Terug                                                   Rokade                                                      PZC 3-11-1995
 

Het schaakspel heeft in de loop van de tijd belangrijke veranderingen ondergaan. Het middeleeuwse spel was erg statisch doordat de stukken, met uitzondering van het paard en de toren, weinig beweeglijk waren.
Zo was de dame (koningin) het zwakste stuk van het bord. Zij kon slechts een veldje schuin vooruit of achteruit.
In de zestiende eeuw kregen de stukken de mogelijkheden, die ze nu nog hebben. Een van de laatste vernieuwingen betrof de rokade. De voorloper van de rokade was de koningssprong. Bij zijn eerste zet mocht de koning in zijn helft van het bord over zijn eigen stukken springen.  Bijvoorbeeld Ke1-g3!!
De echte rokade is pas van veel latere datum. Aanvankelijk bestond hij daadwerkelijk uit twee zetten. In het boek van Lucena (15e eeuw), doet men eerst Ta1-f1 en op de volgende zet Ke1-g1. Of bij de lange rokade eerst Td1 en een zet later Kc1.
Op het eind van de 16e eeuw werd de rokade over het algemeen in een zet uitgevoerd. Maar er waren talloze variaties. Bijvoorbeeld Kf1 en Te1, Kg1 en Te1, Kg1 en Tf1, Kh1 en Te1, Kh1 en Tf1 en Kh1 en Tg1.
Op de lange vleugel waren zestien variaties mogelijk en in gebruik! De verschillen waren vaak regionaal van aard. Soms was rokeren verboden als de koning schaak stond of als de toren als gevolg van de rokade een vijandelijk stuk aanviel. De huidige regel, die rokeren niet toestaat als de toren of de koning al eens gespeeld hebben, was ook nog niet van kracht.
De eerste, die de moderne rokade beschreef, was Ruy Lopez, een Spaanse geestelijke, in zijn boek uit 1561. In de 17e eeuw was de Ruy Lopez- rokade gemeengoed met uitzondering van Italië waar allerlei variaties nog tot in de 19e eeuw bleven bestaan.
De rokade is bedoeld om de koning op snelle manier in veiligheid te brengen en de toren te centraliseren. In de meeste partijen rokeert men in de beginfase van de partij. Maar er zijn uitzonderingen. Het wereldrecord laat rokeren staat op naam van Bobotsov in zijn partij met Ivkov uit de Hoogovens van 1966. Bobotsov rokeerde pas op de 46e zet!! De partij werd remise.
Het mooiste voor een schaker is winnen met een rokade. Een aardig voorbeeld is de volgende partij waarin een beroemde schaker het slachtoffer wordt.
Feuer- O'Kelly, Luik, 1934.
1.e4 e5 2.Pf3 Pc6 3.Lb5 a6 4.La4 d6 5.Lxc6+ bxc6 6.d4 f6 7.Pc3 Tb8 8.Dd3 Pe7 9.h4 h5 10.Le3 Txb2?
Sla nooit op b2, ook niet als het goed is (Gligoric). O'Kelly's fout berust op een foute interpre­tatie van de spelregels. Die zeggen, dat je niet mag rokeren als de koning schaak staat of een veld moet passeren, dat door de tegenpartij wordt bestreken. Er wordt niets gezegd over de toren. Je mag dus rokeren als de toren in staat of in dit geval veld b1 wordt aangevallen. 11.dxe5 dxe5? 12.Dxd8+ Kxd8 13.O‑O‑O+ Zwart gaf het op.

 Averbach, ooit grootmeester van wereldklasse (1953) en auteur van talrijke uitstekende schaakboeken, bleek in een toernooi in Australië in 1961, ook niet goed op de hoogte. Toen zijn tegenstander een dergelijke rokade uitvoerde, protesteerde hij bij de wedstrijdleiding! Die hielp hem uit de droom, maar het voorval kreeg een dankbaar plaatsje in de schaakliteratuur!

Nog twee waarschuwende voorbeelden.
Borbely-  Kovacz, Oradea,1948.1.e4 c5 2.Pf3 d6 3.d4 cxd4 4.Dxd4 Pc6 5.Lb5 Ld7 6.Lxc6 bxc6 7.Pc3 Pf6 8.Lg5 Tb8 9.e5 dxe5 10.Pxe5 Txb2 11.Lxf6 gxf6 12.Pxd7 Dxd7 13.Dxd7+ Kxd7 14.O‑O‑O+ Zwart geeft op.

Dunbar- Sjavkin, 1925.1.e4 e5 2.Pf3 Pc6 3.d4 exd4 4.Pxd4 Lc5 5.Le3 d6 6.Pxc6 bxc6 7.Lxc5 dxc5 8.Dxd8+ Kxd8 9.c4 Tb8 10.Pc3 Txb2 11.O‑O‑O+ Zwart geeft op. 


Spectaculaire overwinningen door een rokade zijn zeldzaam. De volgende partij is ontleend aan het prachtige boek Chess Curiosities van Tim Krabbé.
Espig- Mohring, Leipzig 1973.1.e4 e5 2.Pf3 Pc6 3.d4 exd4 4.c3 dxc3 5.Lc4 b5 6.Lb3 b4 7.O‑O La6 8.Te1 Df6 9.e5 Df5 10.Pg5 cxb2 11.Lxf7+ Dxf7 12.e6
Dreigt mat in twee. Zwart lijkt in de problemen te zitten. Na 12... dxe6 13.Pxe6 Le7 14.Pxc7+ Kf8 15.Lxb2 (Krabbé) is de witte aanval dodelijk.


 

12.... O‑O‑O!! Zeer verrassend en beslissend. Na 13.exf7 bxa1D 14.fxg8D Txg8 staat zwart een toren voor.13.Lxb2 Df5 14.Pf7 dxe6 15.Pxd8 Pxd8 16.Pd2 Pf6 17.Tc1 Lb7 18.Le5 Pd5 19.Da4 Pc3 20.Lxc3 bxc3 21.Txc3 Lc5 22.Pf3 Tf8 23.Td1 Pf7 24.h3 Pe5 25.Tb3 Lb6 En wit hield er mee op. Mooi is ook winnen met een zeer late rokade.
Ivanov won eens met een lange rokade op de 43e zet. Maar met een zeer late rokade winnen van de wereldkampioen, kan dat?
Dit  overkwam vorige week de heerser van de professionele schaakbond:
Kasparov-Ivantsjoek, Horgen, 1995.
1.e4 e6 2.d4 d5 3.Pc3 Lb4 4.e5 b6 5.a3 Lf8!
Zwart kiest voor een terughoudende opstelling waarin de partijen lange tijd uit elkaars buurt blijven. Het systeem werd ooit met grote perfectie door Petrosjan op wereldniveau geïntrodu­ceerd. Het blijkt en schot in de roos. Kasparov is geen man van lange laveerpartijen.6.Pf3 Pe7 7.h4 h6 Een nuttige zet. Het veld g5 wordt aan wit ontnomen en de witte h-pion kan niet naar h6 doorstomen.8.h5 a5 Met als bedoeling de 'slechte' zwarte loper met La6 af te ruilen.9.Lb5+ Het is de vraag of dat de oplossing is. Wit behoudt weliswaar zijn goede loper, maar dat kost een flink aantal tempi.9.... c6 10.La4 Pd7 Niet goed is 10... b5 11.Lb3 a4 12.La2. De loper op a2 kan altijd via b1 weer in het spel worden gebracht, terwijl de zwarte pionnen kun kracht verloren hebben.11.Pe2 b5 12.Lb3 c5! 13.c3 Pc6 14.O‑O Dc7 15.Te1 Wits kansen liggen op de koningsvleugel, waar met hij f2-f4-f5 moet waarnemen. De toren had daarom beter op f1 kunnen blijven.15.... c4 16.Lc2 Pb6 17.Lf4 Le7 18.Lg3 Tb8 19.Ph2 Dd8 20.Pg4 b4 21.axb4 axb4 22.cxb4 Wit wil zich blijkbaar niet door b4-b3 laten opsluiten. Maar zou dat zo erg geweest zijn? De open lijnen op de damevleugel komen nu voor 100 % zwart ten goede.22.... Pxb4 23.Lb1 Ld7 24.b3 Ta8 25.Txa8 Dxa8 26.bxc4 Pxc4

 

 

De zwarte paarden hebben prachtige plaatsen veroverd. Dat zou nog niet beslissend zijn geweest, als wit beter bij de les zou zijn gebleven. De volgende zet is een van de slechtste die Kasparov ooit heeft gedaan. Na bijvoorbeeld 27.Pc3 om de zwarte loper van a4 af te houden, zou wit weliswaar moeilijk hebben gestaan, maar nog geenszins verloren. 27.Pc1?? La4 28.De2 Da7! Dat is de clou. De pion op d4 gaat verloren en daarmee de witte partij.29.Pe3 Dxd4 30.Pxc4 dxc4! 31.Df1 O‑O!! De winnende rokade! Wit gaf het op. Na 32.Te4 Db1! wint de zwarte vrijpion gemakkelijk en snel. Een afschuwelijke nederlaag van de wereldkampioen.