Alleen drinkend in het maanlicht
Tussen de bloemen staat een kruik wijn,
ik drink alleen, geen vriend in de buurt.
Ik hef mijn glas, begroet de maan
en kijk mijn schaduw aan: we zijn met z’n drieën.
De maan heeft van drinken geen verstand,
mijn schaduw doet mij maar na.
Al zijn de maan en mijn schaduw mijn enig gezelschap,
toch wil ik uitbundig de lente vieren.
De maan blijft daar hangen als ik zing,
ik dans en mijn schaduw springt stuk.
Nuchter vermaken wij ons samen.
Dronken gaat ieder zijn weg.
Laten we voor eeuwig vriendschap zweren, om na dit leven
elkaar weer te vinden in de weidse melkweg.
—
Willy Vande Walle en Mon Nys, in: Li Bo, De naam van de maan, Leuven, 1991; p. 43
