Terug                                          Dikke Donner                                                       PZC 23-10-87

"Op 24 augustus 1983 kreeg ik een hersenbloeding, net op tijd, want op je 56e schaak je minder goed dan op je 26e. De tijd om naar iets anders om te zien is allang aangebroken, maar je zou nog liever je tong afbijten dan dat toe te geven. Daarvoor ben je schaker. De tijd van het georganiseerd voordringen is nu voorbij, de sport hoort nu tot het verleden".

Aldus Donner in het voorwoord van 'De Koning', een door Max Pam en Tim Krabbe samengesteld boek, waarin de beste stukken, die de grootmeester over schaken schreef, zijn samengebracht. Uit de meer dan duizend stukken, kozen zij er 382, zodat een zeer lijvig boekwerk ontstond.

Geen enkele schaker en misschien geen enkele sportman heeft in Nederland zo'n controversiële plaats ingenomen als juist J. H. Donner. Door zijn stukken werd hij verguisd of aanbeden, een tussenweg bestond er niet. Het zijn vooral zijn bijdragen in 'Schaakbulletin' geweest, die weerstanden opriepen, maar tegelijkertijd zijn populariteit enorm vergrootten. Zijn openhartigheid werd gevreesd en bewonderd en deed een verfrissende wind waaien in de vaak bekrompen atmosfeer van het wereldje van de Nederlandse topschakers en schaakautoriteiten. Het is niet overdreven te stellen, dat zonder Donner het schaken in Nederland nooit die populariteit gehad zou hebben, die het nu heeft. Zijn stukken in De Tijd, toen dat nog een dagblad was, Elseviers Weekblad en De Volkskrant werden ook door niet-schakers gelezen. En ook die wist hij te shockeren. Vrouwen vooral, als hij weer eens beweerd had, dat die niet konden schaken, maar ook anderen. Gereformeerden bijvoorbeeld, als hij bijbelteksten tussen zijn schaakanalyses plaatste. Toen hij in 1967 een schitterende trofee, die hij in een toernooi in Venetië had gewonnen, aan de Vietcong gaf, op voorwaarde, dat ze er machinegeweren voor zouden kopen, werd hij op staande voet door Elseviers Weekblad ontslagen! Toen pas kregen ze in de gaten welk vlees ze met Donner in de kuip hadden!

Met Lodewijk Prins stond Donner reeds zeer spoedig op gespannen voet. En het is ook nooit meer goed gekomen. Het toppunt van hun controverse was in 1965, toen Prins kampioen van Nederland werd. Het toernooi was, zeer listig, door de bond zo gepland, dat Donner, die op Cuba een toernooi moest spelen. niet kon meedoen. Prins en Zuidema eindigden gelijk, zodat een match nodig was. Prins won! Dat was wat voor Donner... Hij vroeg zich af waar de kracht van Prins toch in schuilde...
„Ik begin het langzamerhand gaan begrijpen: het is onverbeterlijk optimisme. Als hij slecht staat, weet hij dit niet en hij verspilt geen energie aan de zorgen die een deskundiger speler in zijn plaats zou hebben. Is de stellingvolkomen remise, dan wordt hij niet gehandicapt door de moedeloosheid van de kenner die weet dat hij niets zal kunnen bereiken als de tegenstander niet helpt"
Als illustratie bij zijn stelling plaatste Donner de partij Zuidema – Prins. Na 45 zetten was de volgende stelling ontstaan:

Donner: „Dit eindspel is niet gemakkelijk te verdedigen - als het op den duur te verdedigen is" aldus Prins (in Het Parool). Deze sensationele opvatting wordt gesteund door de volgende varianten:

A. 46.a4 Pc4 (wit verkeert in zetdwang: 47 Ke2 Pa5!)
B. 46.Lel Pe4
C. 46.Ld2 Pc4 47.Lel Pa5 48.Ld2 Pc6 49.Lc3 b5
.

Dit alles volgens de analyses van Prins. Die zijn echter onjuist:
A. Na 46.a4 Pc4 verkeert wit in het geheel niet in tempodwang: 47.Ke2 Pa5 48 Kd3 Pc6 49 Kc4 en na 49 ..... Pb4 50 a5 kan zwart niets bereiken. Ook 49 .....
Pd4 50.Ld4: is remise.

B. Na 46.Lel Pe4 is niet te zien hoe zwart na b.v. 47 a4 verder kan komen.

C. In deze variant, die inderdaad voor zwart zou winnen, moet wit natuurlijk niet 49.Lc3 spelen, maar 49 c3".

Aldus Donner. Zuidema blundert en speelt 46 b3?? waarna Prins na 46 ..... Pb5 47.Lb2 Pd4+ 48.Lxd4 cxd4 49.a4 a5 50.Kg3 Ke4 51.Kg4 Ke3 52.Kf5 Kd2 53.Kxf6 Kxc2 54.Ke5 d3 de buit en later de titel binnenhaalde.

In schaaktechnisch opzicht is het artikel, waaraan dit fragment is ontleend een hoogtepunt. Prins, die de partij in Het Parool had geanalyseerd, wordt op alle fronten te kijk gezet.  Donner daagde Prins uit tot een match. Dat deed hij in de beste Donnerstijl. Hij zou hem vier punten voorgeven enz: Het zou van grootheid hebben getuigd, als Prins erop zou zijn ingegaan, zoals Ree later in gelijke omstandigheden wel deed. (En met succes, maar Ree kan schaken!) De lezers van De Tijd waren woedend. In een artikel 'Het blijft schande, hij kan er niets van' reageert de grootmeester op ingezonden stukken.

„Laat ik eerst wat post afwerken. De heer A. S. te B.: uw indruk, als zou ik Lodewijk Prins het kampioenschap van Nederland niet gunnen is juist. Ik gun het hem niet.
De heer W. P. te L.: U heeft goed geraden. Ik was boos en dat ben ik nog.
De heer S. T. te 's-G.: Ook u heeft goed gelezen. Ik ben bezeten van jaloezie.
De heer M. K. B. te A.: Dank u. Stond ik werkelijk op een voetstuk? En dat hoor ik nu pas?".

Hoewel 'De Dikke Donner' voor 100% een schaakboek is, moet het ook voor anderen zeer boeiende lectuur zijn. In elk geval is het voor de schaker, die iets meer van het spel wil weten dan de zetjes van de Siciliaan, een onvergefelijke fout als hij zich het boek niet aanschaft.