Voor Hélène
Als ge oud zijt en, bij kaarsvlam, ’savonds aan den haard
te spinnen zit en kluwt het opgehaspeld garen,
dan zingt gij nog mijn verze’ en zegt: hij, zoo vermaard,
Ronsard heeft mij gevierd in ’t bloeien van mijn jaren.
Dan zal uw dienares, wie ’t zijn mag, slaap-bezwaard
reeds domm’lend over ’t werk, plots’ling bij deze mare
op ’t woord Ronsard ontwake’ en d’oogen, glans-verklaard
zeegnen uw naam met lof, die nimmer zal verjaren.
Ik zal gestorven zijn en, leêge schim, neem ’k rust
in ’t myrten-schaduwdal aan d’onderaardsche kust.
Gij zult, gekromd bij ’t vuur, van kilte en oudheid beven,
treurende om mijn min, die gij zoo trotsch verstiet.
Gelooft ge mij? O, leef! Wacht dan tot morgen niet
maar pluk van stonden aan de rozen van het leven!
—
Vert. K.H. de Raaf
