Words,words,words

Een korenwanner

Aan de Winden

Ik offer vermillioene rozen,
En lelyen, en vyolette;
En bloemen versch geplukt, die blozen,
Waar op de daauw haar’ paarlen zette,
En strooyze met gewasschen handen
Op uw altaar, ô lichte veugels!
Gebroederen, die alle landen
Der werelt met uw’ snelle vleugels
Doorreist, en met een duislig ruisschen
Het schaduwryke loof beweegt,
Waar door gy zachjes heên komt bruisschen,
Wanneer gy al de vlakten veegt.
Ei, azem met uw’ droogen aassem
In ’t winterkoren dat ik wan,
Op dat de lucht met vochten waassem
Myn’ dorschvloer niet beschaden kan!

Vert. Heiman Dullaert

 

Top