U groet uw trouwe vriend Martijn
uit Duitsland; alle Duitsers stinken.
Weet dat ik hier inplaats van wijn
hun bochtig bier zit op te drinken,
en dromend van een tuinfestijn
in sneeuw en modder weg moet zinken.
Uw kleden, als damast zo fijn,
doen mij een traan uit de ogen pinken
en spotten met mijn ruw bestaan!
Men dekt hier tafel zonder linnen
en zit met zeven kerels aan
rond één terrien; hun vuile vinnen
vegen zij af aan hun soutaan;
het varkensvet druipt van hun kinnen.
—
Vert. Hélène Notlhenius
