De dood van de giraffen
1
Er zijn hier drie giraffen tegelijk gestorven.
Zij stonden in een betrekkelijk klein, maar zeer hoog hok.
Opeens begonnen hun benen te trillen,
De draden van staal erbinnen waren aangevreten
Door roest en de subtiele gewrichten van de knieën
Kraakten.
De draden zoemden verschrikkelijk,
De rompen zakten omver.
Op hun zij liggend
Hoopten zij nog dat alles een vergissing was
En probeerden zij hun benen op te lichten,
Maar hun hoeven kletterden machteloos neer.
Toen steeg het op naar hun hijgende, weerloze buiken.
De huid van hun rompen voelde al aan als leer
Terwijl het roest steeg naar hun gezichten.
Zij zagen het met grote bange ogen
In de nekken van de anderen hoger komen
En voelden – onder en boven elkaar gelegen –
De dood van die vrienden.
Het was vergeefs dat zij aan de anderen dachten.
Hun koppen werden achter elkaar nog eenmaal opgericht.
Zij gaven bij het vallen een doffe dreun: een, twee, drie.
Het was stil.
De tien barokke engelen, met een glimlach van was
Als getuigen aanwezig,
Bewogen zich niet.
2
De dode giraffen zongen in koor:
Zie, wij zijn het doodgaan vergeten.
Als een grote, ronde, gele maan zetelde het in onze benen,
Het steeg lucide, werd bleker en scheen
Verblindend binnen onze ogen.
Onze kinderen dromen en wij zijn dood,
De dood is een eeuwig waken.
Wij zouden zo gaarne te ruste gaan,
Zo gaarne slapen.
3
De doden leven nog in ons.
Wij horen de dode honden in ons blaffen, de dode insecten gonzen,
De dode vogels zingen.
Nu leven de dode giraffen in ons hun hooghartig bestaan
Ingekeerd verder.
Wij voelen ze bewegen, hun fragiele poten en hun lieve nekken,
En het deert ons niet. Zij zijn welkom, wij hebben plaats genoeg,
Wij ontvangen ze graag, die zachte, trotse personen.
Maar de levenden sterven met de stervenden,
Zij sterven in talloze bedden,
En het is bijna ondragelijk om dood te zijn in dat ontzaglijk doodzijn,
Om te verrotten in dat subtiele vlees,
Om te zijn uitgewist in die tedere ogen,
Om te zijn weggeruimd in dat drievoudig graf.
—
Alfred Kossmann (1922-1998)
