Words,words,words

Aan de beek, op de hofsteê van Laurens Baack

Doorluchte beek, van bloeiend loof bedekt,
Die menig maal verstrekt
Een spiegel voor de fiere Katharijn,
Daar zij den zonneschijn
Ontschuilt, en zingt op uwen waterval,
Met liefelijk geschal,
Wanneer ’t bekoorde en vrolijk pluimgediert
Daar onder tiereliert:
Doorluchte Beek, wel, waarom ruist ge niet
Haar voor met enig lied,
Waardoor zij werdt gebeterd en gesticht,
Om langer niet zo licht
De vierge beê der genen af te slaan,
Die na haar hijlik staan?
Wat draagt ze toch op jeugd en schoonheid roem,
Wat stoft ze van een bloem,
Die openluikt met ’s levens dageraad,
En ’s middags weêr vergaat?
De tijd is snel, ’t onzeker leven kort.
De rozekrans verdort.
Vergankelijk is Venus en haar vrucht:
Men grijpt ze maar ter vlucht,
En d’ ouderdom met naberouw verrast
Al wie niet toe en tast.
D’ oogappel straalt niet eeuwig klaar en hel.
De rimpel kreukt het vel,
Dat voor een wijl gespannen stond en glad.
De wittigheid beklad
Met vlekken, en de pruik met sneeuw belaân,
Geen vrijers lokken aan.
Wat vrolijkheid men dan aan andren ziet,
Dat strekt tot meer verdriet;
Vermits men zich zo reukeloos en zot
Verstak van ’t zoet genot
Der jonkheid, die bepaald, als in een punt,
Natuur ons had gegund.
Wel is zij wijs, die haren tijd gebruikt,
En voor den hagel duikt.

Joost van den Vondel (1587-1679)

Joost van den Vondel, Lust tot poëzie; Querido, Amsterdam; ISBN 9021405660

Top