Back                            Fischer, het genie van de eenvoud.                             PZC 2-4-2005

De schaakwereldkampioen van 1972 tot 1975 Robert James Fischer (Bobby) is waarschijnlijk de meest bekende en besproken schaakspeler aller tijden. Niet om zijn successen achter het schaakbord, maar om zijn gedragingen daarbuiten. Er was altijd wel wat met hem. Ruzies met autoriteiten van allerlei aard waren schering en inslag vanaf het moment dat hij als jongen van veertien jaar kampioen werd van de Verenigde Staten. Het was vaak smullen voor de op sensatie beluste pers. In de tijd van de koude oorlog waren de Amerikanen dol op hem. Hij leerde die perfide Sovjets een lesje, dat ze nooit meer vergaten!

Na het ineenstorten van het Sovjetrijk bleek uit openbaar gemaakte stukken van de KGB, de geheime dienst van de Sovjets, dat Fischer ook door de politieke top als een gevaar werd gezien, een bedreiging zelfs van de communistische heilsleer. Het was op een gegeven moment zelfs zo, dat alle Sovjet-grootmeesters werden opgeroepen om theoretische bijdragen te leveren om Fischer te stoppen. Het was met recht één tegen allen! Fischer klaagde erover, dat de Sovjets hem met machinaties van de wereldtitel probeerden af te houden, o.a. door afspraken onderling tijdens het kandidatentoernooi van 1962 in Curaçao. Dat werd toen beschouwd als een uiting van een paranoïde gek. Thans weten we, dat hij volkomen gelijk had. 

Dat Fischer er desondanks in slaagde wereldkampioen te worden door Spassky in 1972 te Reykjavik te verslaan, mag beschouwd worden als een van de grootste sportieve prestaties aller tijden.

Fischer mag een vreemde zonderling zijn geworden, die af en toe abjecte uitlatingen doet, als schaker was hij geniaal. Een groot verschil met Kasparov is, dat hij helemaal alleen de hoogste top heeft bereikt. Hij had geen leger met theoretici achter zich, geen team van voedingsdeskundigen, medische specialisten en psychologen. Kasparov is misschien de grootste schaker aller tijden, maar hij werd het niet op eigen kracht alleen. Fischer wel. Nog steeds verschijnen boeken over hem, over zijn stijl, zijn tactische en strategische bekwaamheden en zijn ongeëvenaarde techniek. Om deze onvergetelijke schaker te eren in deze rubriek een partij van hem, die in specialistische kringen veel stof heeft doen opwaaien en nog steeds onderwerp van discussie is.

Robert Fischer – Tigran Petrosian. Buenos Aires, 1971

1.e4 c5 2.Pf3 e6 3.d4 cxd4 4.Pxd4 a6 5.Ld3 Pc6 6.Pxc6 bxc6 7.0–0 d5 8.c4 Pf6 9.cxd5 cxd5 10.exd5 exd5 11.Pc3 Le7 12.Da4+ Dd7 13.Te1 Dxa4 14.Pxa4 Le6 15.Le3 0–0 16.Lc5 Tfe8 17.Lxe7 Txe7 18.b4 ! In dit soort eenvoudige stellingen bereikte Fischer de hoogste graad van volmaaktheid. 18… Kf8 19.Pc5 Lc8 20.f3 Tea7 21.Te5 Ld7   

 

Dit is een van de meest afgedrukte diagrammen van de laatste dertig jaar. Niet omdat de stelling zo mooi is of spectaculair, maar om de zet, die wit nu speelt.  22.Pxd7+!!  Over deze zet is waarschijnlijk meer geschreven en gediscussieerd dan over welke andere zet van wie ook. Op het moment dat hij gespeeld werd, in de zevende partij uit de match Fischer- Petrosjan uit 1971, kwam hij als een volslagen verrassing. De aanwezige grootmeesters, waaronder Najdorf, beschouwden hem eerst als zwak en onbegrijpelijk. Wie ruilt er nu een  paard, dat zo fraai geposteerd is, af tegen een kreupele loper? De verbazing was groot, toen bleek, dat de partij daarna door wit snel en gemakkelijk werd gewonnen. Het gevolg was, dat Fischers zet na de partij alom werd geprezen en als een bewijs van zijn genialiteit werd gezien. Dat hij dingen zag en voelde die anderen niet zagen. Helaas is onbekend gebleven hoe Petrosjan erover dacht. Dat was namelijk ook een speler, die met bijzondere oplossingen kwam als een diep strategisch inzicht nodig was. Maar de tijd staat niet stil. Inzichten en meningen veranderen, ook in het schaakspel.
De Amerikaan John Watson zegt in een boek, dat in 2003 uitkwam, dat Fischer gewoon de meest praktische zet deed. Zwart 'dreigde' immers 22...Lb5 te spelen, waarna een voor wit onvoordelige vereenvoudiging tot stand kan komen. Dus moest die loper geruild worden. Kortom een echte Fischer-zet! Niks geen geneuzel over bovennatuurlijke gaven of iets dergelijks. 22...Txd7 23.Tc1  Watson: "Ik denk, dat Fischer zelf de stelling als gemakkelijk gewonnen beschouwde. Hij heeft een sterke loper tegen een verkrampt paard met pionnen op beide zijden van het bord. Zwart is bovendien gebonden aan de zwakte van pion a6."

Hier is ook de uitspraak van Tarrasch (1862-1934) relevant, dat je niet moet kijken naar de stukken die afgeruild worden, maar naar de stukken die overblijven. 23...Td6 24.Tc7 Pd7 25.Te2 g6 26.Kf2 h5 27.f4 h4 28.Kf3 f5 29.Ke3 d4+ 30.Kd2 Zwart is  nu in een soort zetdwang geraakt.  30...Pb6 31.Tee7 Pd5 32.Tf7+ Ke8 33.Tb7 Pxb4 34.Lc4  Zwart gaf het op. De matdreigingen met Th7 zijn onoverkomelijk.