Back                               Pionneneindspel in Corus                                  PZC 23 02 2008

Het schaakspel is zo veelzijdig en ingewikkeld, dat een mens het nooit helemaal zal begrijpen.
Dat lijkt een voor de hand liggende constatering, maar meer dan tachtig jaar geleden dacht men daar anders over. Wereldkampioen Capablanca was op een gegeven moment zelfs van oordeel, dat hij alles wist wat er te weten was over het spel. Pas toen hij in 1927 zijn wereldtitel aan Aljechin verloor had, is hij gaan twijfelen.
Wat zou hij opgekeken hebben als hij de huidige grootmeesterpartijen had kunnen zien. De onmetelijke ingewikkeldheid van sommige openingssystemen, zouden hem met stomheid hebben geslagen.
De klassieke schakers als Lasker, Capablanca en zelfs Aljechin hadden eigenlijk een zeer beperkt openingsrepertoire. Nog in 1938 in het AVRO-toernooi, een van de sterkste toernooien ooit gespeeld, kwam geen enkele Siciliaanse partij op het bord. Capablanca c.s. waren er diep in hun hart van overtuigd, dat ook de Indische openingen in wezen incorrect waren en dat je symmetrische openingen als Spaans en Damegambiet moest spelen.
Ook op sommige gebieden van het eindspel en middenspel wisten de grote schaakhelden van weleer veel minder dan een huidige middelmatige internationale meester. Maar er gaapt natuurlijk een grote kloof tussen weten en kunnen. Het is onwaarschijnlijk, dat Capablanca het veel slechter zou doen in een toreneindspel dan bijvoorbeeld Kramnik, hoewel de laatste veel meer weet.
In het Corustoernooi ontstond in de partij Adams - Polgar een pionneneindspel, dat de harten van de ware schaakliefhebbers sneller deed slaan.
Zouden Capablanca of Rubinstein ook zo gespeeld hebben als Adams? De partij laat in zijn bedrieglijke eenvoud de ongelofelijke diepte en ingewikkeldheid van het schaakspel zien. Op het internet is er al een discussie over bezig. Dat zal nog wel even voortgaan, want een sluitende conclusie is zeer lastig te trekken.

Michael Adams - Judith Polgar.Corus 2008

1.e4 e5 2.Pf3 Pf6 3.Pxe5 d6 4.Pf3 Pxe4 5.d4 d5 6.Ld3 Pc6 7.00 Le7 8.Pc3 Lf5 9.Te1 Pxc3 10.bxc3 Lxd3 11.Dxd3 00 12.Tb1 Pa5 13.Df5 Te8 14.Lf4 g6 15.Dh3 Pc4 16.Pe5 Ld6 17.Pxc4 Lxf4 18.Txe8+ Dxe8 19.Df3 dxc4 20.Dxf4 De2 21.h3 b6 22.Df3 Als het pionneneindspel, dat over een paar zetten op het bord komt, verloren is voor wit, en daar ziet het wel naar uit, dan is dit al de beslissende fout. Wit stond wel al iets minder. 22 Dxf3 23.gxf3 a5 24.Te1 Kf8 25.Te4 Te8 26.Kf1 f5 27.Txe8+ Kxe8.

28.f4 Een pionzet is definitief en Steinitz zei al meer dan 100 jaar geleden, dat elke pionzet een verzwakking is. Hier was 28.Ke2 zeker beter. Als zwart dan 28f4? speelt, kan het als volgt verdergaan: 29.Kd2 Ke7 30.Ke2 Ke6 31.Kd2 Kf5 32.Ke2 b5 33.a3 Ke6 34.Kd1 Kd5 35.Kd2 c6 36.Ke2 c5 37.dxc5 Kxc5 38.Kd1 b4 39.axb4+ axb4 40.Kd2 en het lijkt remise. Maar zwart moet natuurlijk niet direct f4 spelen, maar kan dat nog uitstellen tot later. Er is nog werk aan de winkel voor de pionnenkunstenaars! 28.Kd7 29.Ke2 Kd6 30.Kd2 Kc6 31.f3 Kd6 32.Ke3 Kd5 33.Ke2 Kd6 34.Kd2 Ke7 35.Ke3 Ke6 36.Ke2 g5 37.Ke3 Kf6 38.d5 h5 39.a3 g4 40.fxg4 fxg4 41.hxg4 hxg4 42.Ke4 b5 43.Kd4 Kf5 44.Ke3 a4 0-1

Dit fascinerende en leerzame eindspel is o.a. uitvoerig geanalyseerd op Chessbase.com. Voor de liefhebbers!