Ik peil het water in een grondelooze put,
Ik drijf mijn ploeg op de barre strand,
Ik zaai mijn zaad in het dorre zand,
Zonder hoop van winnen ik ’t spelleken schut.
Ik stort mijn gebed voor een doove jut,
Ik offer een sanct, die des maakt geen werk,
Ik loop te beêvaart naar een gesloten kerk,
Ik doe groote arbeid en ben niemand nut.
Die wel aanziet mijns levens loop,
Zal niet zeggen, dat ik goede koop
Dus lang gebruik mijn vrije lust.
Ik hoop, ik vrees, ik reken zonder waard,
Op een bed mocht ik, en ik slaap op d’aard :
God geef mijn benijders ook zulke rust.
—
Roemer Visscher (1547-1620)
