Terug                                        Schaken in Amerika                                 PZC  4-3-1978

De geweldige successen die het Amerikaanse schaakfenomeen Bobby Fischer enkele jaren geleden behaalde met als hoogtepunt het veroveren van de wereldtitel in 1972, veroorzaakten in de wereld een soort schaakpsychose die zijn weerga niet kende.
De fabrikanten van schaakmateriaal beleefden gouden tijden. Duizenden werden lid van een schaakclub. Tot in de verste uithoeken van de wereld drong het schaken door. Vooral in de Verenigde Staten beleefde men een grote bloeiperiode. Tussen juni 1972 en juni 1973 verdubbelde het aantal leden van de Amerikaanse schaakbond van 30.000 tot 60.000. Op zichzelf natuurlijk nog maar een mager aantal als we bijvoorbeeld naar Nederland kijken (bijna 25000), maar voor de Amerikanen een glorieuze sprong naar voren.
Helaas, de 'Fischer boom' bleek al snel uitgewerkt met als gevolg, dat het aantal leden weer snel terugliep. Op het ogenblik telt de Amerikaanse bond 46.000 leden. Voor zo'n enorm land natuurlijk beschamend weinig. De belangrijkste reden hiervoor is ongetwijfeld het feit, dat schaken in commercieel opzicht volkomen oninteressant is. Er valt geen cent mee te verdienen en uit reclameoogpunt is het ook, althans in de States, van nul en gener waarde. De Amerikaanse schaakbond is kortgeleden een grootscheepse actie begonnen om nieuwe leden te werven. Voorlopig is het resultaat zeer teleurstellend.
Hoe het dan wel moet? Lubomir Kavalek, sinds kort officieel Amerikaans staatsburger, heeft in het decembernummer van Chess Life een poging gedaan om de ogen van de Amerikanen en waarschijnlijk ook de Amerikaanse zakenwereld te openen. Hij deed dit op een indirecte manier door te vertellen hoe grandioos het bijvoorbeeld in Nederland is geregeld ... Op het Interpolis toernooi werden de grootmeesters tegemoet getreden op een manier waarvan hij slechts had kunnen dromen! Hij noemt zijn verslag van het toernooi dan ook 'The fairy tale touch'.

Hoe armoedig steekt het Amerikaanse schaakleven hierbij af.
Tot voor kort hadden verschillende Amerikaanse schakers een part-time baantje dat met hun schaakactiviteiten viel te combineren, maar dat is nu met de grote werkloosheid nauwelijks nog mogelijk. Wie als beroepsschaker niet van ellende wil omkomen moet iedere week een toernooi spelen. Dat is mogelijk, want er zijn toernooitjes genoeg, maar men moet dan wel  hot en her het land doorkruisen. Op den duur, houdt niemand dat vol. De voormalige Russische grootmeesters Lein en Schamkovitsj, die enkele jaren geleden naar de Verenigde Staten zijn geëmigreerd (uit Israel), zien het op het ogenblik niet meer zo goed zitten. Voor een grootmeester is het ideaal om aan een vijftal grote toernooien per jaar deel te nemen. Dan houdt hij voldoende tijd over om te rusten en zich schaaktechnisch voor te bereiden. Zie bijvoorbeeld Portisch, die zich buiten de toernooien toch nog elke dag minimaal acht uur met schaken bezighoudt!

Het zal heel wat moeite en inventiviteit kosten om het Amerikaanse schaak uit het slop te halen. Met een ledenwerfactie alleen komt men er zeker niet. Er moet een andere houding komen ten opzichte van het schaakspel en zijn voornaamste beoefenaren. Een mentaliteitsverandering dus. Maar aangezien zelfs Bobby Fischer daarin niet is geslaagd en hij heeft daar met grote verbetenheid aan gewerkt, ziet het er voor de toekomst van het Amerikaanse schaak niet al te rooskleurig uit.

Maar na deze treurnis aandacht voor wat vrolijker zaken. Sam Loyd, de grootste probleemkomponist aller tijden, hield er af en toe van de oplossers bij de neus te nemen. Veel 'probleemkenners' zeggen als ze een probleem niet hebben kunnen oplossen en de oplossing onder ogen krijgen: 'Ach ik dacht, dat de pionnen de andere kant opgingen!', waaruit natuurlijk dan de gevolgtrekking moet volgen, dat ze het wel gevonden zouden hebben, als ze de juiste gang van de pionnen geweten hadden. Ach dan hadden ze het in een wip opgelost! Op een dag legde Loyd aan een aantal schaakminnaars het volgende probleem voor:

Mat in één zet.

'Mat in een zet?', zei een der omstanders. 'Nou, dat kan toch iedereen. Even de dame op g2 zetten en het is gepiept.'
'Dat gaat niet',
antwoordde Loyd, 'de dame is gepend'.
'Dat is waar',
moest de ander toegeven, 'maar ik kan met een van de torens matzetten.'
'In dat geval',
aldus Loyd weer, 'gaat de dame of de loper ertussen.'
En zo ging het verder. Er werden allerlei andere zetten geprobeerd, Ld5+, Pf2+, Pg3+ enz. Alles tevergeefs. Tenslotte liet Loyd de oplossing zien: l.bxa8D mat!
‘Oh, is het zo? Is het werkelijk anders niet?'
morde het verzamelde publiek. 'We dachten dat de pionnen naar de andere kant gingen'.
'Werkelijk, dacht u dat?'  kwam Loyd bliksemsnel met een antwoord. 'Waarom zet u dan niet mat met l.blD?
Homerisch gelach alom! Een grapje van een ander soort is het volgende beroemde probleem van Shinkman:

Mat in acht zetten!

Alle witte pionnen veranderen in paarden! En het is werkelijk de enige manier om het probleem op te lossen. 1.b8P+ Txb8 2.axb8P+ Kd6 3.c8P+ Ke6 4.d8P+ Lxd8 5.exd8P+ 6.g8P+ Dxg8: 7.fxg8P+ Txg8 8.hxg8P mat !!

Misschien kunt u ergens een paar extra paarden confisqueren! (Met dank aan Kurt Richter.)

(Later bleek op een Zeeuwse schaakclub plotseling een grote hoeveelheid witte paarden spoorloos te zijn...)