Omdat ik niet meer hoop, mijn lied,
ooit weer te zien, Toskaansch gebied,
ga gij dan licht en stil
naar mijne Vrouwe zweven,
die door haar hoflijkheid
u alle eer zal geven.
Gij komt helaas met nieuws aan zuchten rijk,
wel zeer beangst en overvol van smart.
Wees dan bezorgd, dat geen persoon u ziet,
die zich een vijand toont van ’t edel hart.
’t Is mooglijk, dat mijn tegenspoed
u ’t verder gaan beletten doet,
zoo ver uit haar bereik,
dat het mij angst zou geven;
oorzaak van nieuwe smart,
na ’t einde van mijn leven.
Ballade, hoor van mij, hoezeer de dood
mij dringend jaagt, dat reeds mijn leven vliedt,
en hoor, hoe ’t hart, gekweld, zich sterk verweert
om ’t onafwendbaar, reeds gemeld, verschiet.
Mijn lichaam werd zoozeer gesloopt,
dat niets in mij op redding hoopt.
Zoo gij mij helpen wilt,
voer mijn ziel met u mede,
– daar bid ik dringend om –
als ’t hart heeft uitgeleden.
Ballade, aan u, aan uwe vriendschap, ach!
beveel ik, aarzelend, mijn ziele aan:
neem haar met u om harentwille mee,
ik laat u gaarne naar mijn Vrouwe gaan.
Ballade, ach! zoo ’t lot u bracht
bij haar, zeg haar dan fluistrend zacht:
Deez’ ziel, u toegewijd,
komt, om bij u te leven,
uit hem, die zich in dienst
der Liefde heeft gegeven.
Gij, stemme, die veel van uw kracht verloor
en weenende mijn lijdend hart verlaat,
ik wensch, dat dit, mijn lied, zich met de ziel
over mijn wanhoop onderhouden gaat.
Een Vrouwe vindt gij, aangenaam
en zoozeer tot begrip bekwaam,
dat het een vreugd’ moet zijn,
altoos bij haar te wezen.
Laat, ziel, te allen tijd,
haar deugd worden geprezen!
—
Vert. R.J. Valkhoff
