Back                              Antonius van der Linde, een iezegrim                              PZC 30-7-2005

 

Nederland heeft op schaakgebied in vergelijking met bijvoorbeeld Italië,  Spanje, Frankrijk,  Verenigde Staten, Rusland en Engeland  bijzonder lang tot de achtergebleven gebieden behoord.

De historicus Antonius van der Linde (1833-1897) wist wel waarom dat was. In zijn beroemde boek ‘Geschichte und Literatur des Schachspiels’ dat in 1875 verscheen, schreef hij o.a. dat het kwam door het gebrek aan kennis en de maatschappelijke laagte waarin het spel zich hier bewoog. Vooral de hogere standen zouden lijden aan geesteloosheid, de lagere aan ruwheid. Dat vond hij geen geschikte toestand voor de beoefening van het ‘geesteskrachtspel.’

Volgens Van der Linde was de wijze waarop men in Nederland bijvoorbeeld Elias Stein aanbad de weerspiegeling van de domheid en onbenulligheid, die hier te lande heerste. Elias Stein was een Duitse immigrant, die o.a. koning Willem I leerde schaken. In adellijke kringen beschouwde men hem als een genie. Er werden lofdichten op hem geschreven, waarin zijn onoverwinnelijkheid werd bezongen. Wie geen schaakles van Stein kreeg, telde niet mee. Stein schreef ook een schaakboek ‘Nouvel essai sur le Jeu des Echecs’. In het Frans natuurlijk, want dat was de taal, die de hooggeplaatsten toen het liefst onder elkaar spraken…

Van der Linde kraakte het boek af, maar vond, dat Stein wel een fatsoenlijke kerel was en geen schuld had aan het gebral. Stein zelf kende immers zijn tekortkomingen. Hij schreef bijvoorbeeld: “er zijn voorzeker sterkere spelers dan ik en wanneer ik eenen onbekenden schaakspeler zie, vrees ik altijd mijnen meester in hem te vinden.”

Van der Linde was ongetwijfeld een onvaderlandlievende iezegrim, maar wel een echt genie. Hij werd bekend en verguisd, o.a. omdat hij aantoonde, dat niet de nationale held Laurens Jansz. Coster, maar  de Duitser Johannes Gutenberg de uitvinder was van de boekdrukkunst. Toen men hem in 1874 tot hoofdredacteur van het tijdschrift van de in 1873 opgerichte Nederlandse Schaakbond benoemde, verwachtte men veel van hem. Hij noemde het blad ‘De Schaakwerld’ (Let op de spelling!).

Het werd inderdaad een aardig blad, maar het beleefde slechts één jaargang. Van der Linde bleek een onuitstaanbare ruziemaker, die iedereen beledigde of kleineerde. Hij liet zich door niemand iets voorschrijven. Dat kon niet lang duren.

Ook met zijn met humor in ‘De Schaakwerld’ gepubliceerde Tien Schaakgeboden maakte hij zich geen vrienden. In elk geval niet in Orthodox Christelijke kringen. Het derde gebod bijvoorbeeld luidde als volgt: “Gij zult de naam van het schaakspel niet ijdellijk gebruiken noch op allerlei gesukkel toepassen, want daaraan heb ik een afgrijselijke hekel en Ik zal het u wis en zeker betaald zetten.”

Of het negende gebod: “Gij zult geen valsch getuigenis spreken als uw partij verloren is, noch over hoofdpijn, noch over haast, nog over tante (!), want zoodoende zoudt gij u gedragen als een schaaklummel.”

Na Van der Lindes ontslag deed de NSB het twintig jaar zonder tijdschrift, daarmee ‘de geestelijke laagheid’ in feite bevestigend en continuerend. Terwijl in het buitenland het schaakspel een hoge vlucht nam, bleef het hier kommer en kwel. Het was en bleef een spel voor oude heren als Van ’t Kuys, Benima en Pinedo. Namen, die iedereen vergeten is.

Pas in 1910 kwam er weer wat leven in de brouwerij en ging men Van der Linde op zijn waarde schatten. Tresling in 1910: “Wat een leuke manier van partijbemerking hield de heer van der Linde er toch op na! Jammer, dat dit tijdschrift slechts één jaargang beleefde. Maar ik raad ieder, die van heel originele lectuur houdt, aan het eens te gaan lezen. Er ligt een zee van geleerdheid, wetenswaardigheden, geestigheid, puntigheid en bovendien een meertje van grofheid in.”

Als schaker behoorde Van der Linde tot de grauwe middelmaat, die hij zelf zo verafschuwde. Er zijn echter geen tekenen, dat hij dat zelf ook inzag. In ‘De Schaakwerld’ publiceerde hij met grote regelmaat eigen partijen. Ook de volgende correspondentiepartij tegen een beroemde tegenstander.

Antonius van der Linde – Eduard Douwes Dekker.1875

1.e4 e5 2.Pc3 Pc6 3.f4 exf4 4.d4 Dh4+ 5.Ke2 Het Steinitz-gambiet. Af en toe druppelde er wel eens wat door uit de grote boze buitenwereld Nederland binnen.Van der Linde: "Gott helfe mir, amen."

5...b6 6.Pb5 La6 7.a4 Dh5+ 8.Pf3 Lxb5+ 9.axb5 Dxb5+ 10.Kf2 Db4 11.c3 Dd6 12.g3 fxg3+ 13.hxg3 Pf6 14.Ld3 Pg4+ 15.Kg2 g6 16.Pg5 Prins in ‘Multatuli en het spel van koningen’ schrift hier, dat 16.e5 gevolgd door 17.Da4 winnend was, maar dat lijkt toch enigszins bezijden de waarheid. 16...h5 17.Tf1 f6 18.Db3?  Winnend was weer 18.e5! aldus Lodewijk Prins. Dat was weer een tikkeltje voorbarig, hoewel het wel veel beter was dan de gespeelde zet. 18...Pce5!! Multatuli slaat terug met een sterke zet. Natuurlijk was 18…fxg5 19.Df7+ Kd8 20.Lxg5 fout. Wit wint dan, hoewel niet in alle gevallen met mat, zoals Van der Linde beweert.

 

 

19.La6! Niet  19.dxe5 wegens 19...Dxd3 20.Df7+ Kd8 21.Txf6 De2+ en wint. 19...fxg5 20.dxe5 Dxe5 21.Df7+ Kd8 22.Dxg6 Le7 23.Th1 c6 24.Lb7 Db5! 25.Te1 Meteen 25.La6 Db3 26.Ld3 was nog speelbaar.  25...Dd3 26.La6 

Hopeloos natuurlijk, maar er waren geen betere zetten meer. 26...b5! Hier heeft Van der Linde de partij opgegeven (geabandonneerd!) Hij probeerde zijn verlies in De Schaakwerld zodanig  met gemystificeerde zetten (Prins) te verbloemen, dat de lezers  waarschijnlijk niet begrepen hebben, dat hij de partij toch echt verloren had! Geen hoogstaande partij, maar toch beter dan van menig minister president!