|
Terug Doorgeefschaak PZC 14-9-1980 Een hooggeleerd persoon heeft onlangs beweerd, dat
het damspel superieur zou zijn aan het schaakspel omdat bij aanvang
van de partij de witspeler bij het schaken in het voordeel zou zijn,
terwijl dat bij dammen niet het geval is.
Inderdaad worden door schakers meer partijen met wit dan met zwart
gewonnen, maar wat dat met de waarde van het spel als zodanig te
maken heeft, ontgaat mij.
Met een drogredenering kan ieder zijn eigen gelijk bewijzen. Zo zijn
er in Nederland, het op een na sterkste damland ter wereld, tweemaal
zoveel georganiseerde schakers als dammers (30.000 tegen 15.000).
Een beetje onbegrijpelijk. Statistisch gezien denken blijkbaar
tweemaal zoveel Nederlanders precies het omgekeerde van wat
bovengenoemde geleerde heer beweert.
Ongetwijfeld is het gekrakeel van dammers en schakers onderling over
hun 'sport' aardig voor de geïnteresseerde toeschouwer, maar dat is
ook alles.Waar een bepaald individu zich
het meest toe aangetrokken voelt, is louter een kwestie van
persoonlijke smaak. Ik vind schaken de mooiste denksport
die er bestaat en kan daar allerlei argumenten voor aanvoeren, die
voor de fervente dammer evenwel geen enkele overtuigende waarde
hebben. Hetzij zo. Ook het onweerlegbare feit, dat het schaken veel
meer over de wereld verbreid is en organisatorisch ver voorligt, zal
geen enkele dammer tot bekering brengen.
De laatste jaren is in de schaakwereld echter een fenomeen
opgedoken dat het schaken ernstig in diskrediet brengt en de dammers
die met geringschatting over schaken spreken, zeer in de kaart
speelt. Het onwaardige gedoe, dat iedere
rechtgeaarde schaker met afkeer zou moeten vervullen is het
zogenaamde 'doorgeefschaak'. Schakers, die de eenzaamheid van
het individuele spel niet meer kunnen verdragen, hebben dit nieuwe
spel bedacht. Ze hebben de spelregels van het koninklijke spel op
vernederende wijze verminkt en de waardigheid van het spel op
ontoelaatbare wijze aangetast. Bij doorgeefschaak wordt, o schande,
veel gelachen en gepraat. Het lijkt warempel wel klaverjassen.
Maar ach, waarom zou men zich druk maken over de onbenulligen, die
een eeuwenoud spel onwaardig zijn. Gun hun toch hun platvloerse
bezigheid. Accoord! Een mens moet nu eenmaal weten te geven en te
nemen, maar wel absoluut ontoelaatbaar is, dat officiële
schaakinstanties zich met dit wangedrocht inlaten. Bij
doorgeefschaaktoernooien (bah!) is men behulpzaam bij de
organisatie. Ja, men heeft zelfs de euvele
moed gehad die toernooien te subsidiëren. Dat gaat te ver!! Geen man
en geen cent voor dit serpent.
Twee studies om het gemoed tot bedaren te brengen. De eerste is
van de ex-wereldkampioen der amateurs (lang geleden werd om die
titel gestreden. Ook Euwe heeft die amateurtitel eens veroverd.)
Mattison 1922.

Wit aan zet maakt remise.
Oplossing: 1.f7 Tf5 Het enige. 2.d6
Lf7: 3.Lc6:+! Kg3! 4.d7 Tf1+ 5.Kd2! Lh5
6.Lf3!! Lf3: 7.d8D Td1+ 8.Ke3 remise.
Of 3...Kh2 4.d7 Tf1+ 5.Kd2! Lh5 6.Ke3!! (La4? Tf8! 7.Ke3 Lg4 !!)
Td1! (Tf8 7.Kd4!) 7.La4!! (Kf4? Kh3 8.Ke5 Lg4) Td6 8.Kf4!! Kh3
9.Ke5!! Td2 10.Ke6 Lg4+ 11.Ke7 remise!!Een zeer
subtiele studie.
Buitengewoon verrassend is de pointe van de volgende studie.
J.Behting 1922.

1. De3 f4 2.Df2 d1D 3.Kc3!! Wit wint, hoewel hij drie pionnen
achterstaat!! Ook 2... f3 3.De3 kan zwart niet redden.
|