Het Cloveniersgilde van Scherpenisse

Scherpenisse kent als enig dorp van het eiland Tholen een Cloveniersgilde opgericht in het 1594. Jaarlijks op woensdag na Pinksteren komt het Cloveniersgilde in de gildekamer boven het voormalige gemeentehuis bijeen. Om 13.00 uur en om 18.00 uur maakt de trommelslager de ronde door de straten van Scherpenisse, vanaf de Hoge Markt via de Kerkstraat, Lage Markt, Molenweg, Lentestraat, Weststraat en weer terug naar de Hoge Markt om de gildebroeders op te roepen voor hun komst naar de gildekamer te komen. Om lid te zijn van het Cloveniersgilde moet men woonachtig zijn in Scherpenisse. Verhuist men naar een andere gemeente dan moet men het gilde verlaten hoe spijtig men dit ook vindt. De trommelslager is tevens knaap die het bier rond brengt en hij moet de leeftijd van 18 jaar hebben. Volgens de regels wordt er dan ook uitsluitend bier geschonken. Wie bij het bier iets wil eten, kan hard gekookte eieren kopen of worsten met mosterd. Een zieke gildebroeder krijgt zijn bier thuis bezorgd. Een gildebroeder die een gevangenisstraf krijgt, vliegt er onmiddellijk uit. Het totaal aantal mag niet hoger zijn dan zestig en wie er dan graag in wil moet maar even geduld hebben. Ook in de gildekamer zijn er tal van regels in het belang van orde en netheid. Alleen zijn de boetes op het peil gebleven, uit de tijd dat de regels gemaakt werden, zodat de veertig cent geen betekenis meer geeft. De dienstdoende officier pakt het schrift ook niet wanneer één van de broeders een ander bij zijn voornaam noemt. Bier morsen dat niet met één hand bedekt kan worden, kost ook geld. En wie iets op tafel laat liggen moet dat terug zien te kopen, want de broeders moeten die voorwerpen aan de officier geven. Een vroegere burgemeester overkwam dat eens toen hij z'n pijp op tafel liet liggen. Voor vijftien gulden kon hij toen zijn pijp weer roken.
Burgerij en oorlogvoering
Al vroeg zal de burgerij op het eiland Tholen bewapend zijn geweest. Het hebben van versterkte plaatsen, zoals Tholen en Sint-Maartensdijk, houdt natuurlijk in dat er ook een verdediging was die in tijden van oorlog wacht liep. Ook moest de burgerij de heer in tijden van oorlog bijstaan. Zo blijkt uit het
privilege van stadsrecht van Jan van Bloys uit 1366 dat, wanneer de heer van Tholen in Zeeland ten strijde trok, de stad een kogge bemand met 31 koppen moest leveren. Dit wordt in 1400 nog eens bevestigd door Albrecht van Beieren. Ook de bewoners van Poortvliet kenden een dergelijke verplichting. In 1462 beloofde Philips van Bourgondië de ingezetenen van Poortvliet de heerlijkheid nimmer van de grafelijkheid te vervreemen omdat zij vanouds de graven van Holland hadden gediend als portiers en lijfwachten wanneer zij te velde lagen. Toen het riddertijdperk voorbij was en de burgerij meer zeggenschap kreeg, moesten de burgers zelf voor de verdediging van hun gebied zorgen. Vanaf de 14e eeuw kregen zij vergunning zich als gilden, dus een soort vereniging, met een beschermende functie te organiseren. Het eerst ontstonden deze SCHUTTERSGILDEN in steden. Naar hun wapen onderscheiden ontstonden handboog- en kruisbooggilden die naar hun beschermheilige respectievelijk St.-Sebastiaan of St.-Jorisgilden werden genoemd. Na de uitvinding van het buskruit ontstonden cloveniers- of bussegilden. In de late Middeleeuwen ontstonden de plattelandsschutterijen. Van deze gilden op Tholen is maar weinig bekend. In de stadsrekening van 1472/73 is sprake van de gezamenlijke gilden die de 'spekhaelders' op het kerkhof hadden omsingeld. Deze landlopers hadden zich op de gewijde grond aan de stedelijke macht omtrokken. Of er bij deze gezamenlijke gilden ook een schuttersgilde betrokken was, is niet vermeld. Het kan zijn dat toen de gilden, zoals dat van de bakkers, timmerleiden en schippers met de bescherming van de plaats waren belast. Het oudste schippersgilde, dat van de Edele Cruysboog met St-Joris als patroon, zal in de 16e eeuw zijn opgericht. De datum op de stichtingsakte is echter niet compleet. Deze begint met 1500 doch is verder niet afgemaakt. Evenmin blijkt uit de oorkonde blijkt of het gezelschap al bestond of dat het nieuw werd opgericht. Dit gilde telde 33 schutters die ieder 2 stalen bogen moesten hebben. Het Cloveniersgilde in de stad Tholen is in 1555 opgericht. Het Thoolse Schuttershof is op 17e eeuwse prenten aangegeven. Dit lag ten noorden van de Doelweg.
Oprichting Cloveniersgilde
Het Cloveniersgilde van Scherpenisse is opgericht in het jaar van de bouw van het rechthuis en wel in 1594. Op de gevelsteen die nog aanwezig is boven de ingang van de Spuistraat staat het jaartal 1594. Op 7 maart 1594 tekende Maria van Nassau de stichtingsakte waaruit blijkt dat het gilde op verzoek van het dorpsbestuur werd opgericht met als doel bescherming van de inwoners. In deze jaren was hier enige ongerustheid omdat men vermoedde dat de vijand een aanslag op Tholen voorbereidde en vrijwel alle troepen aan het eiland Tholen waren onttrokken in verband met het beleg van Geertruidenberg door Prins Maurits, maar vooral ook door de gevechten in Zeeuws-Vlaanderen en de bezetting van Hulst. In 1593 is toen een delegatie bestaande uit Jan Pigge, secretaris van Sint-Maartensdijk en Cornelis van Strijen, dijkgraaf van Scherpenisse en Westkerke naar Middelburg gereisd teneinde de staten van Zeeland vermeerdering van garnizoen te verzoeken. Hierna zijn twee Zeeuwse vendels en nog ca 1200 man toegezegd. Ook bezocht prins Maurits de vesting Tholen, de frontierstad van Zeeland. De keur (plaatselijk verordening) vermeldt ook de samenstelling van het gildebestuur. De baljuw, vergelijkbaar met de huidige burgemeester, was overdeken. Daarnaast moest men jaarlijks uit de gildebroeders een deken en vier gezworenen kiezen. Laatstgenoemden kregen ieder een rot onder zich bestaande uit 13 schutters. Dit gildebestuur moest jaarlijks in mei opnieuw worden vastgesteld, herbenoeming was echter mogelijk. In deze maand werden ook de vaandrig en 4 zwaarddragers aangesteld.
Het Schuttershof

In de stichtingsakte van 1594 is ook het schieten op doelen geregeld. Hier kon om geld worden geschoten, waarvan de hoogte werd vastgesteld. Er zal in Scherpenisse ook een gelegenheid zijn geweest waar horizontaal kon worden geschoten. Opvallend is dat het veldboek van Scherpenisse en Westkerke een soort kadastrale boekhouding, van 1660 in Scherpenisse twee Schuttershoven vermeldt, namelijk een in de Parochie Papenhoek en een in de Bobbelweelhoek. Eerstgenoemd terrein was een smalle strook grond langs de oostzijde van de huidige Wilhelminastraat tussen de Langeweg en de Bakkersdijk. Nog in een veldboek van 1824 wordt deze grond het Schuttershof genoemd. Oudere inwoners zullen deze strook grond kennen als de Gemeentewei en het Slachtveld. Mogelijk werd dit Schutterhof gebruikt door de schutters met pijl en boog, waarvan in de keur van 1518 sprake is. Het Schuttershof in de Bobbeweelhoek lag aan de andere zijde van het dorp, ten westen van het huidige Lenteplein. Thans liggen hier de Maria van Nassaustraat en het Schuttershof.
Wacht
De gildebroeders moesten volgens de ordonnantie van 1594 ook wachtdiensten verrichten. Uit archiefstukken blijkt dat er inderdaad tijdens de Tachtigjarige oorlog in Scherpenisse wacht werd gehouden. Vermoedelijk zorgde hier van 1621 af echter de landwacht voor. Van deze gemeenschappelijke regeling op het eiland Tholen is maar weinig bekend. Vermoedelijk werd alleen 's nachts in de plaatsen alsmede in de wachthuizen of redouten, die rondom het eiland Tholen op de zeedijken waren geplaatst, in tijden van gevaar gewaakt. Wanneer men schepen het land zag naderen en onraad bespeurde moest de wacht vuurseinen in de bij de redouten geplaatste masten hijsen en op hoors blazen. Deze seinen heeft men waarschijnlijk in de dorpen kunnen waarnemen. Op het grondgebied van Scherpenisse en Westkerke stonden toen wachthuizen in Gorishoek en bij de reeds lang verdwenen Blauwe weel in het verlengde van de Platteweg. De redout van de Verbrande Man stond bij de grens met Poortvliet. Ook in het hoog oprijzende rechthuis van Scherpenisse werd toen wacht gehouden en wel op de zolder van het gebouw van waaruit de Pluimpot en de wachthuizen op de dijken te zien zullen zijn geweest. Na het Twaalfjarig Bestand werd in 1622 op de zolder van het rechthuis opnieuw een corps de garde gemaakt. Door een rechtzaak op 9 november 1628 is er wat meer bekend over de wacht die men in Scherpenisse moest houden. Enige personen moesten toen voor de schepenbank verschijnen. Zij werden aangeklaagd door de kapitein (van de Landwacht), de wagenmaker en schepen Adriaen Huybrechts, omdat zij niet waren verschenen op de wacht in het dorp, in het rechthuis en in de redout. Zij werden tot boeten veroordeeld, doch als zij verklaarden "op haer manne waerheuyt" dat zij wel hun wacht hadden vervuld, dan gingen zij vrijuit. Een aantal van hen, gesteund door enige rotgezellen, verklaarden toen dat de korporaal of rotmeester hen naar huis had laten gaan. Deze werd daarop veroordeeld tot het betalen van een boete die werd verhoogd met een bedrag per rotgezel dat geen wacht had gelopen. In hetzelfde jaar inspecteerden deze kapitein en de 53 jaar oude luitenant Cornelis Wouters de wapens in Scherpenisse. In het huis van kleermaker en korporaal Joris Jans en zijn vrouw Janneken Aelbrechts kreeg de luitenant een woordenwisseling met de 33 jaar oude Jan Marinus Block, die de buurman van Jan bleek te zijn, over zijn wapen waarvan de loop te kort zou zijn. Van deze zaak zijn twee getuigenverklaringen bewaard gebleven. Gezien de grootte van Scherpenisse zullen de schutters van het Cloveniersgilde in die jaren ongetwijfeld zijn betrokken geweest bij de landwacht die het eiland Tholen bewaakte.
400 jarig bestaan
Wij schrijven 1994 dit is het jaartal dat de Cloveniersgilde haar 400 jarig bestaan vierd. Het gemeetebestuur heeft gedacht dat hier bij een geschenk hoort. Zij hoefden dan hierover niet lang na te denken. In het kunstbeleid van de gemeente zal elke kern van een kunstwerk in de open lucht worden voorzien. Dus ook Scherpenisse. Het motto voor een kunstwerk voor ons dorp was dan ook snel gekozen "Het Cloveniersgilde". Met de onthulling ervan op 27 mei 1994 (zie foto) is er een permanent zichtbaar
teken van de eeuwenoude verbondenheid van Scherpenisse en het Cloveniersgilde, dat bij de oprichting ervan in 1594 tot taak had de bescherming van lijf en goed van de inwoners. Het kunstwerk symbolyseert óók de onderlinge solidariteit, het kunnen en mogen rekenen op elkaar, wanneer het er op aan komt. Tenslotte houdt het kunstwerk de mensen in Scherpenisse vóór dat zij in vrede en voorspoed met elkaar moeten en ook kunnen samenleven in dit zo fraaie dorp. Aldus Burgmeester H.A. van der Munnik in zijn voorwoord van het boekje dat verschenen is ter gelegendheid van dit feit. U ziet op de foto in het midden, met zwarte hoed, Burg H.A. vd Munnik, links Mevr vd Munnik, met recht van de burgemeester leden van het Cloveniersgilde.
Copyright 2003 Scherpenisse C.M. Kleppe
Email: ckleppe@zeelandnet.nl