De drie gezellen
Temidden bloemen in een wolk van geur.
Ach, waarom moet ik thans zoo eenzaam zijn?
Had ik rond mij henen mijner vrienden keur,
’k vergastte hen op de vlam van dèzen wijn!
Maar – hei! daar lacht de maan mij haren groet!
En nog een derde duikt plots op: mijn schaûw!
’k Heet welkom hen gelijk men ’t vrienden doet;
Drinkt mee! Je kunt niet? ’k Drink voor joù en joù.
Voor joù en joù en mìj! Ik zwelg voor drie.
Prosit, gezellen! Zóó is ’t leven licht!
Ik dans. Mijn schaûw ook danst mijn melodie,
en schaatren, schaatren zie ik ’t maangezicht!
O blijf bij mij zoolang mijn lied weerklinkt.
Wees mij getrouw totdat uit mijne hand
de beker aan den vloer in scherven springt
en ik op reis roes naar der goden land!
Vaarwel dan, lieve vrienden...! – Maar niet éér...
En dit zij onze afspraak: Bij m’n dolk,
Ik vind U beiden morgen-avond weer,
hier, bij den wijn, temidden ’t bloemenvolk.
—
Jan H. Eekhout, in: Jan H. Eekhout, Wijn, Rotterdam, 1930; p. 25
