Terug                             John Nunn en het volmaakte schaak                                     PZC 15-1-1993
 

De voornaamste stimulans om dingen te verbeteren is de zekerheid, dat het beter kan. Dat is zo bij alle zaken waar een beroep wordt gedaan op de menselijke geest. Volmaaktheid is het eindpunt van de menselijke creativiteit. Het begint er op te lijken, dat bij het schaakspel dat moment in zicht komt. Niet bij het spel als spel, want de menselijke geest is en blijft gebrekkig (gelukkig!), maar bij het op wetenschappelijke grondslag gepleegde onderzoek naar specifieke schaakstellingen en eindspelen. De volmaaktheid wordt hier bereikt door middel van de computer!

De Engelse grootmeester en wiskundige John Nunn is de eerste, die een schaakboek heeft geconstrueerd, waarin geen fouten voorkomen! De volmaakte analyse en tevens het eind van alle onderzoek. Waar gaat het om? Een zeer belangrijk eindspel, belangrijk, omdat het in de praktijk vaak voorkomt, is het eindspel van toren en pion tegen toren. Boeken vol zijn daarover geschreven. Cheron, Averbach, Smyslov en Löwenfisch zijn de beroemdste onderzoekers. Ook onze landgenoot Cor van Wijgerden heeft zijn steentje bijgedragen. Die vaak zeer ingewikkelde en pretentieuze boekwerken kunnen nu allemaal in de prullenbak!

Hoe heeft Nunn het voor elkaar gekregen? Hij heeft gebruik gemaakt van een door de Amerikaan Ken Thompson speciaal voor dit eindspel ontwikkelde database. Daarin zijn alle stellingen met dit eindspel opgenomen. De computer meldt of een bepaalde stelling gewonnen is en geeft tevens de absoluut kortste zettenreeks naar winst tegen de beste verdediging. Ongelovigen twijfelden eerst aan de perfectheid van de machine, maar moesten al spoedig concluderen, dat hun scepsis ongegrond was. In dit werk van Thompson aanschouwt de mens het volmaakte!

Een van de eerste dingen die Nunn deed, was het toetsen van de analyses van bovengenoemde grootheden aan ‘de waarheid’! Absoluut door de mand viel de Joegoslavische Encyclopedie van de Eindspelen. Wijlen Rinus Verburg  had op eigen kracht al aangetoond, dat ook op het gebied van de pionneneindspelen deze verre van foutloos is, maar nu is het dus ook zover wat betreft de toreneindspelen. Zeer goed kwam de Zwitserse analyticus André Cheron er van af.

De grote bewondering van Timman voor de Zwitser is nu ook wetenschappelijk onderbouwd!

Voor de gemiddelde schaker zijn deze toreneindspelen saai. Dat is begrijpelijk, want het vereist nogal wat kennis en uithoudingsvermogen om de finesses onder de knie te krijgen. Maar als men de moeite wil doen, gaat een wereld open!

 

 

De stelling is een geval van wederzijdse zetdwang. Dat wil zeggen, dat het een nadeel is de eerste zet te moeten doen. Als zwart aan zet is, verliest hij; als wit aan zet is, wordt het remise. Met behulp van de database ontdekte Nunn dat er 209 van dit soort stellingen in dit eindspel bestaan. Men mag zonder enige schroom vaststellen, dat men er zonder computer nooit en te nimmer in geslaagd zou zijn om die stellingen allemaal op het spoor te komen!

Het is ongelofelijk, dat in de gegeven stelling ook zetdwang in het spel is. Toch wijst de computer onomstotelijk die weg:

Wit aan zet moet in remise berusten:

1. Kb2 Tb8+ 2. Kc3 Tc8+ Zwart moet natuurlijk wel de beste zetten doen. De geringste afwijken van het rechte pad leidt tot de ondergang. 3. Kb4 Tb8+ 4. Kc5 Tc8+ 5. Kb6 Ta8 6. Tc2 Ke1. Als de koning naar g1 gaat, komt hij te ver weg te staan.

7. Kb5 Kd1 8. Th2 Tb8+. En de witte koning wordt naar al teruggedreven. Remise. Doet wit iets anders dan 1. Kb2, bijvoorbeeld 1. Th4. dan maakt l.... Ke2 nog juist remise. Voor een eerzuchtige schaakstudent een mooie test om te zien of hij de machine kan bijbenen!
 

En nu dezelfde stelling met zwart aan zet. Het is niet zo moeilijk te zien, dat een zet met de toren op de a-lijn slechts tot tempoverlies leidt en na 1.... Kg1 staat de koning weer te ver weg. Maar wat kan er fout zijn aan 1. Kel? Waarom staat de koning op el slechter dan op f1? Laten we de computer het antwoord geven: 1.... Ke1 2. Kb2 Tb8+ Een belangrijke nevenvariant is 2. ... Kd1. Dan gaat het zo: 3. Th4 Kd2 4. Kb3 Tb8 5. Tb4 Tc8 6. Td4 Ke3 7. Tc4 Ta8 8. a4 Kd3 9. Tb4 Ta7 10. Tb5 Tc7 11. a5 Tc1 12. Td5+ Ke4 13. Td8 en het wordt duidelijk, dat dit eindspel gemakkelijk voor wit gewonnen is. De zwarte koning kan niet dicht genoeg bij de pion komen. 3. Kc3 Tc8+ 4. Kb4 Tb8+ 5. Kc5 Ta8 6. Kb5 Tb8+ 7. Kc6 Ta8 8. Kb7 Ta3 9. Kb6 Ta8 10. Th4!!. Dit is de prachtige pointe van de witte winstvoering. De a-pion is even onkwetsbaar wegens Thl+ en Th2+ met torenwinst. Zodoende kan wit de a-pion naar a4 opspelen, met alle gevolgen van dien. 10. ... Ta3 11. Kb5 Kd1 12. Th2! Tg3 13. a4 Tg5+ 14. Kb4 Tg4+ 15. Kb3 Tg3+ 16. Kb2 Tg5 17. Th4 Kd2 18. Kb3 Kd3 19. Kb4. En de a-pion is onstuitbaar.

 

In het laatste nummer van New in Chess Magazine gaat de Deense grootmeester Curt Hansen in op de gevaren van de computer voor het professionele schaak. Hij stelt vast, dat correspondentieschaak in competitieverband al met meer mogelijk is. Diegene die het meeste geld heeft en dus de beste computer, wint. Afgebroken partijen zijn in het toernooischaak nu al bijna een onmogelijkheid. De computer doet het analysewerk. Wellicht nog niet op wereldkampioensniveau, maar dat zal niet lang meer duren.

De komst van databases als die van Thompsom is helemaal een dodelijk gevaar voor het toernooischaak. Hansen pleit er voor, dat schaakorganisaties gaan ijveren tegen het verder ontwikkelen van schaakcomputers. Onzin natuurlijk. Hansen vecht als Don Quichote tegen windmolens. Sympathiek, maar tot falen gedoemd.

Ook Nunn is zich bewust van de gevaren. Hij geeft toe, dat de onfeilbare machine de ziel uit het schaakspel kan halen. De theorie van basiseindspelen zal in elk geval binnen afzienbare tijd definitief zijn uitgekristalliseerd, ‘bevroren’, aldus Nunn.

Naar onze smaak is de vrees voor de computer lichtelijk overdreven. Na het uitvinden van de automobiel is men ook met gestopt met hardloopwedstrijden. Het schaakspel is zo veelzijdig, dat er altijd plaats zal blijven voor composities als de volgende.

 

 

Herbstmann, 1954.

Wit speelt en wint. Het lijkt een fluitje van een cent met 1. Kxa2. Maar daarmee trapt wit in een fabuleuze valstrik, want er volgt 1. ... f5!! met een dreiging van eeuwig schaak langs de vijfde rij. Wit lijkt daarop 2. Ta7 te kunnen spelen. Maar dan stelt 2. ... Te5!! de remise veilig. Tegen eeuwig schaak langs de e-lijn is geen verweer. Het moet dus anders.

1. Kb2!! a1D+ 2. Kxa1 Ta5+ 3. Kb2 Tb5+ 4. Kc3 Tc5+ 5. Kd4 f5. De laatste kans.

6. Ta7! Td5+ 7. Kc3 Tc5+ 8. Kb2 Tb5+ 9. Kal Te5 10. Ta2+!! De clou van 1. Kb2 is dat veld a2 beschikbaar komt voor de toren. Wit wint met f8D omdat de witte koning aan eeuwig schaak kan ontsnappen. Na schaak langs de e-lijn loopt de witte koning naar e1 (met de zwarte koning op f3) of e3 (met de zwarte koning op e1)