Retour                                           De verzinsels van Nimzowitsch                                 PZC 25-2-2000 
 

En........ Hans Groffen had Bronstein in de tang

Na zijn match met Lasker in 1921 verklaarde Capablanca, dat het schaken  spoedig aan de remisedood ten onder zou gaan. De grote Cubaan heeft in zijn schaakcarričre op het schaakbord weinig fouten gemaakt, maar hier heeft hij de plank toch wel verschrikkelijk misgeslagen! Hij dacht dat de techniek en de kennis van het spel spoedig zo ver gevorderd zouden zijn, dat het bijna onmogelijk was om zelfs van een zwakkere speler nog een partij te winnen. Een belangrijke oorzaak van dit grote misverstand was, dat hij dacht dat het klassieke spel (1.d4 d5 en 1.e4 e5) het enig juiste speltype was. De verzinsels van iemand als Nimzowitsch nam hij absoluut niet serieus.

De oude orthodoxe varianten, die in de match Capablanca- Lasker op het bord kwamen en waar Capablanca voornamelijk zijn mening op stoelde, vormen in de hedendaagse meestertoernooien een bijna verwaarloosbare minderheid. De Amerikaanse theoreticus John Watson heeft becijferd, dat in het huidige topschaak nog slechts 0,25 % van alle partijen volgens de orthodox-klassieke patronen van Capablanca en Lasker worden gespeeld. Trouwens het aantal remises was op meesterniveau ook toen helemaal niet zo hoog. Van de partijen, die tussen 1901 en 1935 in meestertoernooien werden gespeeld, eindigden 24% in remise! In de periode na 1965 is het remisepercentage 30%. Als Capablanca een computer met een database had gehad, zou hij wel beter hebben geweten. Aljechin had trouwens een meer moderne opvatting en was niet bang voor de remisedood van het spel. Hij zei, dat het ‘grote aantal remises’  kwam door de gebrekkige techniek en omdat men nog te weinig van de openingen wist!

Maar ook Aljechin had zijn zwakke kanten. Zo vond hij de Siciliaanse opening (1.e4 c5) zeer verdacht en dreef hij de spot met de ideeën van de zogenaamde hypermodernen Nimzowitsch en Tartakower. Als om zijn gelijk te bewijzen liet hij hen in hun onderlinge ontmoetingen meestal kansloos. Soms op heel krasse wijze:  

Aljechin – Nimzowitsch. San Remo, 1930

1.e4 e6 2.d4 d5 3.Pc3 Lb4 4.e5 c5 5.Ld2 Pe7 6.Pb5 Lxd2+ 7.Dxd2 0–0 8.c3 b6 9.f4 La6 10.Pf3 Dd7 11.a4 Pbc6 12.b4 cxb4 13.cxb4 Lb7 14.Pd6 f5 15.a5 Pc8 16.Pxb7 Dxb7 17.a6 Df7 18.Lb5 P8e7 19.0–0 h6 20.Tfc1 Tfc8 21.Tc2 De8 22.Tac1 Tab8 23.De3 Tc7 24.Tc3 Dd7 25.T1c2 Kf8 26.Dc1 Tbc8 27.La4

 

 

27... b5 28.Lxb5 Ke8 29.La4 Kd8 30.h4 h5 31.Kh2 g6 32.g3 1–0
 

Het is eigenlijk niet eerlijk om het huidige topschaak met het schaak van vroeger te vergelijken. Het aantal topschakers was omstreeks 1920 op de vingers van twee handen te tellen. Tegenwoordig zijn er duizend spelers en misschien nog wel meer van hun kaliber. Bovendien is het aantal toernooien enorm toegenomen en dientengevolge ook de trainingsmogelijkheden. Capablanca en Lasker speelden slechts een paar toernooien per jaar en soms jaren helemaal niet. En met diepgaande openingsstudie hielden ze zich ook niet bezig. Als Capablanca weer eens aan een toernooi deelnam, vroeg hij kort tevoren aan iemand die meer van openingen afwist, b.v. de Joegoslaaf Kostic, wat men tegenwoordig zoal speelde en in een middagje werd hij weer bijgespijkerd!

Een opening, die als geen ander de weerspiegeling vormt van de veranderde opvattingen sinds de tijd van Capablanca, is het Koningsindisch. Voor de tweede wereldoorlog was het een zeer zeldzame verschijning. In het AVRO-toernooi van 1938 met alle toppers van die tijd, werd hij geen enkele keer gespeeld! De grote doorbraak kwam na de oorlog met de opkomst van de sovjet-schakers. Boleslavsky, Bronstein en Geller waren de grote voortrekkers. In 1938 kon de hele theorie van het koningsindisch in een geschrift van 50 bladzijden. Nu heeft men aan een foliant van minstens duizend bladzijden nog niet genoeg. Kennen de huidige topspelers al die theorie? Ze kennen veel, zeer veel. Maar ze moeten bij de tijd blijven. Wat heden nog nieuw is, is morgen achterhaald. Dat betekent hard werken, zeer hard werken. Ook dat was iets waar Capablanca niet warm voor liep.

 

De volgende interessante koningsindische partij is uit de Belgische competitie. Let op de namen!!
Hans Groffen – David Bronstein

1.d4 Pf6 2.c4 g6 3.Pc3 Lg7 4.e4 d6 5.Pf3 0–0 6.Le2 e5 7.0–0 Pc6 8.d5 Pe7 9.b4 Pe8 10.c5 Kh8 11.Pd2 f5
De normale gang van zaken. Een stelling waarin de beste speler de beste kansen heeft. Zoals zo vaak in dit soort stelling is de machtige pionnenmuur in het centrum slechts een  tijdelijk obstakel voor de wederzijdse strijdkrachten. 12.f3 f4 13.Pc4 Pg8 14.a4 Ph6 Met eerst g5 en h5 en daarna pas Ph6 had zwart een belangrijk tempo kunnen winnen. 15.a5 g5 16.h3 Pf7 Zwart heeft een beetje geëxperimenteerd met de opstelling van zijn stukken. Kan hij zich dat veroorloven? 17.a6 b6 18.cxb6 cxb6 19.Ld2 h5 20.Le1 Ph6 21.Lf2 g4 22.fxg4 hxg4 23.hxg4 Dg5 Zwart heeft op bekende wijze een pion geofferd, maar dat blijkt toch een brug te ver. 24.Pb5 Pf6 Zwart moest ook nog rekening houden met Lxb6! 25.Pbxd6 Ld7 26.Pf5! Er gaan meer wegen naar Rome, maar de gespeelde zet is in elk geval ook uitstekend. 26...Lxf5 27.exf5 Phxg4 28.Ta3 Pxf2 29.Txf2 e4 Beter 29...Dxf5 30.Th3+ Kg8 en zwart leeft nog (een beetje). Waar is de pionnenmuur gebleven? 30.Th3+ Kg8 31.Db3 Lh6 32.d6 Kh7 33.Pe5 Kg7? Nodig was 33...Dxf5 34.Pf7 Pg8. Nu verliest zwart de kwaliteit. 34.Pg6 f3 35.Pxf8 Txf8 36.Lf1 Tc8 37.Db2 Tc1

 

 

38.Tg3? Wat verschrikkelijk jammer van deze prachtige partij. Met 38.d7! had de Zeeuwse crack zijn beroemde tegenstander op de knieën kunnen krijgen. B.v.: 38…Td1 39.De5! Kf7 (Txf1+ 40.Kh2!!) 40.Tg3 Dh4 41.d8D Txd8 42.Tg6 Lg7 43.Dc7+ Pd7 44.Lc4+ Kf8 45.f6 enz. 38...Dxg3

Wit gaf het op.