Met een kruik wijn zit ’k onder bloesemboomen;
Ik drink, alleen, geen vrienden zijn tot mij gekomen.
Ah! boven, zie! de maan die op mij neder ziet,
Ik roep haar aan en hef mijn beker naar haar glans,
En zie! daar gaat mijn schaduw vóór mij in zijn dans,
Een beter driemanschap begeer ik niet!
Wel kan de arme maan niet drinken
En danst mijn schaduw óm mij óm,
Maar deze nacht zijn wij toch vrienden:
De drinker, en zijn schaduw, en de maan,
Laat ons de roes der lentenacht begaan.
Ik zing, de maan klimt langs den hemel wild,
Ik dans, mijn schaduw tuimelt om mij heen.
Zoo lang wij wakker zijn, laat ons te samen drinken
Tot zoete dronkenschap ons neer doet zinken.
Laat vriendschap voortaan ons verbinden
Door stervelingen niet gekend,
En laat ons dikwijls ’s avonds saâm ons vinden
In nevelige ruimte, eindloos wijd.
—
G. Knuttel jr. in: Ir. G. Knuttel jr., Herfst-maan. ’s-Gravenhage, 1950; p. 18
