Op den Tiber en de Dong
De droeve Tiber zag mijn alderklaarste dagen
Spijt mijnes tegenspoeds verwerde dwerrelwinden,
Daar mij de klare Dong ging droeve buien vinden,
Daar ’t heele Merweland nog wil een dag van wagen.
De Tiber zag mijn leste, beste minnevlagen,
De Dong zag d’ eerste zon, die mijne ziel verblindde,
D’ een breekt mijn minneknoop en d’ ander gaat mij binden,
D’ een gaat mijn naam en eer, d’ ander mijn ziel ontdragen.
En schoon de zoete Dong in Merwens zoete stroomen
Haar korte naam en loop, maar niet haar zoet gaat enden,
Is ’t allerbitterst gift uit zijn gebergt gekomen;
Maar schoon des Tibers droevig zoet in ’t brak belenden,
En ik een vreemdling was in ’t lang vervreemde Romen,
’k Vond daar mijn naaste bloed bij die mij niet en kenden.
—
Matthys van der Merwede van Clootwyk (±1625-±1685)
