Lieve pion op a5

 

Mooi klein ding, randpion ben je, niet meer dan één veldje mag je bestrijken. Je bent zo klein, bijna niets en je hebt de hele partij daar op je plaatsje gestaan, maar al die tijd was mijn hoop op jou gebouwd en al mijn angstig hunkeren was voor jou.  Ik zag je wel, zoals je daar stond, kleine bengel.  De mensen dachten natuur­lijk dat het om de pion op d5 ging, hij trok hun aandacht, ja ze keken allemaal naar hem, maar jij en ik wisten het wel, het ging om jou, om jou en jou alleen.

Je hebt gewacht, stouterd, je hebt je niet opgedrongen, want je wist dat ik al die tijd alleen maar aan jou dacht en dat je niets hoefde te doen, want dat ik vanzelf wel bij je zou komen.  Kleine randpion, je bent nu vrij.  Ga je gang, op a8 wacht jou en mij de onuitsprekelijke heerlijkheid.  Heb mijn dank, lief klein ding.  Ik heb je lief,

je Koning

Zwart geeft het op.

(J.H. Donner. Schaakbulletin 40, februari 1971. Opgenomen in ‘De Koning’, blz. 121.)

 

Een mooi en beroemd stukje, een gedicht bijna. Te mooi voor een kritische noot? Donner zegt tegen de pion: 'op a8 wacht jou en mij de onuitsprekelijke heerlijkheid'. Dat betekent toch, dat hij verwacht, dat de pion naar a8 kan doorlopen en tot dame promoveren? Maar dat kan hij niet! Hij komt niet verder dan a6, waar hij door de zwarte loper wordt geslagen. Is het sneuvelen op het veld van eer dan die onuit-sprekelijke heerlijkheid?  Zie:

43...Lc8+ 44.Kb6 Kd7 Nu dreigt 45...Kd6, waarna de witte d-pion valt en wit zelfs helemaal niet meer kan winnen. Wit moet nu 45.Le5 spelen, want 45.Le7?! ziet er wel fraai uit, maar is het niet, want na 45...f5! (Na 45...Kxe7? 46.Kc7 loopt de d-pion en later de a-pion of meteen de a-pion door. Zo volkomen nietig is die d-pion dus ook weer niet.) 46.Lc5 f4 komen de zwarte pionnen dreigend opzetten en is het zeer twijfelachtig of wit nog wel wint. 45...f5 en de enige manier voor wit om de partij in zijn voordeel te beslissen is de doorstoot van de a-pion, waarna er geen sprake meer is van enige heerlijkheid voor Donners lieveling. 46.a6 Lxa6 47.Kxa6 f4 48.Kb5 f3 49.Ld4 Kd6 50.Kc4 en wit wint. Maar dat was de bedoeling toch niet?

Ieze Grim.

 

Middelburgs Schaaknieuws, nr.48, 2001.