Martin Martens timmert aan de weg.                                        PZC 1-2-1991


De Nederlandse jeugdkampioen Martin Martens uit Clinge heeft de laatste tijd flink aan de weg getimmerd. In het Europese kampioenschap voor de jeugd in Arnhem eindigde hij op een gedeelde 8e plaats met 6,5 punten uit 11 partijen. De volgende sterk gespeelde partij tegen de Franse kampioen maakte veel indruk.   

Degraeve-Martens, Arnhem 1991.

1.e4 c5 2.Pf3 e6 3.d4 cxd4 4.Pxd4 Pf6 De Siciliaanse verdediging past uitstekend bij Martens' schaakstijl: Een terughoudende opstelling met kansen op agressief tegenspel als de tegenstander te ver gaat. 5.Pc3 d6 6.Le3 Le7 In de partij Degraeve-Van Wely uit hetzelfde toernooi ontwikkelde zwart met 6 ..... a6 en 7 ..... b5 direct zijn damevleugel, maar dat liep niet goed af. Martens gaat voorzichtiger te werk. 7.f3 a6 8.Dd2 Pc6 9.g4 Pd7 10.0𢠢 00 De tegengestelde rokades zijn meestal de garantie voor een flitsend gevecht met offers en tegenoffers. Deze partij verloopt daarentegen meer langs positionele lijnen. 11. h4 Pxd4 Een zet van een kruk is natuurlijk 11 ..... Lxh4. Wit krijgt zowel met 12 Dh2 als 12 g5 beslissend overwicht. 12.Lxd4 b5 13.g5 Tb8 14.Df2 Met 14 Kbl had men met zetverwisseling in de partij Degraeve - Hracek uit de vierde ronde terecht kunnen komen. 14 ..... b4 15. Pa4 Lb7 16. b3 Lc6 17. Pb2 a5 18. Pd3 d5 19. e5 Pb6 20 Th2. Zwart speelde toen 20 ..... Lb5 en werd onder de voet gelopen. In Schaaknieuws vertelt Martens, dat hij van plan was 20 ..... Pc4! te spelen. Hieruit mag blijken, dat zorgvuldige theoriestudie ook tijdens een toernooi een absolute noodzaak is. 24 Dc7 15.Kb1 b4 16.Pe2 Pc5 17.Pc1 a5 Zoals Martens zelf aangeeft, had hij hier beter 17 ..... Pa4 kunnen doen. Nu krijgt wit de gelegenheid het paard af te ruilen en veld c4 te bezetten. 18.Lxc5 dxc5 19.Lc4 a4 20.Dh2 Db6 Zwart vermijdt dameruil. Na 20 ..... Dxh2; 21 Txh2 f6; 22 f4 Kh8 zou een onduidelijke stelling ontstaan zijn. 21.De2 Dc7 22.Pd3?

 

 

Wit speelt op winst. Met 22 Dh2 had hij op zetherhaling kunnen spelen. Een zichzelf respecterende jonge schaker doet dat natuurlijk met. 22 ..... Td8 23.Tdg1 Td4 Dwingt wit tot 24 b3, waarna hij voortdurend rekening moet houden met het openen van de a-lijn. 24. b3 Lf8 De zwarte koningsstelling is zeer solide. Wit heeft geen mogelijkheid om een lijn te openen op de koningsvleugel, tenzij met het twijfelachtige pionoffer 25 g6. 25. h5 Ta8 26. e5 Martens is van mening, dat na 26 g6 fxg6 27 hxg6 h6! de witte aanval niet verder komt. Toch had wit er waarschijnlijk op moeten ingaan. Na 28 Th5! met de bedoeling Pe5 en/of Tf5-fl had hij waarschijnlijk betere kansen dan in de partij. 26 ..... Dd7 Verhindert 27 Pf2, met de bedoeling Pe4-Pf6+, wegens 27 ..... axb3 28 cxb3 Td2! 27. De3 La6! De blokkade van c4 wordt opgeruimd, want op 28 Pb2 komt 28 .... a3 29. Lxa6 axb2! en de witte stelling is een puinhoop. 28. Lxa6 Txa6 29. Td1 Ta8 30. bxa4 Wit had niet beter dan deze lelijke zet. Na 30. Pb2 a3 31. Pd3 Td8, gevolgd door c4 heeft zwart ook groot voordeel. 30 ..... Txa4 Tegen de zware druk in het centrum en langs de a-lijn kan wit zich nu onvoldoende verweren. 31. Pb2 Ta3 32. Txd4 cxd4 33. De2 Dd5 34. Dc4 Dxf3 35. Th4 Dg2 36. Txd4 Tc3 Wit gaf het op. Een opmerkelijke rol in deze zeer goede partij van de Nederlandse jeugdkampioen speelde de loper van f8. Zijn grote verdedigende kracht ontnam wit alle hoop krachtige koningsaanval.

 

Als lid van Lohuis-De Variant uit Breda speelt Martens ook in de competitie op het hoogste landelijke niveau. Dat hij daar ook zijn mannetje staat bewijst de volgende partij.  

De Graaf (Philidor, Leiden) - Martens, 1991

1.d4 Pf6 2.Pf3 e6 3.e3 c5 4.Pbd2 cxd4 5.exd4 b6 6.Ld3 Lb7 7.00 Le7 8.b3 In een partij Jansen-Van Baarle koos wit voor een andere opstelling: 8 Tel, gevolgd door Pfl. Wit won na een scherpe koningsaanval. 8.b3 d6 9.c4 Pbd7 10.Te1 00 11.Lb2 Te8 12.Tc1 Lf8 Zwart blijft zijn stijl getrouw. Solide, met mogelijkheden tot actief tegenspel. 13.Lf1 Dc7 14.b4 Tac8 15.Db3 g6! De loper van f8 leeft op! 16.Lc3 Lh6 17.Tc2 Te7 18.d5 Een zet met grote gevolgen. Waarschijnlijk heeft wit zijn kansen op de damevleugel overschat. Hij had er beter aan gedaan de pionnen flexibel te houden. 18.... e5 19. a4 Steinitz heeft wel eens gezegd, dat elke pionzet een verzwakking is. In deze partij wordt dat prachtig ge飈lustreerd. Wits laatste zet verzwakt b4 en daardoor ook indirect wits invloed op veld c5. 19 ..... Tce8 20.Pe4 Pxe4 21.Txe4 Tc8 Zwart haast zich niet. Hij doet pas op de plaats en wacht af zonder zich op een of andere wijze bloot te geven. In schaaktermen heet dat laveren. Het is een van de moeilijkste onderdelen van het spel. Slechts zeer ongemerkt ontstaan er veranderingen in de stelling. 22.Te1 Lg7 23.Tec1 Tee8 24.Lb2 Lh6 25.Td1 Tb8 26.Lc1 Lf8 27.Ld2 a5 Prachtig gespeeld en op het juiste moment. Duidelijk is nu, dat 19 a4 de oorzaak is van wits moeilijkheden.. Wit is nu met meer in staat de zwarte stukken op aanvaardbare manier van c5 weg te houden. Positioneel is wits lot daarmee waarschijnlijk beslist, omdat vroeg of laat de zwarte meerderheid aan de andere kant ook nog aan komt rollen. 28. bxa5 Anders speelt zwart axb4 en Pc5. 28 ..... bxa5 29.Db5 Hiermee steekt wit zich in een wespennest. Hij hoopt var. de zwakte van pion a5 te kunnen profiteren. Een hersenschim. Het is grappig om te zien, hoe de witte dame in de problemen raakt. 29 ..... Ta8 30.Tb1 Teb8 31.Tccl Pc5 Met de dreiging Lxd5. 32 Db6 Dc8!!

 

 

De deur valt in het slot. Om zijn dame te redden, blijft wit niets anders over dan af te wikkelen naar een verloren eindspel. 33 Lxa5 Lxd5 34. Dc7 Lc6! Nog een zeer goede zet. Pion a4 is met te redden. 35.Txb8 Txb8 36.Dxc8 Txc8 37.Lb4 Lxa4 Het is bijna niet te geloven, maar dit is de eerste zet van zwart waarmee hij het midden overschrijdt. Een ware triomf van de verdediging! 38.Ta1 Lc2 39.Pe1 Lf5 40.Ta7 h5 41.g3 Tb8 42.Lxc5 dxc5 43.Ld3 e4 44.Lc2 Tb2 45.f3 Er dreigde al 45 ... f3!, maar nu is het ook meteen uit. 45 ..... exf3 46 Lxf5 f2+ Wit geeft op.