Welkom
De Meestoof
Gilde
Scherpenisse
De vakmensen rond 1900
Schippers en Vrachtrijders
Onderwijs
Scholen 2001
Geslacht Kleppe
Kerkhistorie van Scherpenisse
Boekbinderij
Westkerke
Gorishoek
Ned Herv Kerk
Gereformeerde Gemeente
 
 
DE MEESTOOF
 
 
Streekmuseum "DE MEESTOOF"
Bierenstraat 6, 4697 GE St-Annaland
Telefoon 06-22826192
 
Openingstijden:
Dinsdag t/m zaterdag.
Vanaf Nationaal Museumweekend dit jaar op zaterdag 12 april
tot 1 november en met 2e Pinkersdag van 14.00 uur tot 17.00 uur.
In de maanden juli en augustus een half uur eerder.
 
Toegangsprijs:
Volwassenen: 2 Euro p.p.
Kinderen t/m 16 jaar 1 Euro p.p
 
Groepsbezoek:
Ook buiten de normale openingstijden.
Tijdig bespreken. Tel 0166-652901 of 06-22826192
 
De bereikbaarheid van het museum.
U volgt de ANWB-borden St-Annaland.
Daar aangekomen volgt u de bewijzering naar het museum
"De Meestoof" middels het bekende museumlogo
 
 
 
 
 
Streekmuseum De Meestoof pakt ouderwets uit tijdens braderie op zaterdag 9 augustus 2003
 
 
Op de Stallandse braderie van aanstaande zaterdag bruist het weer van de activiteiten in en rond het museum. Op het voorplein is er verkoop van boeken en curiosa. In het museum staat de wisseltentoonstelling in het teken van het "jaar van de boerderij" en de meekrapteelt. Verder zijn er demonstraties van o.a. een touwslager, een smid, een boekbinder, het snijden van messenheften en botenbouw. Tevens is er een kleine verzameling opgeknapte bromfietsen uit de jaren '60 te bewonderen. De Noorse woning die helemaal is ingericht in de jaren '50 stijl is een feest van herkenning. De inwendige mens kan tenslotte versterkt worden in de nieuwe koffieruimte die  aan 40 personen een zitplaats kan bieden. Kortom, een bezoek aan de braderie is niet compleet zonder een bezoek aan het museum dat open is van 10.30 uur tot 18.00 uur.   
 
 
 
De volgende exposities zijn dit jaar te bezichtigen:
 
- Het jaar van de boerderij
- De meekrapteelt
- Het watersnoodhuis
 
Het museum
 
Het museum dankt zijn naam aan de meekrapteelt. Meekrap, Rubia Tinctorurn, ofwel 'rood om mee te verven', werd al in de 12de eeuw in Zeeland verbouwd. Het is een uit Voor-Azië afkomstig gewas dat na twee of drie jaar wordt geoogst. De oudste schriftelijke bewijzen voor de teelt en bereiding van meekrap in Zeeland en met name in Middelburg en Tholen dateren uit de 14de eeuw. Maar de cultuur was hier ongetwijfeld al veel eerder. In de 14de eeuw ontwikkelden Zeeland en de aangrenzende zeekleigebieden van Noord-Brabant en Holland zich tot een productiegebied dat al snel de andere meekrapstreken zou overtreffen. In de 16de en 17de eeuw stonden Holland en Zeeland hiermee aan de top.
De meekrapplant vormt vrij dikke wortelstokken en dunne vlezige bijwortels. Deze bevatten de grondstof voor de rode kleur. Het oogsten van de meekrap was zwaar maar goed betaald werk. De bereiding van de verfstof gebeurde in een gebouw dat van buiten op een grote schuur leek: de meestoof. Hier werden de wortels gedroogd in een droogoven, daarna verpulverd tot een poeder dat gebruikt kon worden als verfstof. Deze verfstof was sinds de middeleeuwen de meest populaire van alle rode verfstoffen. Hiermee verkreeg men een dieprode kraptint, het 'meekraprood', dat vooral werd gebruikt voor het verven van wol, later ook voor katoen en zijde en voor het schilderen van houten voorwerpen.
Op Tholen en Sint Philipsland stonden in 1820 tien stoven; ieder dorp had een eigen stoof. In 1868 slaagden twee Duitse chemici erin om het vervend bestanddeel in de meekrap, de alizarine, uit antraceen (een bestanddeel van steenkoolteer) te bereiden. En in 1873 was de productie van synthetisch alizarine zo groot dat dit in Zeeland, waar het meekrapbedrijf tot de belangrijkste middelen van bestaan behoorde, tot een snelle ondergang van de meekrapteelt leidde. Alleen straatnamen herinneren nu nog aan dit ooit zo belangrijke product.
 
 
EEN PLAATSELIJKE KUNSTENAAR: CHRIS LANOOY
 
Chris Lanooy (1881-1948), grondlegger van de moderne keramiek, werd geboren in Sint-Annaland. Hij ontwikkelde zich van plateelschilder tot de eerste Nederlandse zelfstandige kunstpottenbakker. Hij had een geheel eigen stijl, waarbij de uitzonderlijke glazuren die hij toepaste een belangrijke rol speelden. Naast het beoefenen van bak- en glazuurtechnieken in keramiek ontwierp en beschilderde hij serieglas en ontwikkelde nieuwe technieken voor unica. Daarnaast heeft hij heel zijn leven geschilderd en getekend, maakte hij enkele plastieken en ontwierp dessins voor behang en textiel. Vanaf 1908 kreeg hij bekendheid door exposities en prijzen in binnen- en buitenland. Lanooy werd vooral in de periode 1920-1940 door een breed publiek gewaardeerd; velen schaften zich werk van hem aan, hoewel dat niet goedkoop was. Na zijn dood in 1948 raakte hij wat in de vergetelheid, maar de laatste jaren staat Lanooy weer volop in de belangstelling.
Door de aankopen van wijlen ir. M.A. Geuze bezit het museum veel werk van deze veelzijdige keramist, schilder, glaskunstenaar en ontwerper. Geuzes belangstelling voor de in de smidse van Sint-Annaland geboren kunstenaar wordt gedeeld door zijn opvolger drs. T.G.A. Westerveld. Door de inzet van secretaris drs. W. Heybroek verscheen er een rijk geïllustreerde monografie. In Tussen twee vuren wordt leven en werk van Lanooy voor het eerst uitvoerig beschreven.
 
Merk en Stoflappen
 
De eerste merklappen zijn aan het eind van de 15de eeuw ontstaan. De lappen werden toen 'naeidoeck', 'stickdoek', 'teeckendoeck', 'letterdoeck' en in de 18de eeuw ook wel 'mercdoeck' genoemd. Door de toenemende handel in de 16de eeuw werd de burger rijker en machtiger. Men kreeg meer bezittingen waaronder huishoudtextiel, in die tijd 'linnengoed' genoemd. Door de eenvoudige wasmiddelen kreeg de uitzet al snel een grauw aanzien en moest daarom één of twee keer per jaar naar de bleker. Omdat het linnengoed van iedereen erg op elkaar leek moest dit gemerkt worden met de initialen en merktekentje van de eigenaar. Dit merken werd gedaan door vrouwen en meisjes, die dit werkje hadden moeten leren. Het oefenen van letters, cijfers en merktekens gebeurde op een makkelijk aftelbare stof: linnen, katoen of wollen mousseline, met garens van zijde, linnen, wol of katoen. Meestal werden in kruissteek een alfabet en cijfers geborduurd, soms de naam van de borduurster en vervolgens werd de lap vol geborduurd met allerlei motieven en vaak omkaderd met een bloemenrandje. De lappen werden bewaard en dienden als voorbeeld maar ook als proeve van bekwaamheid. Een meisje dat letters en cijfers kon borduren kon ook lezen en schrijven en dat maakte haar tot een gewilde huwelijkskandidaat. Zij zou ongetwijfeld een huishouden kunnen bestieren! De Meestoof bezit een bijzondere collectie van deze proeven van bekwaamheid. De oudste lap uit de collectie dateert uit 1709 en laat zich lezen als een stripverhaal. De indeling in vier banen is zeldzaam. Een bijzonder detail is een vliegerend jongetje.
 
 
 
DE STIJLKAMERS
 
In de twee stijlkamers is te zien hoe de welgestelden en de minder goed bedeelden in deze streek leefden. In de deftige kamer der rijken staan fraaie meubelen, glas en porselein, een barometer; aan de muur hangen portretten en borduurwerken. Op de tafel een kostbare bijbelgodsdienst nam een belangrijke plaats in het leven van de bewoners uit deze streek in. In deze kamer wordt ook aandacht besteed aan streekdracht en -sieraden.
Deze streekdracht bestond aan het einde van de 19de eeuw uit een donkere, meest zwarte wollen burgerjapon of jak met rok. Daarbij werd voor daags een gehaakt mutsje gedragen en voor de zondag een 'vleke' of 'vleekmusse' (vlerk/vleugelmuts). Dit was een lange sluiermuts afgezet met een strook Lierse of Brusselse kant. De breedte van deze strook was afhankelijk van de welstand van de draagster. Bij rouw werd een muts van batist of tule gedragen en in plaats van kant zat er dan een dubbele zoom van dezelfde stof aan de muts.
De Thoolse sieraden zijn beroemd om hun schoonheid. Men denkt dat ze het resultaat zijn van vakmanschap en de persoonlijke smaak van de draagsters. Tijdens marktdagen werd na het zakendoen dikwijls een bezoek gebracht aan de juwelier in de stad. Deze had vaak een voorraad sieraden die in de omgeving werden gedragen. Ook bestelde men wel sieraden bij de plaatselijke goud- en zilversmid. Dit heeft geleid tot schitterende, uitbundige oorijzerhangers, die naar gelang de zetting en versiering 'spiegelbellen', 'wisselbellen' of 'kussenbellen' werden genoemd. De sieraden van de Thoolse vrouwen vertegenwoordigden een kapitaal: er werd wel gezegd dat de vrouw een hele 'stee' (boerderij) aan haar hoofd had hangen. Naast fraaie gouden sieraden bezit De Meestoof ook een collectie rouwsieraden. Dit zijn meest zwarte sieraden van glas, hout, been of git met zilveren sluitingen. Als men in de rouw was droeg men geen zilver of goud.
 
 
DE BOVENVERDIEPING
 
Bijzonder is het originele winkeltje van de familie Bentschap Knook dat vroeger op de markt van
Sint-Maartensdijk stond. Er staan merkartikelen zoals Zebra en Glim, stopflessen, boenwas, schoenpoetsdoosjes en soms kan men nog ulevellen in een bruin puntzakje laten afwegen.
Hier staat ook een uitgebreide collectie blikken. Blik werd in de 16de eeuw voor het eerst gemaakt in Saksen en Oostenrijk. Het is platgehamerd metaal. Dit kan ijzer, staal, koper, messing of zelfs zilver zijn. Voor het maken van bussen en trommels wordt ijzer of staal gebruikt met aan beide zijden een dun laagje tin. Vanaf de 17de eeuw werd het metaal tussen rollen platgewalst. Rond 1870 begon de blikverpakking ook in Nederland aan haar opmars. Het was een verpakkingsmateriaal voor luxeartikelen als koffie, thee, tabak, cacao, chocolade en gebak, maar ook voor sterk geurende goederen of lastig te verpakken artikelen als stroop. Blikfabrikanten versierden hun bussen en trommels met kleurige voorstellingen. Het snoep van de firma Van Melle uit Breskens werd in grote blikken verkocht. Izaak van Melle (1877-1954), een natuur- en vogelliefhebber, drukte zijn stempel op de decoratie van de snoepblikken. Zijn ontwerpen werden door de firma Bekkers uitgevoerd. Beroemd is het molenblik met de wieken die echt kunnen draaien.
Blik werd niet alleen gebruikt als verpakkingsmateriaal maar ook werd veel kinderspeelgoed van dit materiaal gemaakt, zoals bromtollen, serviesjes, auto's, fornuisjes, enzovoort. Naast blikken speelgoed is er op deze zolderverdieping voor de jeugd nog ander speelgoed te bewonderen, zoals poppen, poppenhuizen, winkeltjes en keukentjes
 
 
LANDBOUWSCHUUR
 
Achter de kleine schuur is een erf waar landbouwwerktuigen als tractoren en ploegen staan
opgesteld en waar zich ook een 'stravalje' of paardenhoefstal bevindt. Hier werden de paarden beslagen.
Enkele jaren geleden is achter het erf een nieuwe schuur gebouwd om onderdak te kunnen bieden aan de grote en kleinere landbouwwerktuigen, aan een Thoolse boerenwagen, een rijtuigje en handgereedschap. In deze schuur bevinden zich ook een smidse, een wagenmakerij, een touwbaan, schoenmakerij, visserij afdeling, veiling, melkerij en kaasmakerij.
Als het smidsvuur brandt kan men zien hoe de smid de hoefijzers verhitte die vervolgens in de stravalje onder de paardenhoeven werden bevestigd. In de wagenmakerij wordt aandacht besteed aan het maken van de Thoolse boerenwagens. Op de touwbaan kan men zijn eigen springtouw draaien. In de schoenmakerij zit de oude schoenlapper: het ruikt er naar 1940. Maar men kan ook plaatsnemen in de veilingbankjes en de veilingklok laten draaien en zien hoe landbouwproducten, zoals aardappelen werden geveild.
In de koeienstal staan twee koeien. Deze stallen kwamen in Zeeland voor tot in de jaren zestig van de vorige eeuw. Ze waren klein en donker, daarom schilderde men de achterkant vaak wit. De dieren hadden niet meer ruimte dan één meter. Het melken gebeurde tot eind jaren vijftig met de hand, daarna kwam de melkmachine in gebruik. Hier kan men met de hand leren melken en zien hoe het karnen en het maken van boter en kaas in zijn werk gaan.
 
In de kamer der minderbedeelden staat een kabinet van vurenhout met daarop een door de plaatselijke schilder aangebrachte mahonie-imitatie. Mahoniehout was te kostbaar voor deze bewoner. In dit 'kammenet' is een eenvoudige linnen uitzet opgeborgen. Een bedstee, een 'spinne' (kast tussen de bedsteden) waarin serviesgoed en ander huisraad, een plattebuiskachel waarop een waterketel en daarnaast een turfkistje. Men ziet hier de eenvoudige, verstelde streek dracht met de haakmuts. Aan de muren hangen simpele wandversieringen. Aan tafel wordt uit een klein boekje gelezen in plaats van uit een kostbare bijbel.
 
Kaartenboekjes
 
Van veel boerderijen werden boekjes gemaakt met daarin alle kavels en hun ligging, getekend en gesigneerd door een landmeter. Meestal bestond de eerste pagina uit een inhoudsopgave, met naam van de eigenaar, landmeter en de gemeente. Aan de randen was vaak een versiering aangebracht met bloemen, vlinders, oranjeappels of gekleurde ornamenten.
Op de tweede pagina staat meestal een afbeelding van de boerderij met de bedrijfsgebouwen en de directe omgeving. Vaak zijn dat wegen, de tuin. nabijgelegen kavels en landschapselementen, zoals een weel (Weelhoeve), een drinkput of bosjes.
Het oudst bekende kaartenboekje van Tholen stamt uit 1770. Daarin besclli'ijft landmeter Arie van de Graaf een aantal kavels op verschillende plaatsen onder Poortvliet, Scherpenisse en Westkerke, eigendom van Adriaan Noordijke. De daarbij behorende boerderij ligt in de Gasthuishoek tegen de dorpskern van Scherpenisse. Wie weet de naam van deze boerderij?
Bij deze kaartenboekjes zijn de percelen akkerbouw verdeeld in smalle stroken (meetjes), gescheiden door greppels, die voor de afwatering dienden. Dit werd gedaan toen drainbuizen nog niet bekend waren. In de loop van de 20e eeuw is steeds meer drainage toegepast, zodat het land kon worden verdeeld in grotere kavels.
Een ander 18e eeuws kaartenboekje is van K. van Dalen dat de hoeve "Bijenkorf" aan de Nieuwe weg onder Poortvliet beschrijft. De voorpagina met de titel en inhoudsopgave is versierd met oranjeappels, terwijl ook hier op de tweede pagina de boerderij met directe omgeving (Huig Tonis Hoek) is weergegeven.
Er is ook een handleiding voor het opmeten van land te zien, gemaakt door landmeter M.Nijsse. De twee delen, met hoofdzakelijk opgaven, stammen uit resp 1810 en 1824. Blijkbaar werd deze handleiding gebruikt door de opleiding van landmeters, die later werden ingeschakeld bij het maken van de verschillende soorten kaarten en kaartenboekjes.
 
Deze kaartenboekjes werden zo intensief gebruikt, dat het overgrote deel alleen nog maar bestaat uit losse blaadjes, die zwaar vervuild zijn en vaak overdekt met berekeningen en aantekeningen. Vaak blijkt dat binnen een kaartenboek sommige b!adzijden getekend zijn in een geheel andere stijl. Dit zijn waarsschijnlijk kaarten van percelen die in de loop van de tijd zijn gekocht of gepacht. Wanneer iemand een perceel van een ander had gekocht werd dit uit het betreffende kaartenboekje gescheurd en aan het boekje van de nieuwe eigenaar töegevoegd. Zo komen er in de oudere boekjes regelmatig kaarten van landmeter M.Kievit voor die aan het eind van de 19e eeuw actief is geweest. Deze zijnherkenbaar aan hun uitbundige stijl, voorzien van götisch aandóende lettertypen (moeilijk leesbaar).
Soms kunnen meerdere boerderijen bij elkaar in een boekje staan. Een voorbeeld hiervan is het kaartenboekje van Comelis van Dalen uit 1883, waarin naast de hoeve "Wulp dal" ook twee andere  boerderijen in de Kosterhoek (met de opmerking gesloopt) en de Zuid Nijshoek zijn opgenomen.
Het komt ook voor, dat het gehele bedrijf op een kaart is vastgelegd. Dit is het geval bij een boerderij in de Henriëttepolder onder St-Philipsland, in 1795 vastgelegd door landmeter Joost Rijers uit Middelburg. Op deze manier is het gemakkelijker een overzicht te krijgen van de ligging van de boerderij met de omringende gebouwen en landerijen. Deze kaart is beschreven in het boek "Werken met Zeeuwse kaarten".
Niet alleen boeren, maar ook andere landeigenaren lieten kaartenboekjes maken. Zo is er een kaartenboek van A.J. Bierens jr., notaris en burgemeester van St.Annaland. Zijn landerijen beperkten zich niet tot St-Annaland, maar door zijn huwelijk met Cornelia Bruijnzeel, kwam hij ook in het bezit van een aantal percelen onder Poortvliet.
Kaartenboekjes zijn typisch voor het Zeeuwse akkerbouwbedrijf. In Tholen zijn er nog heel wat overgebleven en op de expoáie te zien. Daaraan zijn toegevoegd de bijbehorende originele kaarten van Hollestelle, waarin de namen van hoeken en boerderijen zijn weergegeven.
 
SCHOOLLOKAAL
 
In de eerste landbouwschuur bevindt zich een leslokaal van omstreeks 1910. Gezeten in de oude schoolbankjes die afkomstig zijn van de diverse scholen op Tholen en Sint Philipsland, waant men zich ver terug in de tijd. Schoolbankjes met al dan niet een schuifje over de inktpot en een klep die omhoog kan met daarin ingekraste namen.
Schoolplaten van Isings, Jetses en Koekoek over geschiedenis, godsdienst, aardrijkskunde en biologie. Rekenmethodes, telramen, maar vooral veel verschillende leesplankjes, waaronder een plankje waar alles in het Zeeuws op staat. Er zijn voorbeelden te zien van schrijf-, lees-, en rekenboekjes (het rekenboekje van meester Bartjens). Ook is er veel lesmateriaal op het gebied van landbouwonderwijs. Er zijn trommeltjes voor het 'twaalfuurtje': kinderen kwamen vaak uit de verre omtrek en moesten op school overblijven. Bovendien kan men hier even op het strafbankje plaatsnemen of met een gebroken griffel honderd strafregels op een leitje schrijven.
Ook is er lesmateriaal te vinden van de voormalige 'Normaalschool' (kweekschool) die in Tholen stond. In de natuurkundekast staan veel voorwerpen geëxposeerd die een toekomstige 'meester' of 'juffrouw' kon gebruiken. Ook zijn er lesboekjes en voorbeelden van handwerkonderwijs.
 
Nieuw in ons museum is het watersnoodhuis.
 
Deze huizen zijn geschonken door Koning Haakon van Noorwegen aan de gemeente Stavenisse na de watersnoodramp van 1 februari 1953 die aan 153 mensen van Stavenisse het leven heeft gekost. In totaal zijn er ruim 1800 mensen verdronken in heel Zeeland o.a. Kruiningen, Ouderkerk, Oosterland enz: Ook ziet u er interessante tekeningen hangen van de toenmalige kinderen van de openbare lagere school van Stavenisse in de leeftijd van 10 tot 12 jaar die een tekening moesten maken over de ramp die hun dorp getroffen had. Het interieur van het watersnoodhuis is geheel aangepast naar de tijd van toen.
Het watersnoodhuis is nu geheel klaar en te bezichtigen. Eind dit jaat hoopt prinses Margriet het watersnoodhuis officieel te openingen.
 
 
Copyright 2003 Scherpenisse C.M. Kleppe
 
Email: ckleppe@zeelandnet.nl
       .