Witte uil
Aschgrauwe veeren dekken zwaarbeleede
Oogen, waar ’t vuur van een systeem in smeult;
Zonder beweging in het daglicht heult
Hij met zijn nachtelijkste tijdbesteden;
Want alles wat hij in bloedende reepen
Scheurde met scherpgekromden klauw of bek
Straalt uit zijn blik terug, en is begrepen,
Voor altijd vastgenageld op die plek.
Geen prooi leeft lang meer, nadat ’t grijs ovaal
Hem peinzend toegewend werd als een kaal,
Hoog voorhoofd, dat vermoordt uit hooger spheren.
Doch schrikt hij, vliegt hij hoog in werk’lijkheid,
Dan ziet men ’t onverwachts zoo teer gespreid
Als bij een vrouw de zijden onderkleeren.
—
Simon Vestdijk (1898-1971)
