Wat voor een grootte staat den man het waardigst?
Welk haar? wat voor gelaatskleur? welk postuur?
Welke oogen zijn verleidelijkst van vuur?
Wie blijkt tot ongeneeslijk wonden vaardigst?
Wat zang past bij den man als meest de zijne?
Wie zingt zijn smart zóo dat ze ons diepst doordringt?
Wie slaat de luit dat zij nog zoeter klinkt?
Wat voor karakter mag beminlijkst schijnen?...
’k Durf hieromtrent niets zekers te verklaren.
Daar Liefde ’t helder oordeel mij verblindde:
Maar éen ding weet ik wel en bij ervaren,
Dat alle schoon dat voorkeur uit kan vinden,
En alle kunst die komt natuur ten goede,
Tot feller brand mijn hartstocht niet zou voeden.
—
Vert. P.C. Boutens
