Aftrekschaak                                                               PZC 3-5-1985
 

D e sterkste zet in het schaakspel is het aftrekschaak, gecombineerd met een dubbele aanval. Een beginnende schaker heeft daar al direct mee te maken, als hij in het volgende valletje trapt: 1. e4 e5 2. Pf3 Pf6 3. Pxe5 Pxe4 4. De2 Pf6 5. Pc6+ met damewinst. Studiecomponisten maken er natuurlijk weer iets moois van. Neem bijvoorbeeld de volgende stelling:

I. Hoch, 1973.

 

 

De opgave luidt: wit speelt en wint. Een direct aftrekschaak door middel van Tb1+ of Th4+ faalt op Dxc6 en zwart wint zelfs. Ook 1. Tc5+ Kb4 of 1.Tb6+ Ka5 is niets. Het ziet er naar uit dat wit met 1.Lxh1 Kxb5 met remise tevreden moet zijn: Maar hij heeft een zeer verborgen winstzet.

1. Ld7!! En waar de zwarte dame zich ook verbergt, hij wordt door middel van een aftrekschaak door de toren veroverd. Er blijft dus niets anders over dan met 1. .. Dh3! de aanval op de witte loper te continueren. Maar er volgt: 2. Tf5+ Kb4 3. Tf4+!! en de dame gaat toch verloren, ditmaal geslagen door de loper. Meteen komen in dit fragment twee soorten van aftrekschaak aan de orde. De ene keer slaag 'de aftrekker' (de toren) in het andere geval slaat het schaakbiedende stuk (de loper).

Zeer fraai gaat het toe in de volgende studie van L. Kubbel uit 1939.

 

 

Het zou zonder meer remise zijn, als zwart niet over drie extra pionnen beschikte. Nu gaat hij aan zijn materiele overvloed ten onder. Het is duidelijk, dat wit of de toren moet veroveren, of mat moet zetten. En wit moet zich haasten. Hij kan op verschillende plaatsen aftrekschaak bieden. De enige zet, die tot winst leidt is: 1. Pf8+! Wit verhindert zo de koningszet naar c7 wegens Pe6+, maar zwart heeft nog twee andere mogelijkheden. Hij kan daar c8 of e8.

a). 1. ... Kc8 2. Tcl+! Kb8. Hij kan niet terug naar d8 wegens de dubbele aanval (vork) op e6. 3. Pd7+ Ka8 4. Tal mat.

b). 1. ... Ke8, 2. Pe6! Valt de toren aan, die niet naar f7 kan (Td8 mat) en ook niet naar h7 wegens 3. Td8+ Kf7 4. Tfl+ Kg7 5. Pe6+ Kh6 6. Thl mat. Een fraaie constructie, met een verrassend symmetrisch matbeeld.

In de beginfase van een partij is het aftrekschaak een zeldzaamheid, maar de dubbele aanval zonder schaak komt ook onder sterke schakers regelmatig voor. Enkele 'stuitende' voorbeelden.

 

Thomas - Shapiro. Antwerpen 1932. 1. e4 c5 2. Pf3 Pf6 3. Pc3 d5 4.exd5 Pxd5 5.Lb5+ Ld7 6. Pe5! Een slimme val, waar zwart met open ogen intuint. 6... Pxc3? 7. Df3!! de beruchte dubbele aanval op het zwakste punt in de zwarte stelling, f7. 7... f6 8. Dh5+ g6 9. Pxg6! Kf7 10.Pe5++ Zwart gaf het op. Het eenvoudigst is 10. ... Ke6 11.Lc4+ Pd5 12. Lxd5+ Kxd5, 13. Pf7+ met damewinst.

 

Aronin - Kantorowitsch. Moskou 1960. 1. e4 c5 2. Pf3 g6 3. c3 b6. Een experiment in de opening, dat heel slecht afloopt. 4. d4 Lb7 5. Lc4 d5? Dit kan de stelling absoluut niet verdragen. 6. exd5 Lxd5 7. Da4+ Lc6

 

 

8. Pe5!!! De fatale verrassing. De matdreiging op f7 kost zwart een stuk, want op 8. ... Dc7 9. Pxc6 Pxc6 volgt 10. d5. Zwart gaf het op.

Lehmann - Teschner. Bad Pyrmont 1950.

1. e4 e6 2. d4 d5 3. Pc3 dxe4 4.Pxe4 Pbd7 5. Pc3 Pgf6 6. Pfg5  Ook een aanval op f7, maar anders dan in het vorige geval wordt hier de bedrieger bedrogen. 6.... Le7! 7. Pxf7? Kxf7 8. Pg5+ Kg8 9. Pxe6 De8, 10. Pxc7 Lb4 mat. Dubbelschaak en mat.

Je zal toch als schaakmeester zo mat gezet worden!!!

Mohrlock - Kramer. Varna 1962.

1. e4 e5 2. Pf3 Pc6 3. Lb5 a6 4. La4 d6 5. d4 b5 6. Lb3 Pxd4 7. Pxd4 exd4 8. c3 d3. Na 8. ... dxc3 kan wit met 9. Dd5 Le6 10. Dc6+ Ld7 11. Dd5 remise maken, maar ook met 9. Pxc3 een pion offeren voor aanvalskansen. De gespeelde zet is zwak en bangelijk. 9. a4 Ld7 10. axb5 axb5?? 11. Dh5!! d2+ 12. Lxd2! Zwart geeft op. De wankele toren op a8 gaat na 12. ... g6 13. Dd5 verloren. Een zeer leerrijke wending!