De bladerlooze boomen, on-
gedurig en verlegen,
staan vechtende in den voorjaarswind,
en weg- en weêrgeslegen;
ze buigen, dat de grond opheft
en dat hun’ wortelpezen,
hoe vaste ook en hoe verre en die-
pe zijwaards ingevezen,
begeven moeten. ’t Zoeft alom
en ’t zucht. De takken tieren
lijk wolven, die verhongerd in
de wilde bosschen zwieren.
Geen’ musschen meer, geen’ vogels, die ’t
bestaan een huis te nazen,
daarin zoo menige onbekende
en booze gasten razen:
ze vluchten! ’t Is al eendlijkheid,
al woede, en wilde vlagen,
die, tegen ’t taaie takgebouw
vereend, hun wijsheid wagen,
en wijken moeten. Buigen maar,
gij boomen: eer veel tijden
zal ’t uitgewaaid en verder zijn
gevlucht, dat felle strijden.
—
Guido Gezelle (1830-1899)
Guido Gezelle, Volledig dichtwerk; Uitgeverij Pelckmans, Kapellen; ISBN 9041403426
Guido Gezelle, Bloemlezing uit de poëzie van Guido Gezelle; PoëzieCentrum, Gent; ISBN 9056550152
Guido Gezelle, Poëzie en proza; Prometheus/Bert Bakker, Amsterdam; ISBN 9035120159
