Back                                        Wat is schoonheid?                                   PZC 2-11-2001
 

Moet men dikke boeken of ingewikkelde beschouwingen lezen om een vrouw, een beeldhouwwerk of een muziekstuk mooi te kunnen vinden? Natuurlijk niet. Schoonheid is immers altijd een beetje oppervlakkig. Dat geldt ook voor schaakpartijen. Of een partij het oog streelt en het hart verrukt, zit niet diep verborgen in een subvariant. Natuurlijk kan kennis geen kwaad. Het helpt soms om een oordeel te kunnen geven. Kennis kan echter ook afbreuk doen aan het schoonheidsgevoel. Dat is bij het schaken heel vaak het geval. Een ogenschijnlijk fraaie combinatie, waar het publiek voor op de stoelen gaat staan, kan bij nader inzien een reeks van blunders zijn. Schoonheidsprijzen in schaaktoernooien worden daarom doorgaans door een deskundige jury na ampele onderzoekingen aangeduid.  Maar ook dan kan het verkeerd gaan. Berucht is het geval van de partij Aljechin – Azstalos uit 1927. Aljechin leverde zijn partij in bij de jury voor de schoonheidsprijs, voorzien van analyses. De jury liet zich door de autoriteit Aljechin beetnemen en kende de prijs aan hem toe. Later bleek Aljechins bekroonde combinatie de winst zelfs vergooid te hebben. In Amsterdam 1950 ging het op een andere manier fout. Najdorf won het toernooi ( 20 deelnemers!) met schitterende partijen, maar de schoonheidsprijs ging aan hem voorbij. Die ging naar het ondoorgrondelijke spektakelstuk Rossolimo – Van Scheltinga. Boze tongen beweerden, dat er sprake was van vriendjespolitiek. Lodewijk Prins probeerde in het toernooiboek met diepzinnige en ingewikkelde analyses het gemor te temperen en het gelijk van de jury aan te tonen, maar bereikte eerder het tegendeel. Zou u de partij een schoonheidsprijs hebben gegeven?

N. Rossolimo – T. D. van Scheltinga

1.e4 c6 2.Pc3 d5 3.d4 dxe4 4.Pxe4 Pd7 5.Pf3 Pgf6 6.Pxf6+ Pxf6 7.Pe5 g6 8.Lc4 Pd5 9.Df3 Le6 10.0–0 Lg7 11.Td1 0–0 12.Lb3 a5 13.c4 Pb6 14.a4 Dc8 15.De2 f6 16.Pf3 Lf7 17.Le3 c5 18.d5 Te8 19.Td2 e5 20.dxe6 Lxe6 21.Tad1 Ld7 22.Td6 Lc6 23.Dd2 Df5 24.Lc2 Dh5 25.Pe1 Lf8 26.Txf6 Lg7 27.Tf4 Le5 28.Pd3 Lxf4 29.Pxf4 De5 30.b3 Pd7 31.Pd5 Lxd5 32.cxd5 b6 33.Ld3 Pf6 34.Lc4 Pe4 35.d6+ Kh8 36.Dc1 Tad8 37.Lf4 Df6 38.d7 Te7 39.f3 g5 40.Lb8 Pc3 41.Td6 Dg7 42.Dd2 g4 43.Kf1 gxf3 44.gxf3 Tdxd7 45.Txd7 Txd7 46.Dxd7 Dxd7 47.Le5+ Dg7 48.Lxg7+ Kxg7 49.Ke1 Kf6 50.Kd2 Pa2 51.Ke3 h6 52.Ke4 Pc3+ 53.Kd3 Pd1 54.Kd2 Pb2 55.Lb5 1–0

Om het gekrakeel na dubieuze jurybeslissingen te ondervangen, verving men af en toe de schoonheidsprijzen door  prijzen voor de beste partij. Daar schoot men echter niet echt veel mee op. De beste partij kan immers, schaakwetenschappelijk gezien,  niet anders zijn dan een remisepartij.  Tegenwoordig kan men een computer gebruiken om al te domme analyses bloot te leggen, maar de meningsverschillen over wat de mooiste partijen zijn, blijven bestaan. De Engelse grootmeester Anthony Miles gaf op internet daar kortgeleden een aardig voorbeeld van. Hij haalde de volgende partij uit de mottenballen.

A.Wohl  - A.Gipslis. Biel,1996.

1.Pf3 Pf6 2.c4 c5 3.Pc3 e6 4.g3 b6 5.Lg2 Lb7 6.0–0 Le7 7.d4 cxd4 8.Dxd4 Pc6 9.Df4 0–0 10.Td1 Db8 11.b3 Td8 12.Lb2 d6  Nog niet zo lang geleden werd zwarts egelstelling als te passief beschouwd. Daar is men een helemaal van teruggekomen. Zwart heeft tegenkansen met d6-d5 of a6 en b5. Te roekeloos aanvallen heeft al veel witspelers de kop gekost. Hetgeen niet wil zeggen, dat men daar geen succes meer mee kan hebben. Deze partij is daar een schitterend voorbeeld van. Na 12...Dxf4 13.gxf4 ontstaat een stelling, waarin wit iets beter staat. Zwart wil meer. 13.Td2 a6 14.Tad1 b5 15.Pg5  Na 15.cxb5 axb5 16.Pxb5 Txa2 staat zwart al beter. Wit verbrandt daarom alle schepen achter zich en zet alles op de aanval op de vijandelijke koning.  15...bxc4  Zwart steekt zijn hand in het vuur. Wie zou dat trouwens niet gedaan hebben? Volgens Miles had zwart na 15...h6! een comfortabele stelling gekregen.  16.Pce4 d5 17.Dh4! dxe4 18.Lxf6 Lxf6 19.Dxh7+ Kf8

 


Na enkele geforceerde zetten staat zwart een stuk voor en zijn koning lijkt te kunnen ontsnappen. Wit heeft echter nog meer pijlen op zijn boog.  20.Td7!  Dreigt mat in één zet.  20...Txd7 21.Txd7 Ke8 Of 21...Pe7 22.Dh8+ Pg8 23.Txf7+ Ke8 24.Dxg8 mat.  22.Txf7 Pe7  De enige zet.  23.Txf6!!  In grootse aanvalspartijen loopt het ogenschijnlijk allemaal zo gemakkelijk. Alle stukken staan toevallig net op de goede plaats. Het kwaliteitsoffer ruimt het laatste bastion rond de zwarte koning op.  23...gxf6 24.Df7+ Kd8  Ook 24...Kd7 25.Dxe6+ Kd8 26.Pf7+ Ke8 27.Pd6+ Kd8 28.Pxb7+ Dxb7 29.Lxe4 Da7 30.Lxa8 Dxa8 31.Dxc4 sluit als een bus.  25.Pxe6+ Kd7 26.Pc5+ Kd6 27.b4!!  De partij bereikt een hoogtepunt met deze fantastische, stille zet. Zwart is machteloos.  27...De8 28.Dxf6+ Kc7 29.De5+ Kb6  

 

 

30.Pd7+!!  Het houdt niet op. Het paard is onkwetsbaar wegens het epaulettenmat 31.Dc5.  30...Kc6 31.Dc5+ Kxd7 32.Lh3+  Zwart gaf het op.

Anthony Miles over deze partij: "Een toegewijde onderzoeker zou dit kunstwerk al hebben kunnen vinden, ergens verstopt in Schachinformator 67. Als het door Kasparov zou zijn gespeeld ben ik er zeker van, dat het de prijs voor de beste partij zou hebben gewonnen."

Nu kwam de partij zelfs niet eens voor op de voorlopige lijst van dertig partijen, die door de redactie aan de jury, een panel van tien grootmeesters, was voorgelegd. Inderdaad Anthony, het is niet eerlijk. Wie is immers A.Wohl? Het Aljechin- Azstalos effect is nog steeds virulent. Het is niet eerlijk, maar wat doe je eraan? In het Hoogovenstoernooi heeft men er wat op gevonden. Men laat het publiek de ‘partij van de dag’ kiezen. Daar kan immers niemand op aangesproken worden. Hetgeen niet wegneemt, dat sommige spelers (Kasparov) moeite hebben met deze democratische gang van zaken.