Engeland, 1976 (Fragment uit ‘Ellendige Sex, uitg. Contact, 1993)

 

“Haar materiŽle omgeving was als een geraamte bij de biologieles, naakt tot op het bot, klaar voor inspectie of totale desinteresse. Las ik wie ze was in die keukenkastjes, de uitgestalde snuisterijen die zich in haar slaapkamer verdrongen, of zag ik slechts hoe een moeder (die ik nauwelijks kende) zich moest redden van een klein inkomen en daarbij geen ruimte had voor schaamte? Medelijden hing als een onwillig kind rond in mijn gedachtengangen. Jenny claimde het niet en het zat mij flink in de weg. Op een of andere manier voelde ik aan alle kanten hoe gezegend mijn bestaan was en hoe onwetend me dat maakte.

 

Ze was zo gewillig dat ik mijn greep nog meer verloor. Ik wist niet langer aan wie ze zich overgaf. Hoe zag ik eruit in haar ogen? Was ze gewend aan opoffering of slechts geÔnteresseerd in mijn improvisatievermogen, de initiatieven die boven zouden drijven aan het oppervlak van mijn ondoorzichtigheid. Of was ik glashelder? Het kon zijn dat ze nauwelijks nadacht over inhoud en vervolg, haar inzichten maar een fractie van wat ik haar toedichtte. Onze verstrengeling was zo glad en los als de geoliede spaghetti die ik op de borden had laten glijden. Geen van beiden leek een haak in de ander te slaan. Een richtingloos bewegen dat zichzelf voortdurend analyseerde. Mijn ontlading verzamelde zich op een plaats, verder weg dan het thuisland, en morste zich een weg naar buiten.

            Ze bleef stil onder me liggen, nooit sloot ze haar ogen. Mijn been- en buikspieren spanden zich om de last van mijn gewicht te verlichten. Ieder moment kon ze nu gaan huilen. Onverklaarbare, maar voorspelbare tranen zouden mij om antwoorden vragen. Maar ze huilde niet. Integendeel, ze begon langzaam onder me te bewegen en zichzelf te betasten. Ik boog mijn hoofd om haar vingers te kunnen volgen. Krachtige vingers die mijn tederheid uitgomden tot er alleen nog maar moord en brand in de lucht hing. Ik nagelde haar geschoren wond aan de bodem van het huis en hervond mijn ritme. Haar mond werd mijn prooi, een bloedend dier dat ik heen en weer rammelde tussen mijn kaken, een dier dat zich geducht weerde en mij meesleepte in zijn doodsnood.

            Leeggevochten zonk ik weg in een diepe slaap. Een slaap waarvan de bodem zich niet onder mijn rug wilde uitstrekken. Haar geopende ogen riepen me steeds terug uit mijn afdaling. Ze hoefde niet omlaag, niet vooruit. Ze plukte de nacht, het uur, mijn jeugd. Ten langen leste zette ik het mes in de waakdraad en sliep door naar de morgen alsof iedere volgende dag alleen nog maar aan belofte kon winnen.”