De bewoners van Scherpenisse rond de eeuwwisseling
Er woonde op het dorp ook kleine joodse familie nl de gebroeders Manuel en Heiman Melchior met hun zuster Sara. Emanuel was de jongste van de drie en omstreeks de eeuwwisseling om en bij de vijftig. Ze dreven een klein winkeltje in galanterieën naast bakker Laven in de Weststraat. De messen, scharen en kammen, die zij verkochten waren van de beste kwaliteit. Sara en Heiman kwamen bijna nooit meer op straat hoogstens zag men hen nog wel eens in de deuropening. Sara met haar wit gehaakt mutsje op, wenkte voorbij lopende jongens wel eens om binnen te komen. Zij vroeg dan, voor haar de kachel wat op te stoken of te temperen ook wel om de petroleumlamp uit te blazen of
lager te draaien wanneer zij zelf die arbeid niet mocht verrichten vanwege haar sabbat. De beloning was dan gewoonlijk één cent en daar kon men in die tijd tien kersen of tien olienoten voor kopen. Het geldbedrag verwisselde dan meestal ook direct van eigenaar in het snoepwinkeltje er vlak naast, bij Maatje Kasseband getrouwd met Tholenaar. Ook kon je bij haar een kopje mosterd te halen voor één cent. Soms was de voorraad bij Maatje op en zij moest dan nieuwe maken. Zij deed dat in een grote ronde diepe houten bak, waarin een ijzeren kogel lag van een kleine diameter middellijn. Er werd wat mosterdzaad ingedaan en een klein beetje azijn. Daarna ging ze op een stoel zitten met de bak op haar schoot. Met beide handen hield ze de bak aan de rand vast. Dan bewoog ze haar dijbenen zo, dat deze een schommelende beweging kreeg, zodat de ijzeren kogel door de bak rolde en het zaad fijn maalde.
Ik kom nog even op de Joodse familie terug Emanuel, wandelde veel over het dorp. Men kende hem als Manie de Jood of alleen maar als Manie. Hij liep met zijn negotie de dorpen af. Die negotie was opgeborgen in een grote kist, die hij op zijn rug droeg en met brede leren riemen om de schouders was bevestigd. Het geheel was een nogal langwerpig geval dat aan de bovenkant was afgedekt met een zeil. De kist bevatte verscheidene platte, boven elkaar liggende Laden. Zijn klandizie vond hij meer onder de buitenmensen. Op de dorpen ventte hij niet. Hij betrok zijn waren van een firma uit Bergen op Zoom. Het was drie uur lopen naar die stad en dat liep Manie, heen en terug. Men heeft wel verteld dat hij in genoemde stad de synagoge bezocht. In het joodse winkeltje kon men ook des zondags terecht en daarvan maakte de ook gebruik. Des zondagmorgens moesten ze naar de kerk. Voor de kerk inging ontmoetten ze dan nog even hun maats die ook tot die plicht gedwongen waren. Het ouderlijk bevel was immers normaal in die tijd. Gedurende de dienst kwam men driemaal met het collectezakje rond. Dat zakje was gemaakt van zwart fluweel en had vanonder aan de punt een klein belletje en was bevestigd aan een lange stok, teneinde de kerkgangers in de hoge banken gemakkelijk te kunnen bereiken. Om aan de collecte verplichtingen te kunnen voldoen, kregen de meeste kinderen van arme gezinnen, drie halve centen mee. Voor de jeugd de kerk binnen stapte gingen ze eerst naar Manie en kochten daar voor een cent zoet hout of kalmoeswortel. De jeugd moest toch zoals de grote mannen die tabak pruimden, ook kunnen spuwen. De twee versnoepte halve centen werden natuurlijk vervangen door twee knopen. Eerst hadden ze het anders geprobeerd ze zagen wel eens arme lieden als het collectezakje bij hen verscheen met het hoofd knikken. De collecte ging dan verder aan hen voorbij. Dat deden ze toen ook, maar helaas de man die het zakje hanteerde vertelde het tegen de ouders van die jongens en het was natuurlijk afgelopen.
Kerken
Het dorp telde twee kerkgebouwen. Ze werden betiteld als de Grote(Ned.Herv.Kerk) en de Kleine Kerk(nu Ger Gemeente). Deze Kleine Kerk(zie foto rechts) had geen toren en een niet erg opvallende ingang in de Schoolstraat naast de openbare lagere school. Ze kon evenwel een groot aantal mensen bevatten. Deze kerk werd bezocht door de "Afgescheidenen" ontstaan door afscheiding in de Nederlands Hervormde Kerk in 1834.(zie voor meer informatie mijn pagina over de afscheiding). Zo nu en dan werd de dienst geleid door een dominee. Doch meestal door een voorganger nl door Cornelis Kleppe, gewoonlijk Kees Kleppe genoemd. Deze stond dan niet op de
preekstoel, maar er onder. Hij was een zeer gezien burger en in het agrarisch bedrijf werkzaam. Velen van dit kerkelijk genootschap gingen des zondags driemaal ter kerke. De Grote Kerk werd bezocht door de overige protestanten, meestal des zondags van halftien tot kwart voor twaalf. Des namiddags was er dikwijls zgn. leeskerk, De dienst werd dan ook geleid door een voorganger, meestal een ouderling. De dominee was dan naar een andere gemeente om te preken. Ook kwam wel eens een dominee van elders als het ambt vacant was. Nooit was er enige wrijving tussen bovengenoemde groeperingen. De mensen waren godvruchtig en verdraagzaam. Buiten de kerk viel men elkaar niet lastig met gods-dienstproblemen. De mensen wisten te leven en waren niettegenstaande hun armoede, geestig en vrij in hun spreken ofschoon men toch wel moet zeggen dat het leek of de mensen van de Kleine Kerk wat ingetogener waren, schrijft Kees Jobse in zijn boek over Scherpenisse. Maar in ieder geval bestond er een groot gemeenschapsgevoel.
Status
De status van de mensen was nogal ingewikkeld van aard. Deze liep niet parallel met hun welstand. Men kon hun status opmaken uit de wijze, waarop de vrouwen werden aangesproken. Zo was de titel van "mevrouw" slechts weggelegd voor de echtgenoten van de burgemeester, de dokter de veearts en het hoofd der school. Die van "juffrouw" voor de vrouw van de gewone onderwijzer en voor de onderwijzeressen. Er was eens een nieuwe onderwijzer gekomen. In een gesprek tussen vrouwen hoorde men het volgende: "Die vrouw van de nieuwe meester laat zich ook "mevrouw" noemen, wat verbeeldt zij zich wel". De vocatief "vrouw" was bestemd voor alle anderen ook voor de boerinnen. Deze werden in het Thoolse land niet aangesproken met bazinne zoals dat elders in Zeeland het geval was. Men gebruikte het woord "vrouwe". Enige voorbeelden: "Da's de vrouwe van Ko de Graaf". "Da's mien vrouwe". Op een vraag van de boerin antwoordde de werkster: "Ja vrouwe, dat ek à hedean(gedaan). In de adelstand kent men onder de verschillende titels ook het woord "Vrouwe" met een hoofdletter geschreven. De mannen spraken elkaar aan met hun achternaam, behalve als er een gezagsver- houding bestond, Zo werd een knecht gewoonlijk bij zijn voornaam ge-noemd. De knecht sprak zijn patroon aan met "baas" ook de boer werd al-dus aangesproken De vrouwen der arbeiders noemden elkaar meestal bij hun voornaam.
Dove Wullempje
Dan waren er nog twee nader dorpstypen, Dove Wullemtje een klein oud mannetje, dat meestal was te vinden op de hoek van de straten, die uit kwamen op de Hoge Markt of de Lage Markt. Dove Wullemje zag er niet erg fris uit. Men kon aan hem allerhande dingen kwijt die van koper waren zoals: blakers, Ketels en Branders van Petroleumlampen. Het marchanderen -loven en bieden- geschiedde in gebarentaal met de vingers. Dan waren er nog twee blinde boers Pieter en Karel Suurland. Pieter was klein van stuk hij woonde in bij zijn broer Ben die timmerman was. Beide blinde broers waren in Rotterdam op een blin-denschool geweest en hadden daar aardig wat geleerd Pieter vlechtte biezen matten voor stoelen en maakte van heel fijn ijzerdraad pijpendoppen. Hij was ook bode voor een begrafenisfonds. Zo kwam hij bij de mensen op zaterdagavond 19 cent halen. Hij vroeg altijd om de laatste kwitantie betastte die even en dan kon je som horen dat je de vorige week niet had betaald. Hij prikte zijn kwitanties in schrift in een stevig stukje papier. Dat daarbij op een fijngeribbeld geel koperen plaatje lag. Als Pieter door het dorp liep was dat altijd midden over de straat. Hij klakte daarbij voortdurend met duim en middelvinger en hoorde zo aan de verandering van het geluid of hij bij een zijstraat was. Des zondags als de kerk uit was, nam hij dikwijls plaats op de hoek van kerkstaat en de Hoge Markt. Hij verwachtte dan dat de een of ander een praatje met hem zou maken. Men ging dan stil naar hem toe -hij had je allang horen aankomen - en tikte hem voorzichtig op de schouder. Hij begon je dan te betasten en stelde je lengte vast, het hoofddeksel dat je droeg, bevoelde je horlogeketting, je handen en noemde dan al spoedig je naam. Als het kermis was stond hij urenlang aan het orgel van de carrousel te draaien, warvoor hij dan een klein vergoeding kreeg. Hij hoopte zoveel bij elkaar te krijgen dat hij niet van "De armen " behoefde te worden begraven. Zijn broer Karel was een grote sterke man. Men zei dat hij niet helemaal blind was. Toch deed hij alles op de tast. Hij was getrouwd en zijn vrouw had een kind meegebracht. Toen er op Poortvliet een boterfabriek was gekomen, ging blinde Karel met een handkar daar karnemelk halen, die hij op ons dorp uitventte voor anderhalve cent per kan.
Er waren vier schoenmakers op het dorp. Ze heetten allen Van de Graaf of De Graaf. Twee ervan oefenden des zaterdags ook het beroep van barbier uit. In de kerkstraat woonde Gerard van der Graaf,(zijn zoon Kees zie foto links) hij was een harde werker voor zijn gezin. 's Avonds om acht uur kon men nog zijn hamerslagen horen als hij bezig was het zoolleer op een grote harde steen hard te kloppen. In zijn werkplaats hing een vogelkooitje met kanarie. De zolen werden onder de schoenen of laarzen bevestigd met houten pennen van essenhout. Ze waren van luciferdikte en ruim een centimeter lang. Voor het gebruik moesten ze goed droog zijn. Om dit te bereiken deed de schoenmaker een hoeveelheid pennen in een grote koekenpan en stapte daarmee naar smid Klos aan de overkant van de straat. Daar hield hij de pan dan boven het vuur.
Beroepen A B C
A is Andriesse die van metselen leeft
B is Bezooien die een schoenwinkel heeft
C is Cooman die 't gildewerk verricht
D is Duine die zorgt voor het licht
E is Engelen die van zij rente leeft
F is Vrouw Franke die een winkel heeft
G is Geuze die met de auto rijdt
H is Hartog die het meel bereidt
I is Izak die wagens fabriceert
J is Jager die de schooljeugd leert
K is Kievit die bereidt medicijn
L is Larooij die veerman moet zijn
M is Muller die huizen bouwt
N is Noom die met verfkwasten sjouwt
O is Oudesluis die de wegbrug bedient
P is Popering die het met verven verdient
Q is Quaak een ijverig geslacht
S is Slager van "Nooit gedacht"
R is Rijstenbil die met de machine dorst
T is Tichem met middels tegen dorst
U is Thuis Union waar de veearts wil verkeren
V is Vinjé die maakt onze kleren
W is De Wilde de ijverige smid
X is Een letter die geen waarde bezit
Y is IJzerman een flinke jongeman
Z is Zwagemaker die hout hakken kan
Copyright 2003 Scherpenisse C.M. Kleppe
Email: ckleppe@zeelandnet.nl