Terug                                           Eindspeltechniek                                 PZC 1-5-1992

 

Het is voor een schaakspeler niet voldoende, dat hij over een groot combinatietalent en een diep positioneel inzicht beschikt, maar ook dat hij de techniek tot in de perfectie beheerst. Dat houdt bijvoorbeeld in, dat hij een theoretisch gewonnen stelling onberispelijk tot winst weet te voeren. Van spelers van wereldniveau mag men verwachten, dat zij die vaardigheid hebben. Ze danken er een belangrijk deel van hun succes aan.

De grootste verrassing in de tweekampen in Linares zijn daarom misschien niet de geweldige blunders, die geproduceerd werden, maar het feit, dat technisch totaal gewonnen posities een aantal malen op onbegrijpelijke wijze uit handen werden gegeven. Als excuus voor het falen in dit opzicht van Joesoepov werd aangevoerd, dat hij zich de laatste tijd minder in de techniek had geoefend! Het vreemde is, dat in de zeer omvangrijke schaakliteratuur geen systematische methode te vinden is hoe men die oefening moet aanpakken. Het met een trainingspartner spelen van lastige eindspelen is natuurlijk geen volwaardige oefening, omdat de spanning van het toernooi- en matchspel ontbreekt.

In de schaakliteratuur worden theoretische eindspelen waarbij een der spelers een beslissend overwicht heeft, vaak afgedaan met 'en de rest is een kwestie van techniek'.

Het is ongetwijfeld het saaiste gedeelte van een schaakpartij en daarom begrijpelijk, dat men er zich wat stiefmoederlijk van afmaakt.

Natuurlijk is het niet zo, dat vlekkeloze techniek alleen maar saai is. Er gaat een zeer speciale bekoring uit van gelijkstaande of bijna gelijk gelijkstaande eindspelen, die een perfecte techniek vereisen. In deze rubriek een aantal sprekende voorbeelden met het thema goede loper tegen slechte loper.

 

 

Pinter-Alterman, 1991.

De witte loper kan de zwarte pionnen aanvallen, terwijl zijn zwarte opponent slechts tot verdedigen in staat is. Dat is precies het onderscheid tussen een goede en een slechte loper. Door subtiele manoeuvres moet wit trachten een zetdwangpositie tot stand te brengen. Eerst reppen de beide majesteiten zich naar bet centrum. 1.Ld7 Ld3 2.Kf2 Ke7 3.Lc8 Kd6 4.Ke3 Le4 5.Kd4 Kc7 6.Le6 Kd6 7.Lf7 Lc6 De eerste status quo. De winststelling waar wit op moet aansturen is die waarin de witte loper op d3 staat, de zwart op d7, met zwart aan zet. Zwart verliest dan 2en pion, of moet de witte koning doorgang verlenen. Wit hoeft zich niet te haasten, hij kan steeds blijven proberen. Zwarts taak is daarom technisch zeer lastig. 8.Lh5 Ld5 9.Ld1 Lb7 10.Le2 Lc6 11.Lf1 Le8 12.Lg2 Lf7 13.Lf3 Le8? Volgens Pinter de beslissende fout. Hij geeft de volgende variant: 13...Lc4 14.Lh1 La2 15.Lg2 Lf7 16.Lb7 Le6 remise. Verrassenderwijs blijkt, dat een symmetrische stelling met de lopers op de d-lijn en zwart aan zet, altijd verloren is. 14.Lb7 Ld7 15.Ld3 Le8 16.Lb3 Ld7 17.Ld1 Le6 18.Le2 Ld7 19.Ld3!!

Zwart gaf het op.
Na pionverlies is de winst 'een kwestie van techniek'. Een eindspel, dat zonder enige twijfel een ereplaats zal innemen in toekomstige boeken over het eindspel. Naarmate er minder stukken op het bord staan, wordt met alleen het onderscheid tussen de goede en slechte loper belangrijker, maar ook de rol van de koning. In opening en middenspel is de koning gedoemd tot een passieve rol; in het eindspel ontplooit hij zijn grote offensieve kracht. Men heeft wel eens getracht de waarde van de koning uit te drukken. Euwe was van mening, dat hij ongeveer een toren waard was. Natuurlijk zijn er ook goede en slechte koningen. Dat komt in het volgende boeiende en leerzame eindspel, waarin onze jonge talentvolle landgenoot Loek van Wely de weinig benijdenswaardige rol van onderliggende partij vervult, op treffende wijze tot uitdrukking.

 

 

Van Wely-Kramnik, Arnhem 1990.

Hier zijn de pionnenformaties, behalve d4-d5, nog beweeglijk; maar zwart is aan zet en brengt zijn g-pion naar g4, waarmee pion g3 op een zwart veld wordt vastgelegd. l...g5 2.Kf3 g4+ 3. hxg4+ hxg4+ 4.Ke3 Le7 5.Le3 Ld6 6.Le1 Ke6 Nu volgt de tweede fase, waarbij de zwarte koning langs de andere kant poogt de witte stelling binnen te dringen. 7.Kd3 Kd7 8.Ke2 Kc6 9.Kd3 Kb5 l0.Kc2 a5! Deze pion wordt als breekijzer gebruikt om de weg voor de koning vrij te maken. 11.Kd3 a4 12.bxa4+ Kxa4 Wit zit nu opgesloten, maar is het werkelijk verloren? 3.Lf3 Kb3 14.Le1 Kb2 15.Lf2 Ja! Het is verloren. Ook het pionneneindspel dat na 15.Kd2 Lb4+ ontstaat is ook hopeloos. 15.Kcl 16.Le3+ Kdl 17.Lf2 La3!! 18.Ke3 Lc1+ 19.Kd3 Ld2 20.Le3 Lel 21.Lf4 Lf2 22.Le5 Ke1 Nu dreigt de formidabele zwarte koning eenvoudig naar g2 te lopen. De witte koning moet zijn benauwde veste in de steek laten. 23.Kc3 Ke2 24.Kb4 Kf3 25.Kc5 Ke4 De witte koning is weliswaar uit zijn kerker ontsnapt, maar moet nu wel have en goed afstaan. Wit gaf het op. Eveneens een leerzaam en fascinerend spelletje!
Ook het volgende eindspel mag er zijn.

 

 

Pritchett-Beljavski, Novi Sad 1990.

Net als in het vorige geval zijn de pionnen nog tamelijk beweeglijk, behalve de pionnen op de koningsvleugel. 1ÖLc7 2.Ld2 Ld8 3.Lb4 f5 4.Ld2 h4 5.Lf4 h3! Deze pion is nu een potentiŽle vrijpion. Wit moet steeds met een offer op g3 rekenen. Om daar munt uit te kunnen slaan, moet nog wel enig werk worden verricht. 6.Ld2 Lc7 De eerste dwangstelling. Wit moet La5 toelaten, omdat 7.Lc3 met 7...f4 wordt beantwoord. 7.Le3 La5 8.Lf4 Lel 9.Le3 Kd6 10.Lf4+ Kd7 11.Le3 Kc6 De tweede dwangstelling. Geen soelaas biedt nu 12.d6+ exd5+ 13.Kd4 a5 14.Ke5 Lc3+ 15.Kxf5 d4 16.Lf4 Kc5 17.Kxg4 Kb4 18.Kxh3 Kxa4 en Kb3 met winst voor zwart wiens vrijpionnen veel en veel sneller zijn! 12.Kd3 Kd5 13.Ke2 Le2 14.Kd3 Lb2 De derde dwangstelling. Wit moet nu een pion geven, omdat 15.a5 Lal! de zaak nog erger maakt. 15.f4 gxf3ep 16.Lf2 Lc1 17.Kc2 Lg5 18.Kd3 Lf6 19.Le3 Ld8 20.Ld2 f2 21.Ke2 Kxd4 22.Le3+  Ke4 23.Lxf2 Lc7

Wit gaf het op. De zwarte loper gaat naar d4 met gemakkelijke winst.