Spelevaart
Laatst ging ik spelevaren
Al op de blauwe doodsrivier.
Daar zag ik scheepjes varen,
Die brachten veel vertier.
Zij hadden witte kielen
En rompen, witte zeilen op;
Tot zij voor anker vielen
Een witte vlag in top.
Zij losten en ontvingen
En dobberden den stroom weer af
(Het waren speelgoeddingen)
Naar zee, dat was hun graf.
Ook ik ging spelevaren
En ben op de rivier geweest;
Al waren er gevaren,
Toch was ik niet bevreesd.
Maar duizelzwaar en dronken
Vond ik op de’ oever mij terug.
Het water zag ik vonklen,
De wind floot door het tuig.
’t Scheepje zag ik verdwijnen,
Een streepjen aan den horizon.
Eens zal het weer verschijnen
En heengaan met de noorderzon,
Mij halen en verleiden
Dat ik op ’t witte dek
Mijn moede leden strek –
Dan zeewaarts langs den blauwen stroom
Zoo vredig en zoo loom
Wegzeilen en verglijden.
—
Victor E. van Vriesland (1892-1974)
