Back                                           Schaak en karakter                                             PZC 24-9-2005

 

Men denkt wel eens, dat men aan schaakpartij het karakter van de speler kan herkennen. Voorzichtige mensen spelen saaie positiepartijen en moedige mensen flitsende combinatiepartijen.

Dat is natuurlijk onzin. In de eerste plaats bestaan er geen honderd procent positiepartijen en ook geen  partijen, die van de eerste tot de laatste zet uit combinaties bestaan. Het is altijd of bijna altijd een mengsel van beide. Bovendien is het een misvatting, dat positiepartijen minder riskant zouden zijn. Een strategisch foute beslissing kan grotere gevolgen hebben dan een tactische fout die een pion kost. Partijen uit een stuk zijn ook zeldzaam. Meestal verandert het aanzien van een partij per zet en moeten de plannen voortdurend aangepast worden. De manier waarop men schaak speelt hangt niet af van wat een theoreticus ergens in een boekje heeft geschreven, maar wat men leuk vindt en goed kan. Als men niet zo goed is in tactische verwikkelingen, probeert men ze te vermijden. Heeft men geen affiniteit met diepzinnige strategieŽn, dan speelt men een gambiet en vliegt men de tegenstander meteen naar de keel. Gemakkelijk! Dat heeft met het karakter van de speler weinig te maken.

 

Michail Tal en Rudolf Spielmann waren zeer zachtaardige mensen, maar speelden als duivels. Het tactische schaak zat in hun bloed. In het moderne schaak zijn er ook zulke spelers, maar het zijn natuurlijk geen agressieve mensen omdat ze agressief schaak spelen.

De Russische grootmeester en eindspeltheoreticus Joeri Averbach heeft een interessante poging gedaan om de schaakmeesters naar hun aard en spelopvatting te classificeren. Hij verdeelt ze in zes categorieŽn.

1. De killers. Zij willen niet alleen winnen, maar de ander vernietigen, zoals  Botwinnik, Fischer en Kortschnoi.

2. De vechters. Zij willen ook winnen, maar niet ten koste van alles. Voorbeelden zijn Lasker, Euwe en Kasparov.

3. De sportmensen. Voor hen is het een sport, die ze zo goed mogelijk willen doen: Spassky, Keres, Capablanca, Anand.

4. De spelfanaten, de gokkers. Karpov is een voorbeeld. Van Wely lijkt ook tot die categorie te horen.

5. De artiesten, de kunstenaars, waarbij het vooral gaat om de schoonheid van het spel. Te noemen zijn Zukertort, Simagin en Timman.

6. De onderzoekers, de wetenschappers, zoals Averbach, HŁbner en Dvoretsky.

Natuurlijk zijn de scheidslijnen niet scherp te trekken. Elke schaker heeft wel een beetje de trekken van een killer en van de artiest.

 

De volgende partij is een mooi voorbeeld van een partij, waarin een strategische beslissing op lange termijn een beslissende invloed heeft op het karakter van de partij.

G. Nesis - P. Buj. 11e wereldkampioenschap correspondentieschaak, 1983.

1.d4 Pf6 2.c4 e6 3.Pf3 d5 4.g3 dxc4 De sleutelzet tot het Catalaans Gambiet. Wit offert een pion in ruil voor actief spel in het centrum en op de lange witte diagonaal (de melkweg!). Dat is geen tactische maar een strategische beslissing. Hij kan leiden tot buitengewoon spannend en ingewikkeld schaak. Deze partij is daar een schitterend voorbeeld van.

5.Lg2 Pbd7 6.Pbd2 b5 7.a4 Bekend is 7.Pe5 Pxe5 8.Lxa8 Dxd4 met moeilijk spel. Echt iets om in een correspondentiepartij te proberen.  7...c6 8.Pe5 Pxe5 9.dxe5 Pd5 10.0-0 Le7 11.Pe4 Lb7 12.Pd6+ Lxd6 13.exd6 Deze pion wordt de sleutel tot het witte offensief. Hij lijkt klein, zwak, eenzaam en ver van huis. Donner zou hem aanbeden hebben! 13...0-0 13...Dxd6? 14.e4 b4 15.exd5 cxd5 is gunstig voor wit. 14.e4 Pb4 15.b3 Wit probeert het zwarte pionnenblok op de damevleugel te ondermijnen. Dat is voor deze opening een typerende actie. Veel haalt het ditmaal niet uit. 15...c3! 16.e5 Beide partijen beschikken nu over een fenomenale vrijpion. Wie daar het best van kan profiteren, wint de partij. De kans dat het remise wordt is natuurlijk uiterst klein. Het is echt een opening voor spelers, die op buigen of barsten spelen. 16...Pd5 17.Dd4 f6 Ook zwart probeert het pionnenbolwerk van zijn tegenstander af te breken. 18.Lh3! Dd7 Ook  18...Lc8 was mogelijk, maar het is niet de eerste zet, die bij je op komt. Ook dan ontstaat een bijzondere stelling waarin de materiaalverhouding een ondergeschikte rol speelt: 19.axb5 cxb5 20.exf6 Dxf6 21.Dc5 Ld7 22.Txa7 Tac8 23.Tc7 Pxc7 24.dxc7. 19.exf6 gxf6 20.Lh6 Tf7 21.Dg4+ Kh8 22.Dxe6  Op wonderbaarlijke wijze is het materiŽle evenwicht weer hersteld, maar wie er nu echt beter staat is nog zeer ongewis. Het machtige paard op d5 houdt in elk geval de zwarte stelling nog bij elkaar.  22...Lc8 23.De2! Dd8 Of 23...Dxh3?? 24.De8+ en mat. 24.Dh5 Kg8 25.Lg2 bxa4 Als zwart de plaaggeest op d6 onschadelijk maakt,  krijgt hij andere problemen na 25...Dxd6 26.axb5 enz. 26.Tfe1!  Buitengewoon vindingrijk en gedurfd  gespeeld. Wit laat een verschrikkelijk pionnenduo toe op de damevleugel.  26...axb3 27.Lxd5  Het gruwelijke paard moest er af. 27...cxd5 28.Te7!  De eerste pointe van het witte spel waarmee geprofiteerd wordt van het steunpunt op e7.  28...Le6! Nog een slimme tegenzet, waarmee zwart rekent op de kracht van zijn vrijpionnen. Na 28...Txe7 29.dxe7 Dxe7 30.Dxd5+ De6 mag wit natuurlijk niet op a8 slaan, maar moet 31.Dd8+ doen. Zwart komt dan onder een dodelijke mataanval: 31...Kf7 32.Df8+ Kg6 33.Dg7+ Kh5 (33...Kf5 34.Dxh7+ Ke5 35.Lf4+) 34.Ta5+ enz.  29.Txe6 b2 30.Tae1 c2 31.Te7! Dxe7 Er is geen redding meer. Ook 31...Txe7 32.dxe7 b1D 33.exd8D+ Txd8 34.Dg4+ betekent het einde.  32.Txe7!!  Een ongelofelijke slotzet.

 

 

Zwart kan met schaak een extra dame halen, maar het baat hem  niet. Hij gaf het op!! Dat is een beetje jammer, want de grandioze partij zou een passender slot hebben verdiend. Bijvoorbeeld: 32...c1D+ 33.Kg2 Df1+ 34.Kxf1 b1D+ 35.Kg2 Dg6 36.Dxd5!! Taf8 37.d7!! Zo brengt Ďhet kleine dingí van d6 (Donner) uiteindelijk toch de beslissing. Een sprookjespion.