Uit het jubileumboek:

Retour                                      SCHAKEN IN BEZETTINGSTIJD.

Marten Beinema

 

In het kader van de jubileumviering heb ik een notulenboek van onze vereniging mogen lenen en lezen. Dat genot was de prijs, het schrijven van dit stukje, meer dan waard. De notulen die ik in handen kreeg lopen van 1940 tot en met 1952 en betreffen zowel de ledenvergaderingen (2x per jaar) als de jaarverslagen.

Het leek me onmogelijk die hele twaalfjarige periode op 1 ŗ 2 A-viertjes tot haar recht te laten komen. Daarom heb ik mij beperkt tot de jaren 1940-1945 die, gekenmerkt door bezetting en bevrijding, een samenhangend geheel vormen.

In 1940 is ene I. van Noppen secretaris van de Schaakvereniging Middelburg. Hij droeg een in kringen van het Middelburgse christelijk onderwijs bekende achternaam. Misschien luidde zijn voornaam Izaak en - dubbel misschien - was hij de onderwijzer die in een Terugkieke-filmpje, opgenomen in 1959, te zien was als hoofd van de gereformeerde lagere school aan de Herengracht. Hoe dat zij, zijn notulen zijn geschreven in een fraai en duidelijk schoolmeestershandschrift, wat de lezer deugd doet.

 

In de vergadering van 28 juni 1940 laat voorzitter W. de Graaf, medeoprichter van de vereniging, het oorlogsgeweld dat in de meidagen Middelburg geteisterd had, niet onvermeld: "onze goede stad heeft een geweldige klap gehad en ook onze club werd er de dupe van." Het Jaarverslag 1940 vermeldt in dit verband dat de "club al haar bezittingen verloor en ons gezellige vergaderlokaal een prooi der vlammen werd."

Al snel wordt de reguliere speelavond bedreigd. In de vergadering van 20 september 1940 verklaart  clubkampioen J. Mulliť "het onmogelijk te achten dat, door de onrustige tijd die wij beleven, deze winter Vrijdagsavonds  gespeeld kan worden.". Als de bezetter dan ook nog "het verbod uitvaardigt zich  's avonds na tienen op straat te begeven" is het pleit beslecht.. Besloten wordt uit te wijken naar de zaterdagmiddag. Een nader voorstel van veteraan Mulliť "om behalve Zaterdags de leden ook 's-zondags in de gelegenheid te stellen om te spelen" wordt door de (gereformeerde)  secretaris - mijns inziens terecht - bestreden. Uiteindelijk wordt dan besloten "dat er geen bezwaar zal bestaan indien sommige" - oorspronkelijk schreef de secretaris "de" - leden 's-zondags hun wedstrijdpartijen spelen, dit zal echter niet als officiŽle clubsamenkomst beschouwd worden.". De 16 leden die deze vergadering bijwoonden, pasten het  poldermodel vaardig toe!

Een jaar later (12 september 1941) worden de mogelijkheden om wedstrijdpartijen te spelen, dat wil zeggen partijen in de interne competitie, zelfs nog uitgebreid: "de leden hebben ook het recht om de partijen thuis te spelen." Dat wordt aanvankelijk als "het ei van Columbus" beschouwd, maar op den duur zal men toch ervaren hebben dat dit de onderlinge verbondenheid niet ten goede kwam. Want weer een jaar later (vergadering 25 september 1942) noteert de  secretaris zonder nadere toelichting dat "allereerst besloten wordt om als officiŽle speeltijd uitsluitend de Vrijdagavond aan te nemen.".

 

Eerder in dat jaar had een wisseling van de wacht plaats gevonden en werd het toch wel rimpelloze bestaan van de vereniging ook anderszins  in beroering gebracht. De secretaris deelde 30 januari ter vergadering mee zich "wegens drukke werkzaamheden niet meer herkiesbaar te stellen." De heer Mulliť volgt hem op.

Is Van Noppen alleen afgetreden omdat hij het met zijn school te druk kreeg of  legden ook andere zaken druk op hem?? In zijn Jaarverslag 1941 vermeldde hij dat er in december van dat jaar "een nieuwe regeling kwam voor de niet-commerciŽle verenigingen", die ook  zou moeten leiden tot reorganisatie van de Nederlandse Schaakbond. Kennelijk  mag of wil de secretaris er niet meer over meedelen en dus is "afwachten de boodschap." Ook voorzitter De Graaf, die in de vergadering van 30 Januari 1942 een desbetreffende circulaire van de Bond "toelicht" (!), besloot met dezelfde conclusie: "afwachten is de boodschap."

Maar het kan niet anders of men wist wel degelijk wat er gaande was. Waarom wilden voorzitter en secretaris dan geen opening van zaken geven? Of is die wel gegeven, maar wilden ze vermijden dat een en ander, inclusief bespreking, in verslag en notulen werd vastgelegd? Werden sommige leden ervan verdacht potentiŽle verklikkers te zijn?

Voorafgaand aan die geheimzinnige circulaire waren er al wel ontwikkelingen geweest die zeker een principiŽle discussie waard waren. Al in de loop van 1940 was de joodse secretaris van de Nederlandse Schaakbond van zijn functie ontheven en vervangen door een fervente NSB-er.Vervolgens duurde het niet lang of de joodse leden van de Schaakbond en andere Bonden werd, op bevel van de bezetter, het lidmaatschap ontnomen. De Bonden voerden, om opheffing te voorkomen, deze maatregel zonder protest uit. Maar het is bekend, dat er  bij diverse verenigingen individuele leden uit solidariteit en als protest hun lidmaatschap opzegden.

In  de notulen zijn geen namen of andere aanwijzingen te vinden dat de vereniging joodse leden telde. Maar het zou kunnen zijn, dat de "heren de Kleijn, Kraak, de Quartel en de gebr. Sinke", van wie 30 januari vermeld wordt "dat zij als lid der club bedanken." dat deden uit solidariteit met joodse schakers elders. Een andere mogelijkheid is, dat deze leden niet langer wilden verkeren in een club waarvan ook, zoals uit latere notulen blijkt, NSB-ers lid waren. Maar het blijft gissen, want de secretaris laat in deze notulen - zijn laatste! - ons in het ongewisse over de motivering van deze leden - 5 van de 32!!! -, wat op zichzelf al hoogst opmerkelijk is.

 

Waartoe de in het Jaarverslag 1941 aangeduide reorganisatie van Schaakbond zou leiden, kon geweten worden.Want de NSB-secretaris van de Bond was druk doende alle bestuursmacht in handen te krijgen. Met tijdelijk succes, want uiteindelijk zou het hem lukken benoemd te worden tot gevolmachtigde van "Reichskomissar" Seyss-Inquart. Nu hun eigen positie in het geding komt, gaan het landelijke en de regionale besturen wel protesteren. Ook met succes: de rijkscommissaris wil geen onnodige onrust en trekt zijn gevolmachtigde terug. Bovendien haalt hij Max Euwe, die als oud-wereldkampioen voor de Duitsers een gezaghebbende figuur was en ook medewerker was geworden van het officiŽle Duitse schaakblad, over om als interim-voorzitter te gaan fungeren. Dat brengt in de Nederlandse Schaakbond  inclusief de Schaakvereniging Middelburg de rust weer terug. Maar niet in de wereld daarbuiten.

In het Jaarverslag 1941 noteerde secretaris Mulliť dat "Vrijdag 1 Sept. voor 't eerst werd gespeeld in Hotel de Burg aan de Loskade. Direct daarop verscherpte de toestand zoodanig dat dit de laatste maal in 1944 was, dat de club samenkwam. Voor ons schone eiland Walcheren en onze geliefde stad Middelburg braken nu rampspoedige dagen aan.". Mulliť duidt met dat "rampspoedig" op de door zware bombardementen op de zeedijken bewerkstelligde inundatie van Walcheren (oktober) en de op Middelburg gerichte artilleriebeschietingen in november. Hij verwoordt dat en het daaropvolgende gelukkige einde treffend: "Angstig waren de eerste Novemberdagen, toen de granaten over de stad gierden en ook in de stad explodeerden. Zondag 5 November was een helsche dag. Maandag 6  November was ongetwijfeld voor velen de gelukkigste dag van hun leven. Toen zagen we de gehate onderdrukkers met de handen omhoog als gevangenen bijeengedreven. We waren vrij!."

De eerste vergadering na de bevrijding vond plaats op 9 februari 1945. "Een voorstel van een der leden tot royement van leden die tot de N.S.B. behoorden wordt na ampele discussie met algemene stemmen aangenomen.".

Bevrijd en gezuiverd kon de Schaakvereniging Middelburg een nieuwe fase van haar bestaan aanvangen.

 

Marten Beinema

 

(Marten Beinema overleed op 20 augustus 2008 te Middelburg, hij werd 76 jaar.)