|
Back
Knutselwerkjes
PZC 21-9-2001 De wereld
van het probleemschaak heeft facetten, waar de gewone
huisschaker en zelfs sommige topschakers geen weet hebben.
De gewone problemen en eindspelstudies kent iedereen wel,
maar het wordt anders als mathematici zich met het spel gaan
bemoeien. Die gaan een weg op, die, zacht gezegd, ver
verwijderd is van het alledaagse. Men werkt met ingewikkelde
wiskundige formules om op het oog eenvoudige problemen op te
lossen. Om een indruk te geven hoe het daar toegaat een
eenvoudig voorbeeld. Een constructie van de Finse probleemcomponist Olavi Riihimaa uit 1962.
Deze voor de probleemcomponist niet
ongewone stelling is een zogenaamd
serie-zelfpatprobleem. Wit doet 36 zetten achtereen
en zet zichzelf pat. De zwarte koning doet niets. Hoe gaat
dat in zijn werk? Wit zet zijn torens op respectievelijk b8
en g8. Hij marcheert met de b t/m g- pionnen door tot de 7e
rij. Verder kunnen ze niet. De randpionnen gaan naar a8 en
h8 en promoveren tot loper. Dan staat wit pat. Een jaar of twintig (!) geleden stond in deze rubriek ook eens een probleem waar een groot getal aan te pas kwam. Toen kwamen er een reactie binnen met het verzoek of de schaakmedewerker alstublieft de lezers niet voor de gek wilde houden.
Natuurlijk wordt ook de kansberekening
op het schaakspel losgelaten. Het kan nog eenvoudiger: Van de uitgangsstelling worden volkomen willekeurige zetten gedaan. Wat is de meest waarschijnlijke stelling na de tweede zet van zwart? Oplossing: Dat is de beginstelling!! Dat lijkt bijna een filosofisch antwoord. De partij: 1e zet: Wit doet een paardzet, zwart doet een paardzet. 2e zet: Wit zet zijn paard terug, zwart zet zijn paard terug!! De vraag hoe groot de kans is, dat die op het bord komt, is wat lastiger. Die laten we graag aan de lezer over.
Dat was allemaal ingewikkeld en
geleerd. Daarom nog iets wat op een normaal probleem lijkt. K.Fabel en N.Petrovic, 1953. De opgave
luidt: Geef mat in één zet!! Dat lijkt buitengewoon
eenvoudig. Het ligt immers voor de hand om 0–0, Ke2, of Lxe5
met mat de doen. Als u dat dacht, heeft u iets over het
hoofd gezien. Een schaakprobleem moet van een stelling
uitgaan, die op reglementaire wijze is ontstaan. Het is
namelijk niet mogelijk, dat wit aan zet is. Wat zou dan
zwarts laatste zet geweest kunnen zijn? g7-g6 kan niet,
omdat de loper op h8 via g7 naar h8 is gegaan. Stel, dat
e7-e5 de laatste zet was, bedoeld om het schaak van Lh8 op
te heffen. Dan moet wits laatste zet Tf6-b6, met
aftrekschaak, geweest zijn. Maar met de pion op e7 heeft
zwart geen voorlaatste zet. Wit kan dus niet en passant
slaan. Kan zwarts laatste zet niet f7xg6 zijn geweest? Zwart
moet dan op g6 een paard hebben geslagen. Nee dat kan ook
niet, want met de pion op f7 heeft zwart ook geen
voorlaatste zet. Dus niet wit, maar zwart is aan zet.
1.d7-d6 Of 1.Lxb5 Lxe5 mat. 1….Ke1-e2 mat. ** Dat antwoord klopt niet helemaal. Er zijn nog twee antwoorden. Zie u ze?
|