Henri Weenink (1892 - 1931)                                                       PZC 2-1-2003

Een van de belangrijkste Nederlandse schakers aan het begin van de twintigste eeuw was Henri Weenink (1892-1931). Hij was eigenlijk de enige speler die in ons land de opkomende Euwe werkelijk partij kon geven. Weenink kwam vier keer voor Nederland uit op de Olympiade. Zijn grootste succes boekte hij in het toernooi in Amsterdam in 1930, waar hij  in een zeskamp met prachtige partijen de eerste plaats veroverde boven Euwe, Landau, Spielmann, Addicks en de Middelburger Van den Bosch.

Indien Weenink zich alleen maar op het partijspel had toegelegd, zou hij waarschijnlijk tot de allergrootsten hebben behoord. Hij was echter ook een autoriteit op het gebied van de problematiek en de eindspelstudie. Vooral als probleemcomponist en theoreticus werd hij wereldberoemd. Zijn boek ‘Het Schaakprobleem’ uit 1921 is een heerlijk schaakboek, dat nog altijd model kan staan voor een schaakboek in het algemeen en een probleemboek in het bijzonder. Geen wonder, dat het in 1926 in het Engels werd vertaald en Weeninks roem over de wereld verspreidde. Helaas overleed Weenink in december 1931 op veel te jonge leeftijd aan tuberculose. In deze rubriek aandacht voor zijn partijspel en zijn eindspelstudies.

De volgende partij is uit het toernooi van 1931.

H. Weenink  - S.Landau

1.d4 Pf6 2.Pc3 g6 3.e4 d6 Zo gaan we over tot een opening, die in 1880 door Louis Paulsen werd geïntroduceerd en omstreeks 1940 door de Joegoslaaf Pirc werd herondekt. Althans zo staat het in de boekjes. Uit deze partij blijkt, dat ook o.a. Landau zich al eerder dan Pirc van deze opening bediende. 4.Pf3 Lg7 5.Lc4 Pxe4 Een schijnoffer, dat zwart al bijna gelijkspel belooft. 6.Lxf7+ Kxf7 7.Pxe4 Tf8 8.h4 e5 Te scherp. Na rustig 8...Kg8 had zwart niet zoveel te vrezen.

9.dxe5 dxe5 10.De2 h6 11.h5 g5 12.Pfxg5+  Een stukoffer, dat Weenink als pur sang aanvalsspeler niet over zijn kant kon laten gaan. Het geeft wit goede  aanvalskansen. Het gaat in dergelijke stellingen om de vraag: Kan de aanvaller beter aanvallen dan de verdediger verdedigen? 12...hxg5 13.Lxg5 De8 14.0-0-0 Lf5 Een betere mogelijkheid was 14...Pa6 om na Dc4+ de zwarte c-pion te dekken. 15.Dc4+ De6 16.Dxc7+  Wit heeft nu al drie pionnen voor zijn geofferde stuk, zodat zijn actie van de 12e zet al geslaagd kan worden genoemd. Maar hoe nu verder? 16...Kg8 17.h6 Tf7 18.Td8+ Lf8

Zwart heeft iets opgebouwd dat op een verdedigingslinie lijkt. Maar die is wel erg krakemikkig. Weenink heeft er dan ook geen moeite mee de bouwval te slopen.

 

19.Txf8+! Kxf8 20.Dd8+ De8 21.h7!! Txh7 Gedwongen, maar veel maakt het niet uit. 22.Le7+ Een mooie zet van een echte problemist, maar 22.Dd6+ Kg8 23.Pf6+ was natuurlijk ook niet gek. 22...Txe7 23.Th8+ Kf7 24.Txe8 Txe8 25.Pd6+ Zwart gaf het op.

In hetzelfde toernooi werd ook de grote Euwe op opzienbare wijze verpletterd. Een bijzondere partij met historische waarde.

H.Weenink  M.Euwe

1.d4 d5 2.Pc3 Pf6 3.Lg5 Lf5 4.e3 Pbd7 5.Ld3 Lxd3 6.Dxd3 c6 7.Pf3 Een saaie opening hoeft niet te leiden tot een saaie partij. 7...e6 8.e4 dxe4 9.Pxe4 Db6 10.Lxf6 gxf6 11.0-0 0-0-0 12.a4! Pe5 13.De2 Pxf3+ 14.Dxf3  Zwart kan nu de pion op d4 slaan, maar hij doet het niet. Bang voor de witte ontwikkelingsvoorsprong? 14...f5  Tot een onduidelijke stelling leidt 14...Dxb2 15.Tab1 Dxd4 16.Tfd1 De5 17.Txd8+ Kxd8 18.Pxf6 met witte aanvalskansen voor de pion. Euwe wil het kalm en positioneel aanpakken. 15.Pg5 Tg8 16.Pxf7 Td7 17.De2!  De zwarte stelling blijkt toch niet helemaal in orde. 17...c5?! 18.Pe5 Txd4 19.Tad1! Txd1 20.Txd1 Le7 21.a5!  Wit is verloren, maar het vereist wel een paar mooie zetten. 21...Dxb2 22.Pc6!!  Prachtig gespeeld. Zwart kan het paard niet slaan wegens 23.Dxe6+.  22...Df6 23.Pxa7+ Kb8 24.Tb1!! De slotaanval wordt ingezet met een subtiele zet. Het paard is immuun wegens 24.Db5  24...e5 25.Db5 b6 26.Dd7 Zwart gaf het op.
 

Hoewel Weenink vooral als problemist en partijspeler naam maakte, heeft hij ook schitterende eindspelstudies gemaakt. Dit is een van zijn meesterstukken:

 

 

De opgave luidt: Wit speelt en wint. 

De eerste zet ligt voor de hand. 1.a7 De promotie is met 1….Tg8 niet te verhinderen wegens 2.Lg3+ Ke6 3.Lb8!!  Er blijft dus niets anders over dan het met schaaks te proberen. 1…. Tg2+ Dit lijkt afdoende, omdat na 2.Kb3 Tg8!! reddend is, want op 3.Lg3+ volgt dan 3…Txg3 met schaak! 2.Kb1  Wat kan de pointe zijn van deze koningszet?

2…Tg1+ 3.Le1!! Dit is de bedoeling. De toren wordt naar een veld gelokt waar hij niet meer naar de achtste rij terug kan omdat de zwarte koning in de weg staat. 3…. Txe1+ 4.Kb2 Te2+ 5.Kb3 Te3+ 6.Kb4 Te4+ 7.Kb5 En wit wint. Een voor Weenink typerende studie. Scheppingskracht in eenvoud!