Words,words,words

 

Een roode roos is in mijn hand,
zie hoe puur
elk blad brandt,
nu is vol vuur
elk mijner oogen, mijn hoofd verbrandt.

O dof karmijn
bevroren wijn
uitslaand plots in roode vlammen,
en vuurrood bloed,
fonteinen gloed,
gebroken uit de hartedammen.

Ik kan staren en al uw licht vergaren,
ik kan liggen neder, ’n geblazen veder,
hijgend, hijgend om u,
ik kan mij wasschen diep in plassen,
ik kan hoog opdrinken uw hoog uitblinken,
uw vlammen luw.

Een roode roos staat voor mijn slaap,
zie hoe somber,
bloed in mijn slaap,
een droom als amber,
in roode zeedroom, ik blanker knaap.

O droevig klotsen
en somberder botsen
rondom mijn droomenden voet –
o bloemfontein van rouw,
roerlooze droom van vrouw,
witschitter en somber als roet.

Ik kan droomen van ’t bij u komen,
ik kan weenen, bij u verschenen,
gij zijt zoo rood in mijn ziel –
gij zijt mijn gloênde, mijn eeuwig woênde
vulkaan waarin ik viel.

Dood, o dood,
sombere, somber geronnen rood,
kom, o kom.

Herman Gorter (1864-1927)

Herman Gorter, Verzen; Querido, Amsterdam; ISBN 9026307616
Herman Gorter, Mei; G.A. van Oorschot, Amsterdam; ISBN 9028209689
Herman Gorter, De dag gaat open als een gouden roos; Prometheus, Amsterdam; ISBN 9057134403
Herman Gorter, Ik vind je zo lief en zo licht; Bert Bakker, Amsterdam; ISBN 9035119169
H. de Liagre Böhl, Herman Gorter 1864-1927; Contact, Amsterdam; ISBN 902549787X

Top