Aan een terras
Zij zaten samen voor een gouden glas,
vroeg in den ochtend, aan een koel terras.
Zij dronken niet; tenzij elkanders oogen,
met blikken die — zoo bitter jong — niet logen,
en spraken niet : de taal der liefde was
hun vreemd of geen van beiden boeken las.
Zij keken mijn kant uit en zagen niet
hoe spot in mij worstelde met verdriet.
—
Raymond Herreman (1896-1971)
