 |
Catharinadal
[NC318] Et Henrici de Neste et Arnoldi, fratris eius,
qui legaverunt nobis undecim gr. ant. ann.
Ob. kan. en Ob. kap. Op
16 maart (voor 1451) jaargetijde van Arnoldus de Neste en zijn ouders
(kan. 4 gr. vet., kap. 2 gr. vet.). Drossaers, Het archief, regest 497 en 684.
In 1353 een Arnoud van Neste leenman van Breda, in 1371 schepen van de
stad. GAB II 17 (Register H. Geesttafel) fol. 26. Voor 1415 was een cyns van 8
lopen rogge op goederen te Rijen afkomstig van Aert van Neste en Ghielys
van Wingaerde. Drossaers, Het archief, regest 970. In 1410 was een Henric van
den Neste betrokken bij een in beslagname van leengoederen
20B (maart)
[NC207] Commemoratio
Elisabeth de Oosterzeel, quondam nostri conventus priorissae ante reformationem.
(EC356) p. 265. Op 17
oktober 1443 nog gewoon zuster. Idem, (EC359) p. 267. Op 23 maart 1444 priorin
genoemd. (EC383) p. 282-283. Op 11 oktober 1449 laatste vermelding als priorin.
(EC391) p. 286. Op 13 maart 1452 Mechtelt van Ryswyck priorin. Elisabeth stierf
dus op 20 maart 1450 of 1451. A. Cath. Man. 1 fol. 100 en 100v. In het rekeningjaar 1457/1458 onkosten verantwoord voor diverse bedevaarten
van 'joffrouwe Oesterzeel' o.a. naar Amersfoort.
[NC208] Et Avezoetae de Neste,
quondam priorissae ante reformationem.
Van der Aura,
Geschiedkundige bijdragen, p. 94. Deze auteur plaatst de priorin De Neste,
die buiten de vermelding in het necrologium onbekend is, op basis van de
dagvolgorde direkt na Elisabeth de Oesterzeel. Dit lijkt onwaarschijnlijk gezien
de korte termijn - 2 jaar - tussen de dood van Elisabeth en de eerste vermelding
van haar opvolgster Mechtelt van Ryswyck. In de bronnen (zie 27 april) kwam de
familie De Neste vooral voor in Breda in de tweede helft van de veertiende
eeuw. Avesoeta van Neste was waarschijnlijk priorin tussen Luytgaert van
Goerle en Elisabeth van de Leck, want op 25 september 1395 werd een domicella
Zoeta genoemd als priorin van Catharinadal (Erens, De oorkonden, p. 147). Dit
zou betekenen dat de volgorde in het necrologium niet klopt en dat priorin Van
Goerle al voor 1395 gestorven was. Verder geeft Van der Aura foutief bij
Luytgaert van Goerle als jaar van overlijden 1406; dit moet in ieder geval voor
1395 zijn.
[NC209] Et Gertrudae Teunissen,
benefactricis huius monasterii, matris sororis nostrae
Samenstelling en organisatie van het klooster
Aantal nonnen
De historische bronnen over Sint-Catharinadal bevatten
betrekkelijk weinig informatie over de kloosterbewoners en de interne
organisatie in de beginperiode (tot ca. 1450). Het is zelfs moeilijk om een
indruk te krijgen hoeveel nonnen in deze periode in het klooster verbleven.
Aanwijzingen over het aantal kloosterlingen zijn schaars en moeten indirect
afgeleid worden.
In 1395 bijvoorbeeld kregen de nonnen achttien kussens ten
geschenke en in 1427 vierentwintig kussens. (Oosterhout, archief St.
Catharinadal, Charters nrs. 122 en 226). In
laatstgenoemd jaar schonk Philips van der Lek het klooster deze kussens, die een
witte kleur hadden en waarin zijn wapenschild was geweven. De vierentwintig
kussens mochten alleen in het koor gebruikt worden op geschikte tijden ter ere
van de H. Catharina, patrones van het klooster. (Oosterhout, archief St.
Catharinadal, Charters nr. 226). Misschien
kunnen we conclusies verbinden over het aantal zusters op basis van dit aantal
kussens. Pas in 1463 is er een volledige opsomming van de koorzusters. Er
verblijven dan 12 koorzusters in Sint-Catharinadal. Dat is weinig, in
vergelijking met andere norbertinessenkloosters.
Het Generaal Kapittel bepaalde in 1231 dat het klooster Zennewijnen niet meer
dan 24 zusters mocht hebben (Harenberg 1980). Het klooster Langwaden tussen
Keulen en Dsseldorf kende in 1335 een numerus clausus van 27 koorzusters
(Bitter 1969, p. 236). Het maximale aantal zusters in het klooster Sint-Gerlach
werd in 1345 op 30 gesteld (Franquinet 1877, p. 44-45). Het klooster O.L.V.
Besloten Hof in Herentals werd in 1410 gesticht voor 15 koorzusters en 5
lekezusters. In 1452 woonden er desondanks 28 koorzusters en 8 lekezusters (Van
Spilbeeck 1892, p. 19-21 en 79-80).
Gegoede afkomst
Uit historische gegevens blijkt dat de nonnen van Sint-
Catharinadal voor een belangrijk deel afkomstig zijn uit de gegoede burgerij van
Breda. Het gaat om de families Van Bergen, Block, Van den Camere, Bynstroe, Van
Loenhout, Van den Neste, Van Oekel, Van Oesterzeel, Van Rijswijk,
Sterkens, Van der Sterre, Van Wijfliet en Van Ykel. Een enkeling was zelfs
afkomstig uit de lokale adel (de geslachten Van Breda, Van der Lek, Van Polanen,
Van Drongelen en Van Spout). Dat betekent overigens niet dat uitsluitend dames
van stand in het klooster traden. Meestal vermelden de geschreven bronnen alleen
de priorin of de zusters die betrokken waren bij eigendomstransacties met naam
en toenaam. In beide gevallen ligt een gegoede afkomst voor de hand. De overige,
niet bij naam bekende kloosterzusters kunnen ook uit andere lagen van de
middeleeuwse samenleving afkomstig zijn. Dat de meeste nonnen afkomstig waren
uit de gegoede burgerij of lage adel, lijkt echter wel voor de hand te liggen.
Ook bij andere norbertinessenkloosters was dit namelijk het geval (zie Koch
1994).
Terug
naar Informatie
|
|
 |