Back                                       Fingerfehler .....                            PZC 14-3-2002

 

Een schaakpartij wordt niet altijd door de beste speler gewonnen. Ook niet door de speler, die het beste heeft gespeeld. Er bestaat altijd de mogelijkheid van een blunder. Een overhaaste zet kan een schitterend gespeelde partij plotseling bederven. Blunders hoeven echter niet altijd door gehaastheid te ontstaan. Een speler kan een totale blackout hebben. De meest onbenullige blunder is de zogenaamde ‘vingerfout’ (Fingerfehler). Een speler pakt het verkeerde stuk beet. Hij had Lc2 willen spelen, maar nam Lc3 in de hand. Het is de allergrootste spelers wel eens overkomen. Soms is het ook wel eens een excuus voor een bijzonder slechte zet. Zoiets als: “Ik wilde Pf6 doen, maar ik pakte per ongeluk de loper vast.” Onder schakers is het geen uitgemaakte zaak wat erger is, verliezen door een blunder in een gewonnen stelling, of door slecht spel gedurende een reeks van zetten. Nog een ander soort blunder is de onnodige tijdsoverschrijding. Dat is ook geen zeldzaamheid. Botwinnik overkwam het in een totaal gewonnen stelling in een partij om het wereldkampioenschap tegen Smyslov in 1958. Hij had tijd genoeg en een ruime keuze aan goede zetten, maar vergat eenvoudig de klok! Het is dan een beetje als de ezel, die sterft van de honger tussen twee schelven hooi, omdat hij niet kan kiezen van welke hij zal eten. Uit schaaktechnisch oogpunt zijn blunders slechts zelden interessant. Zomaar een stuk laten wegslaan, wat is daar voor moois aan? Bouwmeester heeft eens een boekje geschreven over blunders. Een mislukking. Slechts in uitzonderlijke gevallen is er sprake van een komisch effect. Alexander Kotov (1913-1981) geeft daar in zijn boek Think Like a Grandmaster een aardig voorbeeld van. Het gaat om het bekende effect van de blinde vlek in het oog. Na een tijdje staren naar een bepaald object, wordt een voorwerp er vlak naast niet waargenomen. Als dat toevallig een schaakstuk is, kan dat vervelende gevolgen hebben. De volgende stelling kwam voor in een partij Ebralidze - Ragosin uit het kampioenschap van de Sovjet Unie uit 1937 in Tbilissi (Georgië).

 

Zwart was aan zet. De stelling en wat volgde heeft reeds zijn intrede gedaan in de schaakfolklore, zoals Kotov het uitdrukte. Grootmeester Ragosin, een trainingspartner en een langjarige vriend van Botwinnik wilde zich verdedigen tegen verschillende witte dreigingen, o.a. Pe5+ en speelde: 40…Tc7???, met de bedoeling na 42.Txc7 de toren met 42…Ld6+ (schaak!) terug te veroveren. De Georgische fans van Ebralidze in het publiek hadden meteen in de gaten wat er aan de hand was en dat de loper op e7 gepend stond en dus onbeweeglijk was. Sommigen konden hun mond niet houden en begonnen te roepen: ‘Argil, pak te toren, pak de toren.’ Maar Argil Ebralidze haalde geërgerd de schouders op over zoveel domheid. De blinde vlek deed zijn werk. Hij zag de penning niet en trok zijn aangevallen toren terug. De gevolgen? 41. Td5?? 41.Lf6 42.Pb5 Tc2+ 43.Kg3 a6 44.Td7+? Ke8 45.Tc7?? Le5+!! en wit gaf op. Ebralidze was zo geschokt door het verloop van de partij en wat hem onmiddellijk na de partij ‘fijnzinnig ‘onder de aandacht werd gebracht, dat hij in het verdere verloop van het toernooi bijna alles verloor en laatste werd. Maar wie zou nog ooit van Ebralidze gehoord hebben, als hij die fantastische blunder niet gemaakt had? Een blunder kan dus ook nog goede kanten hebben!

De blunder als gevolg van de blinde vlek heeft echter weinig te maken met psychologie. Het is meer een kwestie van fysiologie, een gevolg van een bepaalde lichamelijke gesteldheid.

De psychologie komt wel om de hoek kijken als er sprake is van blunders door overmatige concentratie. Men zit zo diep in de stelling, dat men de oppervlakkige dreigingen overziet en schaakblindheid op de loer ligt. Om daar wat tegen te doen, hebben de Russen de regel van Blumenfeld bedacht: Voor je een zet doet, kijk eerst nog even naar het bord als een knoeier! Staan er geen stukken in? Dreigt er geen mat? enz.

Een bepaald soort blunder heeft te maken met de geometrie van het schaakbord. Het schijnt dat dwarsverbindingen eerder worden overzien dan verticale dreigingen, zetten die in de kijkrichting liggen. Een voorbeeld van een van de beroemdste brokkenmakers uit de schaakhistorie.

 

 

Uit een partij Iljin Zjenevsky- Nenarokov. Moskou 1923. Er volgde: 1.De3 Pe7 2.f4?? exf4 3.Dxf4 Dxb5!!

Iljin Zjenevsky: “Dat was iets, waar ik niet van had kunnen dromen. Het idee, dat de dame de loper niet kon aanvallen wegens de barričre van de zwarte pion op e5, was zo sterk in mijn bewustzijn verankerd, dat zelfs toen de dame de loper sloeg, ik het nog niet kon geloven en dacht, dat er sprake was van een onreglementaire damezet, een sprong over pion e5 heen!!”

Iljin Zjenevsky heette eigelijk gewoon Alexander Iljin. Maar hij voegde later aan zijn naam Genevsky toe, omdat hij een aantal jaren in Genčve had gewoond en ene Vladimir Iljitsj Lenin dat ook had gedaan. Iljin was in 1911 naar het buitenland verbannen, omdat hij actief lid was geweest van een bolsjewistische cel in St. Petersburg. Hij was een van de grondleggers van het Sovjet schaakimperium, dat postuum nog steeds de dienst uitmaakt in het internationale schaak.