Retour                                    Simon Sanders en de proftrucjes                             PZC 29-6-1975
 

Eindspelen met dames zijn zeer lastig en vaak ook erg langdradig. Daarom worden ze in de eindspelboeken niet uitputtend behandeld. Het voor de praktijk belangrijke eindspel van dame en pion tegen dame bijvoorbeeld laat nog vele vragen open. Heeft men een afgebroken partij met dit materiaal nog op het bord, dan kan men zelfs aan de hand van het beroemde eindspelboek van de Fransman André Cheron geen zekerheid verkrijgen omtrent het te verwachten resultaat. En dat wil wat zeggen, want alles wat aan theoretische kennis betreffende het eindspel bekend is, staat in dit boek. Waarom de theorie hier nog leemten vertoont, is begrijpelijk. Het enorme aantal zeer ingewik­kelde varianten schrikt de theoretici af. Voorlopig zal dat nog wel zo blijven, tenzij men een computer inschakelt !

 

Natuurlijk bestaan er wel bepaalde richtlijnen om een dergelijk eindspel te voeren. Alvorens daar iets van te zeggen eerst een voorbeeld uit de praktijk. In een partij Smeykal-Browne uit het Hoogoventoernooi 1975 ontstond na de 55e zet de volgende stelling:

 

 

Wit won de partij op de 94e zet. Wat zegt Cheron van een dergelijk eindspel met een randpion? Een vraag die  Browne zich ongetwijfeld ook heeft gesteld. Cheron zegt er ongeveer het volgende van:

De witte randpion wint regelmatig als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, waarvan de belangrijkste zijn:

1e De zwarte koning staat slecht. Om remisekansen te hebben, moet de zwarte koning de tegenovergestelde hoek ten opzichte van de pion opzoeken.

2e De witte pion moet ver genoeg opgerukt zijn, minstens tot de vijfde rij. Browne had Cheron goed bestudeerd en waar­schijnlijk verwacht remise te kunnen maken. Hij vluchtte naar.de goede hoek met zijn koning. Het baatte hem echter niet. Was de beginstelling verloren?

Het grappige was, dat kort daarna in Zeeland hetzelfde eindspel nog een keer voorkwam en wel in de klokséancepartij Ljubojevic - Sanders te Vlissingen. In het uitstekende clubblad van Middelburg bespreekt Sanders deze partij. In zijn inleiding tot de analyse zegt Sanders:

„Het spelen tegen een grootmeester ervaar ik min of meer als een paradox. Het is natuurlijk verschrikkelijk moeilijk omdat een grootmeester zo sterk speelt, maar toch lijkt het ergens ook weer gemakkelijker dan tegen een minder begaafde speler, omdat de grootmeester logisch speelt. De partij waar het deze keer om gaat is de partij die ikzelf gespeeld heb tegen de. Joegoslavische grootmeester Ljubojevic. Het is tevens mijn bedoeling te onthullen dat de heer Ljubojevic als hij dat nodig oordeelde, niet vies was om gebruik te maken van proftrucjes."

Na de 51e zet van wit was de volgende stelling ontstaan:

 

 

Sanders: "Hier had Ljubojevic waarschijnlijk in de gaten, dat ik remise kon forceren en hij paste de in de inleiding genoemde proftrucjes toe. Hij pakte twee dames en deed op het bord snel achter elkaar de volgende zetten: 51... f2 52. c8D f1D 53. Dc4+ Ke1 54. Dd4: alsof hij zeggen wilde: "Doe dít nu maar, dit is toch gedwongen.” Maar dat is niet waar, met 51... f2. 52. c8D Le3!? had ik remise kunnen  forceren. Door de dreiging 53... f1D moet wit schaak blijven geven. Ik heb me laten overbluffen en speelde toch de door Ljubojevic gedane  zetten, waarna de partij na arbitrage toch, maar minder overtuigend, remise werd."

 

Nu vatten we de draad van het verhaal over de dame-eindspelen weer op. Was de slotstelling inderdaad remise? De meesters schijnen na de seance in de trein nog zeer lang met deze vraag geworsteld te hebben. Het is duidelijk, dat zwart de pion op a5 op de duur moet verliezen, zodat het bewuste eindspel met de randpion overblijft. De zwarte koning bevindt zich reeds  'in de goede hoek’, terwijl de, randpion nog maar tot de vierde rij gevorderd is. Men zou dus grote remisekansen mogen verwachten, gezien de opmerkingen die Cheron erover maakte.

Maar als de uitslag van de partij Smeykal - Browne maatgevend is, dan is er geen  zinnig woord over te zeggen. Het was daarom een beetje onbegrijpelijk dat  Ljubojevic bij de arbitrage van Sanders' partij zo moeilijk deed. Hij zal toch niet verwacht hebben,dat dit lastigste aller eindspelen in een handomdraai ter plekke opgelost  zou kunnen worden? Nog afgezien van de voorgeschiedenis van de slotstelling, waar Sanders ons over heeft ingelicht, blijkt hier wel uit  hoe verschrikkelijk Ljubojevic er op gebrand was ook nog deze partij te winnen. Hij had dan een sen­sationele 100 pct. score bereikt. Misschien toch wel aanleiding genoeg om enkele proftrucjes in de strijd te werpen.

****