Words,words,words

Achter de stilte

De bezingers van ’t arduinen licht
in den tredgang der verheerlijking
zwijgen. Nu, geboren hart, nu zing
klein, erbarmend, want de dag is blind.

Hond en herder gingen warm voorbij
aan de schaduw van den korenaar:
wij zijn al ’t bewegen in dit zwaar
dal van dwingende mistroostigheid.

Wanneer zagen wij de wereld aan
met lustoogen, gulzig, vast en rond?
wanneer raakten wij de wereld aan
met een vuren mond?

Schuifelend, redeloos, paarsgewijs,
achter deze stilte lieten wij
niets dan ’t smal, verzengde varenkruid.
Aarden dampen onze schreden uit.

Zie ’t vermindren: zie het wisslend groen
naar den nacht gebogen; zie de bloem
die de ruimten van haar hart verliest.

Zie den avond en het roode riet.

Herman van den Bergh (1897-1967)

 

Top