de
heersende opvattingen en verstikkende zuilenmentaliteit, dansend op de klanken
van deze muziek: rock ‘n roll. De bekende zuilen
werden afgebroken, jongeren beslisten voortaan zelf met wie ze omgingen. Rock
‘n roll werd al snel een synoniem voor het
‘generatieconflict’. Het is deze week 50 jaar geleden dat de film Rock around the Clock in Nederland
in de bioscoop verscheen. Jan Kuipers,
stadsdichter van Middelburg, schreef het boek ‘Brommers, gitaren en spandoeken:
50 jaar jong in Zeeland’. Deze verkenning van het ontstaan van de Zeeuwse
jeugdcultuur werd genomineerd voor de Zeeuwse Boekenprijs 2006.
Door
Stefan Keerssemeeckers (nov. 2006)
Jongerenculturen
ontstonden in de naoorlogse VS, snel gevolgd door Groot-Brittannië. Het duurde
een tijd voordat de verschijnselen, jongens met vetkuiven en leren jacks, ook in Nederland zichtbaar werden. Logisch, volgens
Kuipers. “Amerika werd vóór de Tweede Wereldoorlog als een verderfelijk land
gezien. Omdat het zo’n jonge staat was, weinig verfijnd, amper historie en
cultuur, kòn er niets goeds vandaan komen. Nederland
richtte zich vooral op de Europese landen. Alles wat de Atlantische oceaan
overstak werd met argwaan bekeken. Jazz bijvoorbeeld, die zwarte muziekstroming
werd aanvankelijk betiteld als ‘verderfelijke negermuziek’.” Pas na de Tweede
Wereldoorlog, waarin de Amerikanen een grote rol speelden bij de bevrijding van
Europa, veranderde die situatie. Amerika was niet langer ‘dat rare land aan de
overkant van de oceaan’, maar werd een belangrijk bondgenoot. “Als gevolg
hiervan ging Europa steeds meer openstaan voor de Angelsaksische cultuur. Rock
‘n roll hoorde daar ook bij en werd al snel door de
jeugd opgepikt.”
Jongeren
waren blij met de vrijheid die rockmuziek bracht. De zuilen werden snel
afgebroken. De jeugd bleek heel goed zonder de ouderwetse betutteling te
kunnen. Ze maakten zélf wel uit wat ze in hun vrije tijd deden, en met wie.
Ouderen zagen met lede ogen aan dat hun vertrouwde zuilen aan relevantie
verloren. “Ons land was in de jaren ‘50 nog helemaal niets gewend. Ik ben in
Middelburg opgegroeid. Daar woonde in de jaren zestig welgeteld één neger.
Ronnie. Als je vroeg wie Ronnie was, dan kon iedereen in de stad het je
vertellen. Als er in de buurt een zanggroep optrad met donkere artiesten werd
het aangeduid met: ‘Heden Kleurlingenorkest’. Dat soort termen kunnen
tegenwoordig natuurlijk niet meer. Indertijd was Zeeland, of eigenlijk heel
Nederland, naïef. Er woonden ook bijna geen buitenlanders.” Vermaak voor
jongeren was in die tijd strak geregisseerd. Socialistische jeugd kwam op
vrijdagavond bij elkaar om strijdliederen te zingen, gelovigen zongen samen
psalmen. “Alleen de katholieken organiseerden dansavonden met moderne muziek.
Niet dat zij rock ‘n roll toejuichten. Het was een
soort slinkse manier om jongeren aan de kerk te binden. De meeste weerstand
kwam uit de protestantse, hervormde en gereformeerde gemeenschap. Die moest
niets hebben van die seksuele muziek. Het zou de jongeren maar op verkeerde
gedachten brengen.”
Cynisch
Handelaren
sprongen handig in op de vrijheidsdrang van de jeugd, die door de stijgende
welvaart een nieuwe doelgroep ging vormen. “Het wrange is dat de emancipatie
van jongeren alleen mogelijk is geweest doordat handelaren er geld in zagen. De
jeugd had steeds meer te besteden. Fabrikanten vroegen zich af: ‘Wat willen die
jongeren hebben? Brommers, rock ‘n roll, Beatlepruiken? Prima, dat maken we!’ Jeugdcultuur is
compleet ingelijfd door de commercie. Punk is begonnen als een subcultuur die
zich tegen iedereen afzette. Punkers liepen in versleten spijkerbroeken met
veiligheidsspelden erin. Tegenwoordig koop je dat soort kleren in een
burgerlijke winkel als de C&A. Of denk aan die T-shirts met Che Guevara
erop. Shirts met het hoofd van een marxistische revolutionair die je voor 30
euro koopt. Als je er over nadenkt is het eigenlijk bespottelijk. Er wordt
handig gebruik gemaakt van de ideologie die jongeren hebben. Juist omdat die in
jongeren zit wordt er heel veel geld aan ze verdiend door mensen die geen
ideologie hebben. Als je erover nadenkt is dat wel cynisch.”
Sinds de
jaren ‘50 is er veel veranderd in de Nederlandse samenleving. Migratie,
economische welvaart, crises en technologische ontwikkelingen zoals het
internet en mobiele telefonie. Zijn jeugdculturen nog hetzelfde als vroeger?
“Het is opvallend dat jongerenculturen tegenwoordig vluchtiger lijken. Er
hebben jarenlang nozems door de Nederlandse straten gelopen. Het lijkt alsof de
rages elkaar nu veel sneller opvolgen. Er komen heel snel, heel veel stromingen
bij. Ze komen en gaan zó snel dat ik er momenteel een beetje het zicht erop
kwijt ben. Het internet is tegenwoordig heel belangrijk voor de subculturen.
Voorheen was je afhankelijk van de mensen om je heen. Als al je vrienden nozems
waren, dan kleedde je jezelf waarschijnlijk net als hen. Het internet brengt
iedereen in contact met muziek die vroeger niet verkrijgbaar was. Je vindt via
het web ook makkelijk mensen met dezelfde interesses en hobby’s. Ik vermoed dat
de jeugdculturen plaats aan het maken zijn voor een postmoderne ‘Ik-cultuur’.
Waarom zou je jezelf nog binden aan één groep als er zoveel te kiezen is?
Iedereen zal waarschijnlijk zijn ‘eigen stijl’ samenstellen, een combinatie van
alles wat hij/zij leuk vindt. Het lijkt erop dat de oorsprong van de
jeugdcultuur, de drang om je af te zetten tegen ouderen of generatiegenoten,
ook de ondergang zal zijn van het fenomeen. We worden zó individualistisch dat
er van jeugdstromingen geen sprake meer kan zijn.”
Eerste zet
De lijst van
jeugdculturen die de afgelopen 50 jaar bestaan hebben is enorm. Nozems,
dijkers, pleiners, hardrockers, gabbers, provo’s, punkers, skaters, zij vormen
nog maar het topje van de ijsberg. De leden van een subcultuur kleden zich
hetzelfde, luisteren dezelfde muziek en houden er over het algemeen
vergelijkbare ideeën op na. Hoewel de subculturen tegenwoordig zeer divers
zijn, zijn ze volgens Kuipers allemaal schatplichtig aan de rock ‘n roll. “Tegenwoordig kan iedereen zelf kiezen tot welke
groep hij wil behoren. Sommige subculturen hebben niets met rock ‘n roll te maken maar rockmuziek heeft wel de eerste zet
gegeven in de goede richting, door een alternatief te bieden voor de zuilen.”
Maar betekent
dat dat jongeren de ouderwetse zuilen inruilden om zich vervolgens bij een
nieuwe zuil aan te sluiten? “Jongerengroepen als de dijkers, nozems, kuiven en
provo’s droegen wel dezelfde soort kleren en hadden ook regels. Er was
natuurlijk ook groepsdruk om je te gedragen zoals het hoorde binnen de groep.
Het belangrijkste verschil met de oude zuilen is dat je kon kiézen
tot welke groep je behoorde. Je werd niet meer geboren als katholiek, of
socialist. In plaats daarvan koos je op een gegeven moment of je een nozem of
hippie werd. In de praktijk zag je wel vaak dat nozems een arbeidersachtergrond
hadden. Iemand uit zo’n gezin werd niet zo snel een ‘kakker’. Kroost van
advocaten vond het vaak ook niet nodig om zich te kleden als een punker. In
theorie kon je zelf een stroming uitkiezen maar je keuze hing vaak samen met je
sociaal-economische achtergrond. In de provincie hing
de keuze ook af van wat er op dat moment bekend was. Zeeland liep zeker in de
jaren ‘50 en ‘60 achter bij de randstad.”
In de grote
steden was nieuwe muziek eerder verkrijgbaar dan in de rest van het land. Daar
kwam bij dat de mentaliteit van de Zeeuwen ook niet gunstig was voor de
pasgeboren jeugdculturen. “Zeeuwen waren over het algemeen gezagsgetrouw. Al
dat gedoe met rebelse jeugd vonden de meesten maar aanstellerij. Dit geldt
trouwens niet voor steden als Vlissingen en Terneuzen. Dat zijn van oudsher
havensteden dus daar was men ondertussen wel het één en ander gewend. Die waren
toen ook een stuk wereldser dan de rest van de provincie. Het begon in Zeeland
met de brommernozems, rond 1960. Naast modieus waren brommers namelijk erg
praktisch. Zeeland is een erg uitgestrekte provincie met veel kleine dorpen.
Als je naar een optreden wilde moest je vaak grote afstanden overbruggen. 30
Kilometer heen en weer fietsen gaat snel vervelen. Op zich was er in Zeeland
altijd wel iets te doen, maar meestal niet naast de deur. In die tijd kwamen er
behoorlijk grote acts zoals Fats Domino en Pink Floyd
in de provincie. Tegenwoordig moet je als Zeeuw meestal de provincie uit als je
een grote act wil zien.”
Hype
Terug naar de
film die de emancipatie van de jeugd in gang zette: Rock around
the Clock. De film werd verboden in Enschede en
Apeldoorn waarna relletjes uitbraken. Wat vindt Jan Kuipers er zelf van? “Tja,
als je het tegenwoordig ziet denk je: waar ging al die ophef eigenlijk over?
Wat stellen dansende jongeren voor in vergelijking met wat je nu op TV ziet?
Jongeren waren de zuilen al langer beu, deze film kwam gewoon op precies het
goede moment uit. De muziek was rebels, de jongeren wachtten alleen op iets om
mee te rebelleren. Tegenwoordig wordt het woord vaak gebruikt, maar Rock around the Clock was één van
de eerste hypes. Bijna niemand had hem gezien, maar iedereen had het erover. De
film is tot in de jaren ‘60 niet eens in Zeeland vertoond, toch had hij enorme
invloed op de jeugd.”
***
alle ideeën
verdwijnen in bureaucratie
Pzc-interview
24 oktober 2006 door Nadia Berkelder (ingekort)
Ze hebben dan wel een stadsdichter in Middelburg,
maar volgens scheidend stadsdichter Jan J.B. Kuipers doet de gemeente daar veel
te weinig mee. ‘Alle plannen verzanden in een bureaucratisch moeras.’ Kuipers
is de afgelopen twee jaar stadsdichter geweest.
Binnenkort neemt hij afscheid. ‘Ik heb meer gedichten gemaakt dan me was
gevraagd. Het was ook de bedoeling dat die gedichten in de openbare ruimte te
zien zouden zijn, maar daar is tot heden niets van terecht gekomen. Alle
plannen verzanden in een bureaucratisch moeras.’
De klacht klinkt bekend. Ook Kuipers’ voorganger Chawwa
Wijnberg nam teleurgesteld afscheid. Wijnberg had een gedicht gemaakt dat op
een plaquette was gezet. Die moest worden opgehangen in de Nieuwepoortstraat.
Dat lukte pas nadat het gedicht op last van de gemeente al een keer van de muur
was geschroefd. Er was geen bouwvergunning voor aangevraagd.
Ook tijdens
Kuipers’ stadsdichterschap verliep het overleg met de gemeente moeizaam,
vertelt hij. ‘Ze hebben wel een stadsdichter, maar ze weten niet zo goed wat ze
er verder mee moeten. Elk plan verdwijnt in de bureaucratische molen. En dan
bedoel ik letterlijk verdwijnen. Ik wens mijn opvolger veel plezier. Het enige
gedicht dat van mij in de stad te zien is, is dat bij het Hofje onder de Toren.
En dat was niet eens een initiatief van de gemeente.’
Volgens T. van Gent van de gemeente moet de stadsdichter ‘zijn eigen toko
runnen’. ‘We hebben geconstateerd dat de stadsdichters andere verwachtingen van
de gemeente hadden. Daar moeten we het met de volgende stadsdichter eens goed over
hebben.’ De gemeente wil zich juist niet te veel met het dichterschap bemoeien,
zegt Van Gent, ook omdat de onafhankelijke positie van de dichter niet ter
discussie mag komen te staan. Er is nog een andere, meer prozaïsche reden dat
de gemeente weinig heeft gedaan met de initiatieven: er is niet genoeg geld.
Ter gelegenheid van zijn afscheid verschijnt de poëziebundel ‘De slager van de
Vleeshal’ met werk van zestien dichters die met Middelburg verbonden zijn. Alle
gedichten gaan over Middelburg. Vooraf was één beperking gesteld: Over de
bouwput mocht niet worden gedicht. ‘Die affaire is nu al zo vaak behandeld,’
zegt Kuipers. ‘Zelf heb ik er ook over geschreven. De kans was wel erg groot
geweest dat iedereen met de bouwput aan de haal ging.’
Binnenkort verschijnt ook een bundel met twaalf van Kuipers’ stadsdichten. Die
bundel is vormgegeven door kunstenaar Ramon de Nennie.
Hij maakte bij elk gedicht een tekening
***
PZC-interview door Rolf Bosboom, 13 maart 2006, in verband met de 71e
Boekenweek, thema ‘Boem Paukeslag’: schrijvers en muziek (licht bewerkt).
In zijn
recente boek Brommers, gitaren en spandoeken, over vijftig jaar
jongerencultuur in Zeeland, speelt de popmuziek een voorname rol. Ook is Jan
Kuipers (opnieuw) als muzikant actief, want de band The Beamholes is weer bij
elkaar en brengt binnenkort een demo uit.
Toch heerst
tijdens het schrijven in huize Kuipers doorgaans rust. “Alleen bij het
corrigeren heb ik wel eens muziek opstaan. Verder leidt het me te veel af.” Het
zijn, zegt hij, te verschillende grootheden, die hij het liefst ook gescheiden
houdt. “Muziek is muziek, tekst is tekst en never the twain
shall meet.”
In zijn
muziekvoorkeur is een duidelijke golfbeweging merkbaar. “Ik heb een tijdje een
klassieke periode gehad, maar tegenwoordig ben ik weer helemaal terug bij de
oude popmuziek, de rock-‘n-roll. Ik ben kennelijk op een leeftijd gekomen dat
je terugkeert naar voorkeuren van vroeger, alleen beluister je die nu met de
historische dimensie. Het gaat in mijn geval vooral om undergroundmuziek
uit de jaren zestig.”
De
hedendaagse popmuziek volgt hij nauwelijks. Het laatste deel van Brommers,
gitaren en spandoeken, waarin de recente jaren aan bod komen, heeft hij om
die reden ook overgelaten aan Peter Urbanus. “Ik ben
al in de vijftig en hou het niet allemaal meer bij. Ik beperk me voor het
merendeel tot het oude spul.”
In zijn
verhalen en gedichten blijft de muziek vaak op afstand. Af en toe zijn er
sporen van terug te vinden, zoals in Loskade 1963, zijn eerste gedicht
als stadsdichter, waarin wordt verwezen naar Johnny& The Blue Jeans.
“Zo’n
herinnering komt dan ineens naar boven, maar ik stuur daar niet op aan.
Ik stop er
niet met opzet muziek in. In de vorm zitten wel muzikale elementen, zoals in de
klank en het ritme. Poëzie is tenslotte een dochter van de muziek, al is zij er
inmiddels wel ver van afgeweken.”
Hij
hoopt nooit voor de keuze te worden gesteld: muziek óf literatuur. “Muziek kan
ik niet missen, maar lezen, drukwerk, kan ik nog minder missen. Het is voor mij
hetzelfde als kiezen tussen doof of blind zijn. Dan toch maar liever doof.”
***
PZC-interview van 28 december 2005
door Elian van ’t Westeinde (ingekort)
Middelburgers kunnen in 2006 opnieuw gedichten verwachten van
stadsdichter Jan J.B. Kuipers. De gemeente Middelburg heeft hem herbenoemd voor
komend jaar.
Kuipers is al
hard aan het nadenken over onderwerpen voor de gedichten die hij gaat schrijven
in 2006. „Ik moet nog ideeën krijgen. Het is nog even wachten op een goede
aanleiding zoals in het afgelopen jaar die toestand met het theater. Dat gaf
stof genoeg tot schrijven.“
De stadsdichter is tevreden over de samenwerking met de gemeente het afgelopen
jaar. Een belangrijke reden om zijn herbenoeming te accepteren. „Je bent vrij
om een onderwerp te kiezen. Uiteraard hebben veel gedichten betrekking op de
actualiteit.“ De enige vastliggende afspraak die Kuipers met de gemeente heeft,
is dat hij minimaal vier gedichten over de stad Middelburg uitbrengt. Niet
alleen actualiteiten doen de dichter naar de pen grijpen, ook straten en
cultuurhistorische onderwerpen verwerkt Kuipers in zijn werk.
„Middelburg is toch wel een beetje mijn stad“, zegt de dichter, hoewel hij in Kattendijke woont. „Ik groeide er op en ik heb er een hoop
relaties.“
Binnen enkele maanden kunnen Middelburgers weer een gedicht van de stadsdichter
verwachten. Voor die tijd is Kuipers druk bezig met de coördinatie van de
buitententoonstelling VERSchutting/Gedichten op de
muur die de gedichtendag 2006 opent. De dichters
Johanna Kruit, Theo Raats, Thom Schrijer,
André van der Veeke en Jan J.B. Kuipers en beeldend
kunstenaar Ko de Jonge presenteren vanaf 26 januari ’museale gedichten’ op de
schutting voor het Zeeuws Museum op het Abdijplein.

(foto Coen d’Huy,
maart 2006)
***
A.J. Snel in de Provinciale Zeeuwse
Courant - vrijdag 30 september 2005 (ingekort)
Het jaar 1954; men zou verwachten dat in Zeeland de atmosfeer
bepaald zou zijn door de ramp. Wie terugbladert in de Provinciale Zeeuwse
Courant, komt tot de ontdekking dat het nieuws niet werd beheerst door verdriet
en rouw. Het beeld dat oprijst is dat van een nog altijd veilige, besloten
samenleving waar hard gewerkt werd om er bovenop te komen.
Vanaf vandaag
ligt in de boekhandel een boekbrochure die is samengesteld met materiaal uit
het archief van de PZC. Historicus Jan J.B. Kuipers (Zaamslag,
1953) verzorgde de tekst en koos de foto’s. Hij heeft wel een verklaring voor
het feit dat de watersnoodramp in het openbare leven maar spaarzaam aandacht
kreeg. „Er moest gewerkt worden. Onderdak en eten, dat waren de dingen waar het
in dat jaar en ook in de periode daarna vooral om ging. Als dat in orde is en
de mensen hebben weer luxe en vrije tijd, dan komen ze eraan toe hun leven te
gaan vergallen met de dingen van vroeger. In 1954 waren er natuurlijk de
herdenkingen en er werd geschreven over herbegrafenissen van de
rampslachtoffers, maar daar bleef het bij. Vijftig jaar na de ramp, in 2003, is
heel wat meer inkt verspild aan de ramp.“
Er was in 1954, zo heeft Kuipers geconstateerd, sprake van een grote
bedrijvigheid in Zeeland. „Men maakte zich voor een deel druk om dezelfde
dingen als nu: bij voorbeeld om de aantallen woningen die men wilde bouwen.
Maar er waren ook nieuwe ideeën over de Deltatawerken.
En er was al in dat jaar in Yerseke een actiecomité
dat te hoop liep tegen de afsluiting van de Oosterschelde. Ik was er verbaasd
over toen ik dat tegenkwam. Je zou inderdaad denken dat niemand op dat moment
in verzet zou komen tegen werken die de veiligheid moesten vergroten. Aan de
andere kant, het ging de vissers natuurlijk om hun broodwinning en dat
organiseren van tegenkrachten past natuurlijk bij hun mentaliteit: frank en
vrij.“
De samensteller van het boek heeft veelal gezocht naar berichten waarbij ook
beeldmateriaal beschikbaar was en daarmee maakte hij het zich niet makkelijk.
Veel negatieven bleken te zijn verdwenen en in een aantal gevallen moest
Kuipers zich behelpen met beeldmateriaal dat hij uit de krantenleggers haalde.
„Beeldmateriaal is heel belangrijk om een aantrekkelijk geheel te maken. Als ik
vier leuke berichten bij elkaar had en daar was helemaal geen foto bij, dan
sneuvelden er toch drie. Wat in die tijd opvalt is de heel andere stijl waarin
een krant werd geschreven. De afsluiting van het dijkgat
bij Ouwerkerk, het is geschreven op een manier zoals
Den Doolaard dat deed. Nu is alles veel beknopter geworden en gelijkvormiger.
De krant kende destijds veel meer verschillende stijlen.“
Wie de brochure uit het archief van deze krant bekijkt, herkent gebeurtenissen.
En soms wordt verwondering gewekt. Zo werd het straatbeeld in veel delen van
Zeeland ruim vijftig jaar geleden nog in belangrijke mate bepaald door
klederdracht. De boekbrochure bevat een foto uit juli waarop te zien is hoe de
Christelijke Jonge Vrouwen Federatie bijeenkomt in de Grote Kerk in Goes. De verslaggever
noteert dat het zicht op het bij die gelegenheid opgevoerde lekenspel ’Ik zal
herrijzen’ ernstig wordt belemmerd door de talrijke en omvangrijke
boerenmutsen.
Kuipers: „Nostalgie is, denk ik, iets van alle tijden waarbij je een
verschuiving per generatie kunt waarnemen. Er was een hang om terug te kijken
naar de jaren dertig. Nu zijn dat de jaren vijftig geworden. Je kijkt terug en
ziet aan de ene kant die plannen voor de Delta, maar toch ook gezapigheid. Er
zijn niet zo veel schokkende nieuwsfeiten. Zo wordt dan ook wel heel veel
aandacht besteed aan een evenement als de opening van Miniatuur Walcheren. Wat
verder opvalt: er wordt haast gemaakt met de uitvoering van werken, zoals de
aanleg van de Delingsdijk dwars over Schouwen, zonder dat andere belangen zoals
die van milieu, cultuurhistorie en archeologie veel aandacht kregen. Intussen
komt er wel iets van ongerustheid over de nieuwe tijden. Een Goese dominee die bezorgd is over de hang van de jeugd naar
het existentialisme.“
***
Interview
door Paul van Leeuwenkamp in Holland SF 38(2004)nr.6, 3-6 (ingekort)
In 1978
debuteerde Jan J.B. Kuipers, samen met zijn broer Gert, als SF-auteur. Jan J.B. om persoonsverwisseling te voorkomen met de vele
auteurs die Kuipers, Kuiper of Kuijpers heten. In de jaren daarna bleef Jan
J.B. nadrukkelijk aanwezig, ook toen zijn broer andere bezigheden vond. De
kwaliteit van zijn verhalen betaalde zich uit in publicaties in alle
tijdschriften en verzamelbundels. In 1983 en 1987 won hij de King Kong
Award en in de jaren dat hij niet won, eindigden zijn verhalen rotsvast in
de top. In 1995 werden een aantal verhalen gebundeld bij Babel Publications,
in Bannenfluister, hemelglas. Het bewees nog
eens dat Jan een uitstekend schrijver is en een grootse SF-carière
leek onvermijdelijk, hetgeen hij in 1997 nog eens onderstreepte door de Millennium
Prijs te winnen. Maar het tegenovergestelde gebeurde: er werd in SF-kringen
niets meer van hem vernomen. Voor de rest van Nederland lag dat anders.
Kinderen lazen zijn kinderboeken, Zeeuwen hoorden van hem omdat hij twee keer
het geschenk van de Zeeuwse Boekenweek schreef en werd genomineerd voor de
Zeeuwse Boekenprijs (in 2003 met Maritieme geschiedenis van Zeeland),
liefhebbers van thrillers lazen zijn Moord
aan boord van de PSD, onderwijskrachten aan het basis- en voortgezet
onderwijs gebruikten geschiedenismethoden waar hij co-auteur
van was, geschiedkundig geïnteresseerden lazen zijn boeken over de aan Zeeland
gerelateerde historische en archeologische onderwerpen en de poëzieliefhebber
las zijn gedichten in vooraanstaande literaire tijdschriften. Daarnaast liet
hij ook nog van zich horen via Ballustrada,
het Zeeuwse literaire tijdschrift waarvan hij redacteur is.
En nu is
hij plotseling ook weer opgedoken in de SF-wereld, als jurylid van de Paul
Harland Prijs. Voor de SF- en fantasylezer dus tijd
voor een hernieuwde kennismaking met deze duizendpoot. De vragen die ik hem
stelde, laat ik achterwegen, want de antwoorden spreken voor zichzelf.
Ik was in de
jaren negentig wel bezig met het opbouwen van een paar nogal eigensoortige,
consistente universa waarin mijn gemankeerde
SF-helden hun rampen konden aanrichten. In één van die half-mythische heelals liet ik een paar verhalen spelen van mijn
zwartgallige speurder Valster Boltaan.
Hij is een in mythen en zonderlinge culten gespecialiseerd personage, dat zélf
in een mythisch heelal vertoeft – althans vanuit onze realiteit beschouwd.
Die Valster Boltaan, altijd met
frisse tegenzin op pad, had ik graag
vaker laten optreden dan die drie keer. Maar door het gebrek aan
publicatiemogelijkheden en debiet ligt Valster en al
wat bij hem hoort te sluimeren in de ijskast. Hetgeen betreurenswaardig is.
Maar een andere detective nam zijn plaats in: Siebe Edens,
een dorstige Groninger die een paar avonturen beleefde in Zeeland. Die
beschreef ik o.a. in Moord aan boord van de PSD (1998). [In dat jaar het
Zeeuwse Boekenweekgeschenk, PvL] Ook hier weer wat fantastieke
invloeden: het gaat om de zwendel rond een vermeend amulet van een in
Middelburg begraven Tempelier en één van de personages is een moordlustige
baron van de Militaire Orde van Malta (de bekende Maltezers).
Mijn
bibliografie omvat inmiddels zo’n 450 nummers. Daar zitten 35 boeken bij, een
stapeltje jeugdnovellen in de serie Vlaamse Filmpjes en voor de rest
bijdragen aan bundels, jaarboeken (zoals de Ganymedesreeks),
allerlei tijdschriften, series en zelfs aan onderwijsmethoden voor geschiedenis
en taal. Bij die boeken zit slechts één SF-bundel: Bannenfluister,
hemelglas (Babel SF 10, 1995). Ik schat dat van die 450 nummers hooguit
tien procent uit SF & F bestaat… In m’n jeugdverhalen zit trouwens nog
altijd veel fantastiek verwerkt. Ik koppel dat meestal aan historische thema’s
of verwerk het in maritieme
avonturenverhalen. Verder maak ik sprookjesachtige verhalen voor kinderen. In
2002 en 2003 verschenen twee van dergelijke boeken in de serie Villa Alfabet
van uitgeverij Maretak: Waar ben je, Rozel A?
en Kieperten en de toverwolk. Ook in
mijn literaire korte verhalen gaat het meer om de gekostumeerde bals van de psyche en de cultuur dan om ‘de werkelijkheid’.
Naast de
schrijverij ben ik al enkele decennia in deeltijd werkzaam in de archeologie;
voordien was ik jarenlang rubrieksauteur en redactiemedewerker van de Encyclopedie
van Zeeland, waarvan de drie delen verschenen in 1982 en 1984. Maar ook in
het dienstverband als archeologisch documentalist heb ik aan allerlei boeken en
andere publicaties meegewerkt. Nu maak ik als eindredacteur en hoofdauteur een
boek over het fenomeen van de ‘verdronken dorpen’ in Zeeland en omringende
gebieden. Het moet omtrent november 2004 verschijnen. De presentatie is beoogd
op 5 november: in 1530 viel toen Sint Felix quade saterdach, een verschrikkelijke vloed die de kaart van
Zeeland definitief wijzigde. We behandelen het onderwerp van de verdronken
dorpen historisch en archeologisch, maar ook literair: er zijn prachtige sagen
over – de meermin van Westenschouwen en zo - en wist je dat Achterberg eens een
mooi gedicht schreef over Reimerswaal?
In veel
Zeeuwse koppen vind je zure zult in plaats van vernuft; maar daarin verschilt
dit gewest niet van de rest van onze op aardappelconsumptie gegrondveste
monarchie. Het calvinistische domineesdom is vervangen door een veile
welzijnsmaffia, die een stroom van even gekmakende prietpraat produceert.
Afgezien van de zult: Zeeland is een schitterende provincie en dat komt door
het water en de zeearmen. Mijn as mogen ze in één van onze Scheldes
strooien, dan komt het allemaal wel goed.
Op de HBS (de Hogere Burger School, een schooltype dat in
de Vroege Middeleeuwen door de invoering van de Mammoetwet is verdwenen) ging
ik in de redactie van de schoolkrant
zitten en begon stukjes te schrijven. Later, omtrent 1969, werden dat opruiende
teksten vol gesnork omdat ik toen deel uitmaakte van de scholierenactiegroep
Rood Front. We hadden veel plezier met het uitvechten van onze ideologische
meningsverschillen en het manipuleren van schoolverkiezingen – want dáár ging
het om in die tijd: lol maken. Ik heb nooit echt begrepen waarom de
overheden die jeugdrevolutie van toen serieus namen. De angst van het
spitsburgerdom vermoed ik, altijd maar iedereen gelijk willen geven en de weg
van de minste weerstand kiezen. Toch schopte ik het door vuige streken tot
gekozen klassevertegenwoordiger, een waardigheid waaruit ik door de
onderdirecteur werd ontzet omdat het klasseboek vol was geraakt met portretjes
van Mao en Che Guevara. Ambachtelijk seriewerk in zwart-wit: ik vervaardigde
één portretje per anderhalve minuut, geen dank!
Mijn eerste
‘officiële’ publicatie was een verslag van een optreden van de destijds tot de
Underground omgeturnde band The Pretty Things. Ze speelden in de veilinghal in Middelburg. In het
voorprogramma stond Shocking Blue, met de rijkelijk arrogante Robbie van
Leeuwen en zangeres Mariska Veres, een legende om
weer heel andere redenen. The Pretty Things waren in de periode 1964-1967 ongeveer de ruigste
band ter wereld. Ze waren afkomstig uit de Londense
art school-scene, zoals zoveel andere groepjes toen. Mijn artikel verscheen in
’69 in Things about
Things, het blad van The Dutch Pretty Things Fanclub, een
onaanzienlijk stencilkrantje. Ik heb ’t uiteraard nog steeds in m’n archief
zitten.
Zelf heb ik
tot eind 2003 als bassist in allerlei rockbands
gespeeld. Nooit een plaatje gemaakt, wel een stapeltje demo’s. Eigenlijk ben ik
opgelucht dat het er voorlopig of definitief opzit. Vond die optredens nog wel
leuk, maar het is fysiek behoorlijk zwaar voor een ouwe zak van 50. En dan het
noodzakelijke drankgebruik, hè, daar word je de dag daarop ook niet vrolijk
van. In al die zaaltjes sta je ook vaak voor publiek dat (veel) jonger is dan
je eigen kinderen. Je voelt je dan een vertegenwoordiger uit het Carboon of een
bezoeker van Alpha Centauri. Maar soms, in de gekste
zaaltjes en met het raarste publiek, maakt dat als de stemming er goed in zit
allemaal niks meer uit. Mooie momenten met de duur van tropenjaren. Het
aardigste vond ik op het laatst de optredens voor mensen die voor oud
repertoire kwamen, de jaren zestig en zeventig. Je fungeert dan als een soort
jukebox. En dan moet je toch uit gaan kijken.
Sinds 1990
ben ik redacteur van het literair periodiek Ballustrada.
Het blad is opgericht in Terneuzen door de dichter André van der Veeke en enkele medestanders. Eind jaren tachtig
publiceerde ik er een thrillerachtig verhaal in over een akelig jongetje dat op
een bepaalde wijze wordt misbruikt door een al even onprettige mevrouw. Toen
bleek dat Van der Veeke een paar nummers verder
woonde dan een oud adres van mij in Terneuzen. Kan toch geen toeval zijn?
Kortom, ik werkte mee aan een Scheldenummer met een fantastisch verhaal over
verdoolde Russen van het Rode Leger in de Zeeuwse achtertuin van mijn jeugd
(‘Kuipers heeft nooit van Gorbatsjov gehoord,’
schreef Van der Veeke in zijn inleiding) en nadien
stelde ik op verzoek een SF-themanummer samen. Die samenwerking ging zo goed
dat men me bij de redactie vroeg. We zijn bezig aan de achttiende jaargang,
zolang heeft sinds 1900 of daaromtrent nog nooit een literair tijdschrift
bestaan in het mooie, maar niet echt van geletterdheid doordrenkte Zeeland.
Toch mooi dat de bibliografie van de Nederlandse literaire tijdschriften van de
KB ons schaart onder de ‘belangrijkste literaire tijdschriften in Nederland en
Vlaanderen’. Omdat we klein zijn, in een geografisch randgebied opereren én
niet verbonden zijn aan een uitgeverij hebben we een heel eigen karakter
ontwikkeld en dit ook kunnen behouden. Wat het precies inhoudt weet niemand,
maar wél kun je met feilloze zekerheid zeggen ‘dit is typisch Ballustrada’ of ‘dat is niks voor Ballustrada’.
Ik kwam bij
de SF door m’n broer Gert. Die woonde op z’n eentje aan de Vlasmarkt in het
Middelburgse stadscentrum en hij las daar science
fiction, zeer intrigerend. De witte serie van Meulenhoff
en zo. SF werd destijds omarmd door de underground- en tegencultuur waarbij ik
betrokken was; bovendien had ik als kind al grote belangstelling voor het
fantastische. Behalve fantastische jeugdboeken had ik ongeveer alle sagen- en legendenvolumes doorgenomen die onze bibliotheek te bieden
had.
Eind 1970
woonde ik plots op nog geen honderd meter afstand van mijn broer, aan de
Penninghoek. Dat was makkelijk, want nu en dan moest de afstand tussen onze
weinig riante onderkomens bijkans kruipend worden afgelegd. Dat was meestal ’s
nachts trouwens, anders waren we nog vroegtijdig geëindigd als roadkill.
Het eerste
SF-verhaal dat ik schreef was onfatsoenlijk zwaar geïnspireerd door De
avonturen van kapitein Roodstorm van Lafferty,
die hiervoor zelf het schuim van Homeros’ Odyssee
had weggeschept. Ik vind Roodstorm nog altijd
een van de aanstekelijkste SF-boeken die ik ooit gelezen heb. Er zit een soort
jazz- of rockachtige groove en levenslust in
dat verhaal; het is geen kost voor geheelonthouders trouwens, dunkt mij. Het
geschetter en getetter van Raphael A. Lafferty,
voorwaar een engel van zeldzaam garnituur, heeft mij vele jaren veel goed
gedaan. Ik heb een tijdje volgens dezelfde opvatting als hij willen schrijven;
later week ik daarvan weer af, maar zelfs nu de SF min of meer achter mijn
horizon is weggezakt (tijdelijk?) hou ik die erudiete autodidact in ere.
Anderen: Lovecraft uiteraard. Dunsany, Geston – en aan de andere kant van het spectrum Kurt Vonnegut. Bijna wilde ik zeggen: Kilgore
Trout.
Uit latere
lichtingen dient Gene Wolfe te worden genoemd, hoewel
hij niet zoveel moet eten. De Nederlanders en Vlamingen? Al die schrijvers
natuurlijk, allemaal. Guido Eekhaut in het
bijzonder, al zijn de Babelboeken van zijn hand nogal slordig geredigeerd en
dat is jammer. Ook in het voor- en nawerk van mijn eigen bundel zitten een paar
taalfouten waar mijn haarwortels nog altijd van prikken. De redacteur sleep ik
zodra de wonde geheeld is (over twintig jaar) alsnog voor het gerecht.
Over de
slimme en goedaardig sluwe Goudriaan overigens niets
dan lof. Door zijn initiatief konden ook schrijvers met wat minder commercieel goudstof hun werk onder een iets bredere aandacht brengen.
Ik moet natuurlijk ook Teng en Harland noemen, al
vind ik dat hun gevorderde werk steeds meer op foefjes en vaste receptuur ging
leunen. Maar die opvatting heeft vermoedelijk ook te maken met mijn
verwijdering van het genre.
De samenwerking tussen m’n broer Gert
en mij ging meestal als volgt: mijn broer kwam met een idee in ruwe vorm, een
min of meer beknopte eerste versie, ik ging daarmee stilistisch en inkleurend
aan de slag; vaak gaf ik een heel andere draai aan het concept. Het kwam ook
wel eens voor dat ik een idee aanreikte, waarmee hij dan weer aan het werk
ging. Enkele verhalen onder ons beider naam zijn helemaal van mijn hand of
grotendeels van de zijne. Ik deed altijd de redactionele eindfase. Ik kan nu
(onze samenwerking op SF-gebied eindigde meer dan twintig jaar geleden)
eigenlijk niet meer zeggen wie wat precies deed. We hebben ongeveer hetzelfde gevoel voor zwarte humor
en absurditeit, dat is zeker. De laatste jaren hebben we nog samengewerkt aan
het absurdistische en satirische webproject van de Breezandsche Courant. Gewoon, voor de lol.
Maar sinds Breezand, de enige plaats in ons land waar
men de Grote Spruit vereerde, in een parallel universum is verdwenen mag ik er
niks meer over zeggen.
Ik heb geloof ik één keer geprobeerd
een SF-boek bij Meulenhoff gepubliceerd te krijgen.
Enerzijds waren ze daar toen al te commercieel en té middle
of the road, anderzijds was ik destijds afkerig
van elke vorm van inmenging of kritiek. Nu, na enkele decennia van werken in
(te) veel genres en de freelance schrijverij ben ik aanmerkelijk rekkelijker
geworden. Er zijn nog altijd grenzen vind ik, en je eerste verantwoordelijkheid
is je eigen visie – anders kun je beter accountant worden of fietsen
gaan stelen. Maar ik besef inmiddels wel dat je ook je voordeel met kritiek
kunt doen. Pik eruit wat nuttig is om je eigen unieke bijdrage aan het mondiale
koor te versterken of beter verstaanbaar te maken.
Het eerste
SF-verhaal verscheen in Holland-SF (1978 nr. 5): ‘En hem die vraagt zal gegeven
worden’. Geschreven samen met m’n broer Gert. Het verhaal was eigenlijk niet
veel soeps geloof ik, maar toch een begin. Ja, van
wat eigenlijk? Ik heb sindsdien meer genres beoefend dan ik vingers aan m’n
handen heb en de SF en Fantasy zijn zoals ik al zei een beetje uit het zicht
verdwenen. Samen met Gert heb ik in de vroege jaren tachtig nog eens een
hilarische fantasyroman geschreven, met méér achtergrond dan die werkjes van
Terry dinges ja! Door de woelingen van het lot – i.c. onze laatste verhuizing –
kwam het ding weer bovendrijven en dit jaar ga ik ‘m definitief redigeren.
Stukjes eruit heb ik al eens gebruikt als kort verhaal en een belangrijk
personage Ioachim, de Hocus Pas van de gebroeders
Kuipers, dook als ‘gast’ op in andere gepubliceerde verhalen, zoals
‘Jagerslied’ in een van de Ganymedesbundels.
Interview
door Jacob Hoekman in Reformatorisch Dagblad, 25 november 2004 (bew./ingekort)
Over hetzelfde onderwerp verschenen
o.m.: ‘Verdronken dorpen spreken tot de verbeelding, ook 600 jaar na de eerste
St. Elisabethsvloed’ (Haro Hielkema, Trouw 19 nov. 2004), ‘Onder het stinkend
slik’ (Cees Maas, BN/De Stem, 6 nov. 2004), ‘Ontpolderen is van alle
tijden’ (R. Antonisse, PZC 2 nov. 2004).
Een
Zeeuws exportartikel, zo zien Zeeuwse archeologen de thematiek rond de
verdronken dorpen graag. Valkenisse is stellig het
bekendste verdronken dorp, maar daarnaast zijn er nog tientallen anderen. En in
de toekomst, al is dat niet te hopen, misschien nog veel meer. Een recente
wetenschappelijke studie spreekt over de Noordzee die binnen enkele jaren
oprukt tot Apeldoorn. „Het thema is acueler dan
ooit”, stelt archeoloog Jan Kuipers.
Toegegeven,
de betreffende Amerikaanse studie van dit jaar heeft het over een ”worst case
scenario”. Alleen in het slechtste geval zal Apeldoorn een kustplaats worden.
Hoe dan ook, feit is dat de belangstelling voor het thema toeneemt, zowel bij
de burger als bij de politiek.
„Steeds
meer wordt het belang ingezien van een goede bescherming van deze waardevolle
locaties”, zegt archeoloog Jan Kuipers. Onder zijn redactie verscheen deze
maand een boek over verdronken dorpen en verdronken land in Zuidwest‑Nederland.
Het rijk geïllustreerde werk, dat de titel Sluimerend in slik meekreeg,
draagt een opvallend motto van de Groningse dichter Hendrik de Vries: ”Toen de
zondvloed begon, toen zeiden de menschen tegen
elkaar: Dat is wat we moeten hebben, dat wordt een uitstekend jaar.”
„Uit
dat motto spreekt het onvoorziene, het tijdelijke van alles dat we hier
bouwen”, zegt Jan Kuipers. „We gaan meer en meer inzien dat landaanwinning en
landverlies altijd al hebben samengehangen. De zee kan nu eenmaal niet
eindeloos worden ingeperkt. Land dat in vroegere eeuwen werd gewonnen, is door
overstromingen op andere plaatsen ook vaak genoeg weer prijsgegeven.”
Voor
Kuipers zijn de verdronken nederzettingen in de achterliggende tijd meer gaan
leven. „Als ik op het strandje bij Wemeldinge loop,
raap ik vaak genoeg bewerkte stukken steen op. Grote kans dat die afkomstig
zijn van een verdronken dorp of afgebroken gebouw, bijvoorbeeld van een
stadhuis. Er zijn nog veel sporen terug te vinden.”
De
aanwezigheid van verdronken dorpen is typisch Zeeuws, zegt hij. „Nergens anders
in Nederland heb je zoveel verdronken gebieden. Dat komt omdat het land hier
tussen twee zeearmen ligt, de Ooster‑ en de Westerschelde.” Wel heeft ook
het noorden van Duitsland een streek – in de deelstaat Sleeswijk‑Holstein
– waar in het verleden diverse nederzettingen zijn overspoeld.
Het
verdronken dorp van Valkenisse, in het oosten van
Zuid‑Beveland, spoelde in 1990 weer bloot nadat het dorp in 1682
verdronk. Dat leverde een schat aan informatie op. De vindplaats werd op een
wetenschappelijke manier onder handen genomen. „Valkenisse
is vaak het Zeeuwse Pompeï genoemd”, zegt Kuipers. „Dat is overdreven, maar
feit is wel dat we nu veel meer weten over de dorpssamenleving in die tijd. Het
unieke is dat je door zo’n overstroming geen vervuiling meer hebt van latere
tijden. Er gaat als het ware een deksel op, dat pas eeuwen later weer wordt
weggehaald.”
Ook
andere verdronken dorpen mogen op een zekere bekendheid bogen omdat hun namen
nog doorleven. Reimerswaal bijvoorbeeld, ooit een stad op Zuid‑Beveland,
nu nog de naam van een gemeente. Of Wissenkerke, Kortgene, Arnemuiden en Krabbendijke, die later gewoon weer –vaak op een andere
plaats– zijn opgebouwd.
Als
Kuipers langs de locaties banjert waar de sedert eeuwen verstorven dorpjes zich
bevinden, wordt hij vaak getroffen door de mysterieuze sfeer. „Het is anders
dan een project op het land. Door het tij is de plek vaak maar een paar uur per
dag beschikbaar. Als je dan bijvoorbeeld skeletresten tegenkomt, dat zet je wel
aan tot overpeinzing. Die dorpen vormen een levende symboliek van vergankelijkheid.”
Sluimerend in Slik. Verdronken dorpen
en verdronken land in zuidwest Nederland, door Jan J. B. Kuipers (eindred.);
uitg. Den Boer/De Ruiter, Vlissingen, 2004; ISBN 90
74576 50 8; 120 blz., € 19.50
***
’Enkel het
azuur als gezag’
04-2002 - Zeeuwse schrijvers over hun wortels in de
Delta
(door Willem de Weert en Jan Moekotte)
Vijftig jaar
geleden trof de ramp Zeeland. De dammen en bruggen die erop volgden veranderden
de Delta. Het landschap werd nooit meer wat het was. Dat gold ook de mensen.
Wantij bracht vier Zeeuwse schrijvers (tevens columnisten van Wantij) in Goes
bij elkaar en vroeg hun wortels in de Delta te belichten.
Alle vier de schrijvers zijn in Zeeland geboren. Jan J.B. Kuipers (1953)
in Zaamslag, Cees Maas (1954) in Domburg, Kees
Slager (1938) in Scherpenisse en Jan Zwemer (1960) in Oostkapelle. En alle vier wonen ze nog
steeds in Zeeland, zij het geen van allen meer in hun geboorteplaats. Ze
keerden Zeeland een tijd de rug toe: voor studie of werk. Ze verbleven in de
Randstad en op andere plaatsen in het land. Een periode die als heilzaam werd
ervaren “want Zeeland is toch één groot dorp waar iedereen elkaar kent, de
sociale controle benauwend is en cultureel weinig te beleven valt.”
Aan de andere kant waren ze blij om thuis te komen want “in de groen-blauwe oase kom je tot rust, laat je de boel
bezinken.“ Slager bijvoorbeeld woonde vanaf 1972 weer in Zeeland, maar bleef in
de Randstad werken: “Ik verdiende hier mijn brood niet, dus kon ik zeggen wat
ik wilde.” Dat gevoel herkennen de andere schrijvers. Wie in de provincie zijn
brood moet verdienen, voelt zich soms ongewild belemmerd in zijn vrijheid van
spreken en handelen. Zo werkt dat nu eenmaal.
Volksaard
Onze
schrijvers beschouwen zich, eerlijk gezegd, meer verwant met het landschap dan
met de Zeeuwen, laat staan de volksaard. “Voor zover de mensen over een kam te
scheren zijn, want dé Zeeuw bestaat niet. Als je ziet welk verschillen er al
zijn tussen Oostkapellenaren, waar ik vandaan kom, en die uit Domburg,” prikt Zwemer. Maas springt daar gretig op in, maar dan van de Domburgse kant gezien. De clichés vliegen over tafel.
Kuipers houdt het erop dat “dé Zeeuw niet bestaat; die valt uiteen in honderd
typen, zoals voor heel de mensheid geldt.” Daar kan de rest zich wel in vinden.
Feit blijft dat de combinatie van deels binnen en deels buiten de provincie
vertoeven een mooie balans gevonden wordt. “Want heimwee naar Zeeland, niet
naar de mensen, maar naar de vertes, het uitzicht, het water, is er steeds,”
brengt Maas zijn binding onder woorden. “Verknocht zijn aan het land, aan de
taal en, privé, de terugkeer naar de gelukkige jeugd,” noemt Slager zijn
remigratie in 1972.
Zeeland vol
Maar de
provincie van de gelukkige jeugd bestaat niet meer. De eilanden zijn door
dammen verbonden. Fabrieken, toeristen en migranten kwamen, de landbouw is niet
langer de dragende kracht, dorpen verliezen hun voorzieningen. Hoe kijken de
schrijvers tegen deze omwenteling aan? Zwemer ergert
zich aan de macht van het geld. “Het kapitalisme is de wortel van alle kwaad,”
staat in de bijbel. Er wordt in Zeeland enkel nog gebouwd voor de rijken. Die
leggen buitensporig veel beslag op de ruimte. Jongelui kunnen niet mee in eigen
dorp terecht voor een woning. Een gewoon huurhuis is niet te krijgen.” Maas
beschrijft zijn ontmoeting met iemand die in Zeeland een huis had gekocht, van
zeven ton, aan het water. Bleek het in een bungalowdorp te staan, zo’n
pijplijnproject, met een hoge aarden wal erom heen. Maar dat kon hem niks
schelen, want als de prijzen stegen verkocht hij het weer. Hij had geen enkele
binding met de provincie." Zwemer: “Lossteken
die bungalowdorpen en naar zee laten drijven!”. Wat Slager betreft mag er iets
verzonnen worden waardoor alleen mensen die van het landschap houden welkom
zijn. “Die spotjes dat er migranten naar Zeeland moeten komen, liefst zwangere
vrouwen, ‘welkom in Zeeland’, vreselijk!”
Met enige aarzeling durft men de stelling “Zeeland is vol” te onderschrijven.
“Maar dan vooral door de wegen, hoogspanningsmasten en bedrijventerreinen,”
vindt Maas. “Schei toch uit met die politieke correctheid,” reageert Kuipers.
“Niet alleen het landschap is vol, ook voor mensen is Zeeland gewoon vol.”
Ramp
Hoe kijken de vier schrijvers tegen de ramp aan die in een aantal van hun werken
voorkomt? De twee historici in het gezelschap, Zwemer
en Kuipers, relativeren 1953. “Vanuit historisch perspectief was de ramp er een
van de vele in een lange rij. Voor het landschap bijvoorbeeld was de inundatie
(1944) van Walcheren, de Tuin van Zeeland, veel rampzaliger.” Men erkent dat de
Deltawerken die erop volgden voor die tijd, de brave jaren vijftig, een
begrijpelijke reactie waren. Slager denkt daar anders over. Hij vond en vindt
nog steeds dat Rijkswaterstaat een staat binnen de staat is, een bolwerk van
technocraten. Hij denkt dat veel mensen diep in hun hart de dammen en het
stilstaande water betreuren. “Zeker de laatste jaren, nu je steeds meer over
algenbloei en afkalvende schorren hoort.” Maas spreekt van een dubbel gevoel:
“De Deltawerken hebben Zeeland behoed, maar ook verminkt.” Kuipers berust: “We
kunnen anno 2002 niet meer in een eilandenrijk wonen.”
Nattigheid
“De overstroming van 1953 is toch ook wel een les geweest, zou ik zeggen.
Andere volken zouden er vandoor gegaan zijn, de hoogte in, waar de zee niet kan
komen! Maar de Hollanders niet! Waar zouden ze trouwens naar toe moeten?
Meneer! Ik zeg u, als een heel volk zich eeuwenlang specialiseert in het wonen
op een stuk grond dat eigenlijk aan de vissen toebehoort, een terrein dat feitelijk
niet voor de mensen geschapen is, dan moet zo’n volk er op den duur een
speciale filosofie op na gaan houden die niets menselijks meer heeft! Een
filosofie die uitsluitend op zelfbehoud is gebaseerd. Een wereldbeschouwing die
er alleen maar op gericht is het voelen van nattigheid te voorkomen! Hoe kan
een dergelijke filosofie algemene geldigheid bezitten? Waar blijven de grote
problemen op die manier?”
Uit: ‘Nooit meer slapen’. W.F. Hermans.
Overtreden
We maken een sprong naar de toekomst en stellen de vraag: Hoe hopen jullie dat
Zeeland er straks uitziet? Over één ding is men het roerend eens. “Het getij
moet terug!” Want als er een rode draad door de Zeeuwse historie loopt dan is
het die het water, het getij en de daarbijbehorende
rampjaren, de schorren en slikken, de inpolderingen. Slager, die een rol
speelde in de acties voor het openhouden van de Oosterschelde, móet af en toe op de schorren staan. Daar overtreedt hij
graag de wet voor. “Een vergunning aanvragen om lamsoren te snijden? Nee, ik
zou met plezier een proces-verbaal krijgen.” Ook Maas heeft de sterke aandrang
om vrij door de Delta zwerven. “Mijn tentje opzetten, goed verborgen, en dan ’s
ochtends met de kano door de geulen peddelen.” Hij
zegt met Slauerhoff “enkel het azuur als gezag te erkennen”. Zwemer ziet zich ook geen kaartje kopen voor de Mantelinge: “De duinen zijn van ons. Ik heb daar als kind
vrij kunnen spelen.”
Nieuwe natuur
Hoewel ze
allemaal van de natuur houden, denken ze verschillend over de zogenaamde
‘nieuwe’ natuur. Maas is enthousiast over Plan Tureluur. Voor hem is het
Zeeuwse landschap op zijn mooist in de oervorm: “Over het water kijken zonder
eerst een dijk over te hoeven.” De anderen hebben wat bedenkingen. Slager
stoort zich aan het afsluiten van gebieden zoals polders op Tholen. “Op de
eerste plaats herken ik het landschap niet meer, omdat het in mijn jeugd een
landbouwgebied was. Op de tweede plaats mag ik er niet meer in omdat het nu
natuur is.” De historici onder de schrijvers hebben ook moeite met sommige
nieuwe natuur. Kuipers: “Op Schouwen hebben ze na de ramp, zonder historisch
besef, het land heringericht, wegen verlegd, buurtschappen en vliedbergen
opgeruimd, gewoon met bulldozers weggeschoven. En nu, vijftig jaar later,
worden bij Ellewoutsdijk inheemse Romeinse nederzettingen opgeruimd om natuur
aan te leggen bij de ingang van de tunnel.“
‘Kies voor de blauw-groene oase!’
“In Nederland
is een enorme strijd om de ruimte aan de gang. Projectontwikkelaars, boeren en
natuurbeschermers bevechten elkaar. Laat de uitkomst zijn dat Zeeland wijds
blijft, zo natuurlijk mogelijk, met respect voor de historie, ook voor het
cultuurlandschap. Laat ze vooral ophouden telkens alles te veranderen. Kies
voor de groen- blauwe oase.”
Vier Zeeuwse schrijvers, Goes november 2002.
© Willem de
Weert en Jan Moekotte, Wantijredacteuren.
Wantij is het orgaan van de Zeeuwse
Milieufederatie
***
‘Het menselijk lot is de vergetelheid’
Fundamenten onder de bouwvoor
(door Lou Vleugelhof)
Professioneel bezig met de geschiedenis en archeologie van
Zeeland vindt Jan Kuipers poëzie en kunst wezenlijker voor het oproepen
van de ziel van Zeeland dan de wetenschappelijke jacht op nieuwe feitjes, hoe
nuttig ook. Jan Kuipers (1953), geboren en getogen Zeeuw, woont in Goes.
Publiceerde gedichten in onder andere Ballustrada, De
Tweede Ronde, en essays in Hollands Maandblad. Schreef onder andere
kinderboeken en historisch werk.
Verdwenen
huis van Sint-Jan
Onder
de bouwvoor nog de
fundamenten van hun daling,
toen de fonkel van hun zwaard
al
van de ploegschaar was
(en zij vier paarden hielden, zes
koeien en tien bedden voor de
zieke
en de vreemdeling),
de akker openrijtend tot baring
van een toekomst in zwart-wit:
het
schichtig inzicht van een
kraai op glansgekeerde klei, de
glimp van andermans herinnering.
Het verdwenen Huis van Sint-Jan heeft je kennelijk nogal
geïntrigeerd?
,,Ja, het huis was een laatmiddeleeuwse commanderij van de Johannieters bij Wemeldinge. Deze was van weinig belang, in contrast met het
algemene, fiere imago dat de Johannieters hadden door hun grote vestigingen op
bijvoorbeeld Rhodos en Malta.
Over de Johannieters heb ik onder andere geschreven in de satirische thriller Moord
aan boord van de PSD (1998). De fascinatie voor de Wemeldingse
vestiging ligt voor mij in het feit dat hij ligt in een uithoek als Wemeldinge. Het is een vaag overblijfsel van de roem van de
Johannieters.``
Je gebruikt in je gedicht enkele archeologische overblijfsels
om de sfeer en de situatie van het verleden op te roepen. Waarom selecteer je juist deze
resten? Ik mag aannemen dat er meer over was dan jij noemt.
,,De funderingen zijn kort voor de Tweede Wereldoorlog al grotendeels
weggehaald. Voor het gedicht is van belang dat de commanderij alleen nog
`mentaal` voortbestaat en door haar verdwijning als
het ware buiten de tijd is geplaatst. In het gedicht wordt deze
onaantastbaarheid weergegeven door drie dingen: de beschrijving van de
neergang, de verdwijning en de wedergeboorte. Je kunt het gedicht lezen als
object van herinnering.``
Je roept niet alleen resten op, maar je bevolkt ze ook. Je
probeert iets van het menselijk levenslot op te roepen. Moet ik de daling lezen
als de neergang van de commanderij?
,,Het menselijk lot is uiteindelijk de vergetelheid. Die kan alleen door de
herinnering tijdelijk worden bestreden. `Daling` duidt letterlijk op het lot
van de Wemeldingse commanderij: een voortbestaan van
fundamenten onder de bouwvoor. Tegelijk duidt `daling` op de neergang van de
Johannieters.``
Was de glans van hun bloeitijd over?
,,De fonkel van hun zwaard werd die van de ploegschaar. Dit verwijst naar de
bijbel. De Wemeldingse Commanderij had een overwegend
agrarische functie. Een nogal nederige en onbelangrijke status. Dat weerspreekt
het algemene beeld van de geestelijke orde van de Johannieters als militante
ridderorde.``
Hoe moet ik de tien bedden voor zieken en vreemdelingen
opvatten?
,,Die tien bedden voor de zieke en de vreemdeling komen uit historische
bronnen. Het geringe aantal duidt op de kleinschaligheid van de Wemeldingse vestiging.``
Ze waren dus boeren, die hun akkers ploegden en die als het
ware open legden tot baring van hun toekomst in zwart-wit. Lees ik het zo goed?
,,Ja, het kleurloze maar glanzende geploegde land verwijst naar het `zwart-wit
karakter` van elke historische notie, die per definitie onvolledig en
reconstructie is. Ook schemert er in `zwart-wit` een verwijzing door naar de
secundaire waarneming via oude foto`s, film of televisie.``
Hoe moet ik de kraai opvatten die een glimp opvangt van
andermans herinnering?
,,De kraai is mijn favoriete vogel. Een kraai is een alledaagse verschijning op
alledaagse akkers om daar ook het laatste grein voedsel - in casu geestelijk voedsel - weg te halen. Tegelijk is de
kraai een symbool van de dood en van het ten grave dragen. In dit gedicht heeft
de kraai dus een puur concrete functie en ook een signaalfunctie.``
Wat de vorm betreft kies je voor een drieregelig couplet (een
terzine). Hou je van vastomlijnde schema`s en strakke vormen?
,,Er staan diverse rijmvormen in het gedicht, als gebroken eindrijm (`ing`), kreupel binnenrijm (schichtig inzicht), direct en
uitgesteld stafrijm (`fundamenten` met `fonkel`, `glansgekeerd`
met `glimp`). Ik vind de muzikale kwaliteit van onnadrukkelijk rijm waardevol.
Meestal gebruik ik herkenbare, maar geen strak opgebouwde structuren als
terzinen en kwatrijnen en dergelijke. Ook het totale aantal versregels vind ik
van belang in verband met de oude getallensymboliek.``
Klopt het dat je voorkeur uitgaat naar objectiverende ofwel
beschrijvende poëzie (descriptief) en minder naar directe uiting van emoties en persoonlijke
ervaring (ego-poëzie)?
,,Ego-poëzie is vreemd genoeg meestal oppervlakkiger, journalistieker
dan objectiverende poëzie. Puur descriptieve poëzie vind ik weer het andere
uiterste. Het gaat mij meer om de ordening van het toeval en om het beeld en de
sfeer van een waarneming. Daarmee bereik je vaak diepere lagen van de
empirische werkelijkheid en de subjectiviteit dan met de weergave van
persoonlijke emotie die toch kunstmatig is. Ook weergave van emotie is
reconstructie.``
Waar gaat je voorliefde naar uit in Zeeland in verband met je
poëzie?
,,In Zeeland ben ik geboren en getogen; en professioneel ben ik steeds bezig
met de geschiedenis en de archeologie van de provincie. Poëzie, beeldende kunst
en subjectieve reflectie zijn voor mij essentiëler voor het oproepen van de
ziel van een streek of landschap dan de wetenschappelijke jacht op feitjes, hoe
nuttig ook.
In Zeeland gaat mijn voorkeur uit naar de waterkant, het water en de polders en
alles wat daarbij hoort. En in de stadjes en dorpen naar de onwillekeurige
samenhang van verschillende historische perioden en stijlperioden.``
(Bron: Provinciale
Zeeuwse Courant, 26 september 2001)
***
‘Op de hoek van de straat zit een paddoshop’
Heimwee naar de twintigste eeuw
De millenniumwisseling moet nog komen maar Jan Kuipers
heeft nu al heimwee naar de twintigste eeuw. Hij schreef een boek over Zeeland
in de afgelopen honderd jaar en bij het verlaten van de eeuw voelt hij zich wat
mistroostig. Al die ontwikkelingen als amerikanisering van de samenleving en anglisering van de taal, het `misnoegt` hem. ,,Het is zo
eerloos en zielig. Het getuigt van een gebrek aan eigenwaarde.``
Kuipers constateert dat geschiedenis aan het eind van de
twintigste eeuw `geen enkel belang` meer heeft. ,,Dat is een vreemd idee. De
mensen zijn blind voor het verleden door de snelheid van veranderingen``, zegt
hij in het Provinciaal Archeologisch Centrum Zeeland in Middelburg. Hij is daar
in deeltijd archeologisch documentalist. Op de bruine vloer met rode, gele en
blauwe lijnen - de oude gymzaal van de brandweer - staan tientallen oude
potten, sommige hangen met witte plakband aan elkaar. Kuipers wuift enkele
fruitvliegjes van een plak cake. ,,Die hoef je dus ook niet meer te eten. We
krijgen ze maar niet weg.``
In tientallen hoofdstukjes met `hoogte- en dieptepunten` schetst hij de Zeeuwse
geschiedenis van de afgelopen honderd jaar. Van de opening van het havenkanaal
van Philippine tot de bouw van de Westerscheldetunnel in 1998, met tientallen
soms niet eerder gepubliceerde foto`s. Een eeuw Zeeuwse geschiedenis tot zestig
onderwerpen teruggebracht. ,,Honderd jaar, dat zijn miljoenen evenementen
natuurlijk.`` Kuipers en de leden van de redactiecommissie hebben apart van
elkaar een lijst gemaakt van wat erin moest. ,,De lijsten vertoonden een sterke
overlap. Dus kon ik objectief wel ongeveer vaststellen wat in deze eeuw
belangrijk was.``
Kuipers wil z`n boek geen wetenschappelijke studie noemen.
,,Het zit vol met analyses maar het heeft geen omvattende probleemstelling. Het
geeft geen antwoord op fundamentele vragen zoals `Wat zijn Zeeuwen?`. Het is ook
geen prentbriefkaartenboek met nakauwen wat al ergens stond. Het is een
terugkijkboek met linken tussen de verschillende onderwerpen. De gebeurtenissen
zitten gevangen in een web van oorzaak en gevolg, soms heel beschrijvend, soms
anekdotisch.`` Een ontluikend Zeeuws-nationaal gevoel ziet Kuipers als een rode
draad in de afgelopen eeuw. ,,Voor de pogingen in 1919 van BelgiÙ
om Zeeuws-Vlaanderen te annexeren bestond Zeeland uit verschillende regio`s die
zich apart ontwikkelden. Toen bestond Zeeland alleen voor de culturele en
bestuurlijke bovenlaag.`` Hij stelt dat op het moment dat een Tholenaar en Walchenaar zich
Zeeuw gaan voelen het Zeeuwse sentiment al weer wordt gemarginaliseerd tot een
`folkloristisch fijn gevoel op feesten en partijen`.
Met de Deltawerken zijn er nieuwe verbindingen met de rest van Nederland
gekomen, zegt Kuipers. ,,Door de komst van de grote fabrieken is er import
gekomen, de jeugd trekt weg en Zeeuwen gaan ook op vakantie in Europa en
elders. Het Zeeuwse gevoel is nog voornamelijk terug te vinden in de
heemkundige kringen en de Zeeuwse Vereniging.`` De komst van een
streektaalfunctionaris is daar een bewijs van, zegt hij. ,,Een teken dat het
Zeeuws onder druk staat. Hoe meer aandacht er is voor Zeeuwse identiteit, hoe
minder vanzelfsprekend het is geworden.``
Een eeuw van verandering, maar ook van constanten, zegt
Kuipers. ,,Wat opviel was dat oude patronen steeds terugkeren. Bij het begin
van de bouw van de Westerscheldetunnel vielen de protestanten over de
katholieke inzegening. Dat is heel erg typerend.`` Zeeland anno 1999. ,,Het
reformatorisch volksdeel praat over godslastering. En op de hoek van de straat
zit een paddoshop.``
Boek: Zeeland 1900-2000 (Den Boer / De Ruiter, 1999)
(Bron: Provinciale
Zeeuwse Courant, 17 december 1999)
***
Het genre van de verbeelding
De Goese science-fictionschrijver
Jan Kuipers trekt zich weinig aan van de regels die volgens sommigen binnen het
genre zouden gelden. "Wanneer mijn personages geen vervoer hebben, laat ik
ze gerust lopen naar een andere
wereld", zegt de auteur, van wie in september de bundel Bannenfluister, hemelglas uitkomt. "Science fiction is het genre van de verbeelding. Dat moet
je dan ook waarmaken."
Het boek bevat een selectie van verhalen die Kuipers sinds 1983 publiceerde in
jaarboeken en tijdschriften op het gebied van science
fiction (sf). Voor twee daarvan ontving hij de King
Kong Award, een Vlaams-Nederlandse prijs voor dit genre. (…) Sf staat in Nederland niet hoog aangeschreven, maar daarvan
trekt Kuipers zich niks aan. “Men vindt het genre vulgair. En dat is het
gedeeltelijk ook wel. Maar een groot deel van de Nederlandse literatuur zegt
mij net zo goed niets."
Kuipers kwam in aanraking met het genre toen zijn broer hem zo'n 25 jaar
geleden een boek van R. A. Lafferty gaf. "Hij is
een van de beste sf-auteurs. Die trekt zich nergens
wat van aan." Omdat de Goese schrijver dezelfde
houding heeft ten opzichte van het genre, wordt hij nogal eens met Lafferty vergeleken. "Geloofwaardigheid is voor mij
niet van belang. Aan de andere kant zit je toch wel enigszins vast aan de eisen
die het genre stelt. Sf is surrealistisch,
mythologisch en het speeIt zich vaak afin parallelle of toekomstige werelden."
In het titelverhaal 'Bannenfluister, hemelglas' roert
Kuipers zelfs een 'klassiek' sf-thema aan: de
inmiddels achterhaalde of mislukte wetenschap. Het verhaal gaat over de
alchemie, een vorm van scheikunde gebaseerd op het idee dat de materie niet
dood is, maar een ziel heeft. Het personage uit 'Bannenfiuister,
hemelglas' valt door een fout van een alchemist uiteen in miljoenen nieuwe
karakters. "Alles in dit verhaal loopt mis, loopt anders dan men zich had
voorgesteld", zegt Kuipers. In de verhalen van de Goese
auteur bestaan weinig zekerheden. Kuipers houdt er niet van om een boodschap in
zijn werk te stoppen, maar als er dan toch een ding is dat hij zijn lezers wil
meegeven, is het dat ze hun eigen plan moeten trekken en zich niets moeten
laten wijsmaken. "Blijf maar met je beide benen op de grond. Idealen
verhullen vaak eigenbelang en mislukken alleen maar."
(Bron: Provinciale
Zeeuwse Courant, 25 augustus 1995 (bew.))