’t Getij liet uit den
mantel zijn
van wind en strenge kou en regen
en heeft een luchten zwier gekregen
van helderlichten zonneschijn.
En daar is dier noch vogelijn,
of in zijn taal roept het u tegen:
’t getij liet uit den mantel zijn
van wind en strenge kou en regen.
Rivier en beek en springfontein
hebben een staatsie aangekregen
uit zilverdruppels saamgeregen,
een elk wil op het fleurigst zijn,
’t getij liet uit den mantel zijn.
—
Vert. J.H. Leopold
